Het lichaam lag vreemd verwrongen op het trottoir. Peter van Opperdoes keek naar boven en zag het open raam op de derde verdieping.
‘Dit is ’m, hè?’ vroeg de wijkagent.
Van Opperdoes en Jacob knielden naast het lichaam. De man lag op zijn buik, maar zijn gezicht lag opzij. Het was niet moeilijk hem te herkennen. Dit was onmiskenbaar de man die de auto had gehuurd waarin het lichaam van Willem van Kampen was gevonden.
‘Woonde hij daar?’ Van Opperdoes wees naar boven, een kleine etage in een smalle straat in Amsterdam Oud-West. De bewoners waren inmiddels de natte en koude straat op gekomen en stonden achter rood-witte linten.
De wijkagent trok zijn schouders op. ‘We zijn nog niet boven geweest. Ik weet niet of hij daar woont, maar hij kwam wel daarvandaan naar beneden gevlogen. Het huis is afgesloten, maar toen ik hem herkende van de foto die jullie hadden rondgestuurd, heb ik de situatie eerst maar bevroren, voordat we naar binnen gingen. Je weet maar nooit.’
Van Opperdoes keek vragend. ‘Weten jullie zeker dat zich niemand anders in die woning bevindt?’
De wijkagent, een nuchtere blonde West-Fries, keek even stoïcijns omhoog en schudde zijn hoofd. ‘Neuh… niet honderd procent.’
Jacob kon zijn verbazing niet verbergen. ‘Niet? Misschien is die man wel door iemand geduwd.’
De wijkagent haalde zijn schouders op. ‘Er staan twee stevige collega’s bij de deur, die gaan zo naar binnen. Er is geen achteruitgang. Er zijn maar twee manieren om uit die woning te komen. Via de voordeur…’
Jacob knikte begrijpend en keek naar de derde verdieping. ‘… of via het raam.’
De wijkagent grijnsde. ‘Precies. Hoe dan ook, als er iemand binnen zit, kan hij geen kant op.’
‘En hij komt dus uit dat raam,’ vatte Van Opperdoes bondig samen.
‘Het lijkt erop, nietwaar?’ zei de wijkagent droog.
De schouwarts en de Technische Recherche werden alvast gewaarschuwd, hoewel de doodsoorzaak vast leek te staan. Vol verwachting gingen Van Opperdoes en Jacob de nauwe en steile trap op naar boven.
Van Opperdoes posteerde zich naast de deur. ‘Ik ben benieuwd…’
‘Hebben jullie iets gehoord?’ vroeg Jacob aan de twee agenten in het trapportaal.
‘Niets,’ zei de ene.
‘Volgens mij is er niemand meer binnen,’ zei de andere.
Van Opperdoes en Jacob keken elkaar aan. In de deur waren stevige sloten gemonteerd, onder en boven.
‘Laten we dan maar eens gaan kijken…’ zei Jacob, en hij duwde voorzichtig met zijn schouder tegen de bovenzijde van de deur en daarna met zijn knie tegen de onderzijde. Op beide plekken week de deur een beetje van de deurstijl.
‘Niet dubbel afgesloten. Gewoon dichtgetrokken.’
Een van de agenten tikte Jacob op de schouder en hield een breekijzer omhoog. ‘Had ik vast mee naar boven genomen.’
Jacob nam het stuk ijzer dankbaar aan en wrikte het tussen de deur en de deurstijl, ter hoogte van de deurkruk. Met een lichte krachtsinspanning week het hout en zwaaide de deur open. Voorzichtig gluurde Jacob naar binnen.
Er brandde volop licht in de gang. Langzaam duwde hij de deur verder open en betrad de woning, gevolgd door Van Opperdoes en de agenten. Er was niemand meer binnen. In de woonkamer stond het raam, dat bijna tot aan de vloer doorliep, wijd open. Van Opperdoes bekeek het raam en de sponningen. Zo van boven af bezien lag het lichaam er nietig, maar ook huiveringwekkend bij.
Van Opperdoes had in zijn lange loopbaan al veel slachtoffers gezien die naar beneden waren gesprongen. Hij kon zich nooit een voorstelling maken van de wanhoop die iemand moest voelen vlak voordat hij de laatste stap deed.
Hij draaide zich om naar de kamer en keek rond. ‘Is hier gevochten?’
Het was meer een overpeinzing voor zichzelf dan een vraag aan iemand anders. Als er al een worsteling had plaatsgevonden, was het niet te zien.
‘Een blind paard kan hier geen schade aanrichten…’ mompelde Jacob.
De oude rechercheur boog voorover. Op tafel zag hij een klein wit papiertje, met ernaast een pen. Op het papiertje stond, in onregelmatig handschrift: ‘Het spijt me. Ik had het nooit moeten doen. Ik kan er niet mee leven.’ Van Opperdoes wenkte Jacob, die uit de slaapkamer kwam.
‘Kijk eens?’
‘Ik heb ook iets wat je moet zien. Eerst.’
Jacob maakte een hoofdknik naar de kamer achter zich.
Peter van Opperdoes volgde hem. In de slaapkamer was het bed niet opgemaakt en lagen kleren her en der over de grond verspreid. In een hoek lag een stapel kleding. Op het bed lag een portemonnee, sigaretten… en een indrukwekkend groot zwart pistool.
Jacob deed zijn armen over elkaar. ‘Ik moet me wel sterk vergissen als dit niet hetzelfde kaliber is als waarmee Hempie en mevrouw Van Lier zijn doodgeschoten.’
‘Op tafel ligt een briefje dat het hem spijt. Dat hij er niet mee kan leven.’
‘Waarmee niet kan leven? Met de moord op twee mensen?’
Van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘Dat staat er niet bij, dus daar moeten we het mee doen. Een wapen, misschien het moordwapen, en een briefje dat zegt dat het hem spijt.’
Jacob keek rond in de slaapkamer. ‘Misschien ligt er nog meer. Ik zoek hier nog even verder…’
Van Opperdoes liep terug naar de woonkamer. Ook daar lagen overal spullen, in een hoek lagen stapels verpakkingen van mobiele telefoons en autoradio’s. Het was er smoezelig en bedompt.
Wat een verschil met de woning van Willem van Kampen, dacht hij, of zelfs met de woning van Hempie, met al het klatergoud. Dit was de woning van een kruimeldief, een rommelaar. Het zou Van Opperdoes niets verbazen als…
In gedachten verzonken zocht hij nauwgezet verder in de woonkamer. Toen hij daar niets had gevonden, was de keuken aan de beurt. Daar, eindelijk, vond hij wat hij al verwachtte. Tussen de etensresten en de smerige potten en pannen, in een lege suikerpot, was een klein zakje met wat coke verstopt. Een verslaafde kruimeldief. Deze man was geen grote speler op het toneel van de misdaad.
Was hij dan de moordenaar van Willem van Kampen? En de moordenaar van Hempie… en mevrouw Van Lier?
Van Opperdoes liep naar de slaapkamer en doorzocht de portemonnee. Toen hij een rijbewijs vond en een bankpasje met dezelfde naam, bekeek hij beide nauwkeurig en stopte ze vervolgens in een plastic zak voor in beslag genomen spullen. Hij zocht een van de agenten op en gaf de zak aan hem.
‘Wil je deze naam door alle registers halen? Ik wil zo snel mogelijk weten of hij antecedenten heeft.’
‘Is dat wel zijn echte naam?’ vroeg Jacob zich af.
Van Opperdoes knikte. ‘Zijn legitimatiebewijzen en de bankpasjes zien er echt uit. Waarschijnlijk gebruikte hij alleen valse papieren als hij een klusje moest opknappen. Zoals een auto huren waarvan niet bekend mocht worden wie erin reed.’
‘Of als hij een paar mensen ging vermoorden…’ vulde Jacob aan.
De oude rechercheur trok zijn kleine zwarte notitieboekje uit zijn binnenzak. Daar waar Jacob aantekeningen maakte op een elektronische manier, soms zelfs in zijn telefoon, hield Van Opperdoes het bij zijn Moleskine-boekjes. Mooi van kwaliteit, altijd betrouwbaar en je had er nooit last van dat je batterijen op een onhandig tijdstip op waren.
Jacob keek over zijn schouder mee.
Van Opperdoes maakte een schetsje van het raam, en zette op papier twee kruisjes aan de zijkanten op het kozijn. Hij bladerde even terug.
Jacob zag dat zijn oude collega een keurig schema had bijgehouden, verdeeld over twee bladzijden. ‘Lijk 1 (Stenen Hoofd), Lijk 2 (Kofferbak), Lijk 3 (Mevr. Van Lier)’, zag hij staan, met daaronder de namen en bijzonderheden.
Jacob grinnikte en zijn oude collega keek hem vragend aan.
‘Wat lach je?’
‘Jij hebt je eigen witte muurbord bij je.’
Van Opperdoes keek peinzend om zich heen. ‘En vier lijken. En een excuusbrief… en misschien wel het moordwapen.’ Hij klapte het boekje dicht en borg het weer op in zijn binnenzak.
Het geluid van een naderende auto klonk.
Jacob keek naar beneden. ‘De schouwarts is er.’
De kleine, witte gg&gd-auto hield stil bij de afzetting. Van Opperdoes voelde zich plotseling weer moe. Zijn knieën knikten en deden pijn.
‘Laat de Technische Recherche hiernaartoe komen,’ zei hij zuchtend, voordat hij moeizaam de trap af liep.
Cathelijne de Wind onderzocht het lichaam en wees naar boven. ‘Komt hij daarvandaan?’
Jacob knikte. ‘Waarschijnlijk wel. Hij woonde daar in ieder geval en het raam stond open.’
‘Duidelijke zaak.’ Ze nam de schedel van de man in haar handen en drukte zachtjes.
Jacob wist wat er nu ging gebeuren en draaide zijn hoofd weg.
Cathelijne kon op deze manier voelen of de schedel van de man ook gebroken was. Soms schoven de gebroken delen over elkaar heen, wat een bijzonder naargeestig geluid opleverde.
‘Gevoelig type, uw collega?’ grijnsde ze.
Van Opperdoes glimlachte, zelf had hij er geen last van. Een dood lichaam was voor hem een omhulsel, iets waar hij geen overdreven sentimentaliteit of emoties bij voelde. Het lichaam was verlaten door de ziel, en voor hem was de ziel datgene wat de mens maakte.
‘Net een puzzeltje… allemaal losse stukjes in zijn hoofd,’ concludeerde de schouwarts. ‘Goed, officiële conclusie: hij is dood. Doodsoorzaak…’ Ze keek de oude rechercheur veelbetekenend aan. ‘Drie keer raden.’
‘Geen puntbloedinkjes dit keer?’
‘Niets wat ergens anders op duidt: de val is hem fataal geworden.’
De arts trok haar handschoenen uit en legde die naast het lichaam. Ze liep naar haar auto, nam een formulier uit de zwarte dokterstas en begon te schrijven, met het formulier op de motorkap van de auto. Op het moment dat de Technische Recherche arriveerde, kwam Van Opperdoes met krakende knieën omhoog, om hun tegemoet te lopen.
Het wapen lag op het leeggemaakte bed. Het witte laken benadrukte de dreiging van het zwarte pistool. Ton van Maan bekeek met een kennersblik de loop. ‘Negen millimeter inderdaad, maar…’
Peter van Opperdoes zag de peinzende blik op het gezicht van de technisch rechercheur. ‘Wat is er?’
‘Dit is toch de man die de auto had gehuurd? Dit zou dus het wapen van de moord kunnen zijn.’
‘Ja. Waarom dan die moeilijke blik?’
‘Omdat we op het Stenen Hoofd geen hulzen hebben gevonden. Helemaal niets. Ik ging ervan uit dat we te maken hadden met een revolver als moordwapen, waar de hulzen in blijven zitten, in tegenstelling tot een pistool als dit, dat de hulzen uitwerpt.’
‘En dat betekent?’ vroeg Jacob.
‘Als dit het moordwapen is, dan heeft de moordenaar dus na de moord de hulzen nog opgeraapt en meegenomen.’
Van Opperdoes knikte. ‘Dat betekent dat het een zeer nette, misschien wel professionele moordenaar is.’
Jacob gaf hem gelijk. ‘Dat zou je zeggen, inderdaad. Of dit is het moordwapen niet.’ Hij wendde zich tot de technisch rechercheur. ‘Hoelang duurt het voordat je zeker weet of dit het moordwapen is?’
‘Een ballistisch onderzoek heeft vrij snel resultaat. We lossen een paar proefschoten en vergelijken de sporen die het pistool op de kogels achterlaat met elkaar. Dat kunnen we morgen klaar hebben.’
Ton bescheen het wapen met een felle lamp. ‘En ik zie nu al dat er vingerafdrukken op zitten. Dat is ook mooi.’ Hij knipte zijn lamp uit. ‘Komt die man die op straat ligt hiervandaan?’
Van Opperdoes knikte. ‘Hij heeft een soort afscheidsbrief geschreven. Of laat ik het beter formuleren: er is een soort afscheidsbrief aangetroffen. Misschien kun je die ook onderzoeken op vingerafdrukken. En er is vast wel ergens een voorbeeld van zijn handschrift te vinden. Dat wil ik dan vergeleken hebben met de afscheidsbrief.’
Ton van Maan fronste. ‘Dat laatste moet naar het Nederlands Forensisch Instituut in Den Haag, en dat gaat lang duren. Ik denk dat jij de dader allang hebt gevonden, voordat ze er daar klaar mee zijn.’
Van Opperdoes werd niet blij van dit nieuws.
Ton van Maan liep naar de tafel waarop de brief lag en maakte een duidelijke foto van het handschrift.
‘Ik zal wel iets zoeken wat hij geschreven heeft en dat fotograferen. Kun je zelf vast gaan puzzelen of hij degene is die het heeft geschreven. Had je verder nog wat?’
Van Opperdoes kreeg een ingeving en wees naar de woonkamer. ‘Onderzoek ook het raam, alsjeblieft.’
‘Doe ik.’ Ton van Maan ging zijn spullen halen.
Van Opperdoes en Jacob liepen achter hem aan, terug naar beneden.
Daar werd zojuist het lichaam, dat onderzocht was door andere technisch rechercheurs, op een brancard gelegd en vastgesjord met riemen. Zachtjes wiegend droegen twee in het zwart geklede en plichtmatig somber kijkende mannen het lichaam naar hun auto.
‘De kraaien hebben het maar druk…’ bromde Van Opperdoes. ‘Daar gaat lijk nummer vier.’
‘Misschien kun je het ook anders zien. We hebben drie lijken, misschien hun moordenaar én het moordwapen.’
Van Opperdoes plukte aan zijn neus en hield zijn hoofd een beetje schuin. ‘Het zou kunnen dat we de moordenaar hebben. Misschien hebben we zelfs het moordwapen. Maar er is één ding dat we nog niet hebben.’
‘Wat dan?’
‘Een goed motief.’