Hoofdstuk 2

Hoe verder hij het Stenen Hoofd op liep, hoe stiller het om hem heen werd. Met kleine passen naderde Van Opperdoes het einde van de brede pier. Hij voelde een zekere opluchting toen een lichtstraal bereidwillig de grond voor hem verlichtte, zodat hij tenminste kon zien waar hij liep.

De agent trok zijn wenkbrauwen op toen hij de oude rechercheur zag naderen. ‘Meneer Van Opperdoes? U bent er snel bij, zeg. Dat is fijn, hoeven wij hier geen uren te wachten.’

De oude rechercheur glimlachte. ‘Ik wilde het niet missen.’

De lichtstraal scheen in de richting van het IJ. ‘Daar ligt hij.’

Het schouwspel dat zich voor de ogen van Van Opperdoes ontrolde, kwam voor hem niet als een verrassing. Aan het einde van het Stenen Hoofd, aan de rand van het IJ, stond een lange agent met zijn handen demonstratief in zijn zakken. Aan zijn voeten, bijna tegen een meerpaal, lag een zwaargebouwde man op zijn rug. De panden van zijn colbert lagen slordig open. Een grote felrode bloedplas op zijn borst kleurde zijn witte overhemd.

Vreemd genoeg leek het alsof de mist had besloten de laatste eer aan het slachtoffer te betonen, want toen Van Opperdoes twee stappen naar voren deed, stond hij plotseling in een heldere nacht. Verbaasd keek hij om zich heen. De muur van mist hing nog steeds om hen heen, maar toen hij omhoogkeek, had hij ongehinderd zicht op de lucht en de sterren.

‘Is dat al lang zo?’

‘Wat?’ wilde de lange agent weten.

‘Die mist? Of liever gezegd: geen mist?’

De agent haalde zijn schouders op. ‘Zal de wind wel zijn.’

Van Opperdoes keek naar hem op. ‘Welke wind?’

De lange agent richtte zijn hoofd op en voelde of er wind was. ‘Tja, nou u het zegt…’ Hij keek nog even om zich heen, maar besloot zich niet druk te maken over dit vreemde fenomeen en haalde zijn schouders op. ‘Nou ja. In ieder geval: hij ligt er niet gezond bij.’

Van Opperdoes gniffelde. ‘Nee, dat kun je wel zeggen. Verre van, zelfs.’

‘De vent die hem doodschoot had het lijk beter even in het water kunnen duwen. Daar was maar een klein zetje voor nodig geweest. Stom.’

‘Waarom stom?’

De agent keek op zijn horloge en grijnsde. ‘Om meerdere redenen. Waarschijnlijk hadden u en ik vanavond dan geen overuren hoeven te maken.’

Van Opperdoes gebaarde naar de zaklamp. ‘Schijn daar eens, alsjeblieft?’

De lange agent scheen langs het stoffelijk overschot. De man lag inderdaad vlak bij het water. Naast hem liep het Stenen Hoofd vrij schuin af naar het IJ. Van Opperdoes krabde nadenkend over zijn kin.

‘Ja, daar heb je wel een punt. Zo’n klein zetje had de ontdekking van de moord wel enige dagen vertraagd.’

De diender knikte. ‘Ja, dat bedoelde ik…’

Van Opperdoes wreef met zijn hand over zijn gezicht. Vreemd: een zetje van niks, en het IJ had het stoffelijk overschot diep in zich opgenomen, om het pas dagen later en vermoedelijk op een heel andere locatie weer prijs te geven. Dat wilde zeggen dat de moordenaar geen tijd had gehad om dat zetje te geven, of dat hij zo arrogant en zelfverzekerd was om het lichaam open en bloot achter te laten. Misschien als morbide waarschuwing?

De oude rechercheur keek even naar de sterrenhemel, glimlachte en vroeg toen aan de lange agent: ‘Wil jij mijn collega Jacob bellen? Die zal het me nooit vergeven als ik hem niet waarschuw.’

De lange agent haalde zijn mobiele telefoon uit zijn broekzak. ‘Natuurlijk.’

‘En is de meute al gewaarschuwd?’

‘De meute?’

Van Opperdoes keek geamuseerd naar het verbaasde gezicht. ‘Zo noemden we aan de Warmoesstraat het hele circus dat nu opgestart moet worden. De Technische Recherche en zo…’

De lange agent knikte begrijpend en boog zich iets voorover. Hij liet zijn stem zakken tot een bijna geheimzinnig gefluister. ‘De Technische Recherche? Afdeling Forensische Opsporing bedoelt u waarschijnlijk. Zo heten ze tegenwoordig. En de fotograaf. En de schouwarts…’

Van Opperdoes kon zijn manier van doen wel waarderen. ‘Die bedoel ik, ja. Maar ik blijf ze gewoon de Technische Recherche noemen, als je daar geen bezwaar tegen hebt.’

‘Hoe zou ik dat kunnen? In ieder geval, de schouwarts is al meteen door de wachtcommandant gewaarschuwd. Alleen… afdeling Forensische Opsporing komt pas als de recherche belt, niet een simpele uniformdiender als ik, of de wachtcommandant. Dus die zult u zelf even moeten bellen.’

Van Opperdoes bromde. ‘Wat een onzin allemaal. Bel jij maar en zeg dat ik wil dat ze komen. En de rest van de meute ook.’

Terwijl de agent wegliep met de mobiele telefoon aan zijn oor, knielde de oude rechercheur naast het lichaam. Zijn ogen waren inmiddels aan het duister gewend, en het zwakke licht dat af en toe door de mistvlagen over het Stenen Hoofd dwarrelde was voldoende om het lichaam goed te bestuderen. Hij keek naar de wijd opengesperde staalblauwe ogen van de man. Ze staarden strak in het niets. Een plotselinge opwelling om beide oogleden dicht te drukken, onderdrukte hij. Hij kon zich een recente preek van Jacob nog voor de geest halen, over nieuwe onderzoeksmethoden, DNA en minieme sporen die hij zou verstoren door het lichaam aan te raken.

Van Opperdoes monsterde enige tijd met volle aandacht het gelaat van het slachtoffer. De bolle wangen van de man, zijn platte neus en slappe kin maakten op hem een norse, bijna onsympathieke indruk.

Het viel hem op dat de felrode bloedplekken op het witte overhemd zich concentreerden rond de hartstreek, met een kleine uitloop naar de hals. Hij zakte tot vlak boven de rode vlek. In het witte overhemd, midden in de vlek, kon hij drie beschadigingen ontdekken. Drie kogelgaten, nauwelijks meer zichtbaar door de hoeveelheid bloed die het beschadigde hart nog naar buiten had weten te pompen, voordat het definitief stopte met kloppen.

Het verbaasde hem dat het slachtoffer enkel een colbert droeg. Voor dit gure weer was de man naar zijn gevoel te licht gekleed. Van Opperdoes overwoog de redenen daarvoor. Mogelijk was de man te voet naar het einde van het Stenen Hoofd gekomen en stond zijn auto nog ergens in de nabije omgeving.

‘Ze komen eraan.’ De lange agent maakte een gebaar naar het begin van het Stenen Hoofd, om te benadrukken waar de hulptroepen vandaan zouden komen.

‘Mooi,’ bromde de oude rechercheur. ‘Mag ik jouw lamp even vasthouden?’

Van Opperdoes bescheen de grond in de omgeving van het lijk, vooral het gras in de richting van de ingang. Hij kon geen sleepsporen ontdekken. De oude rechercheur liet zijn blik nog eens over het slachtoffer glijden, nu bijgeschenen door de lamp. De handen en benen vertoonden geen afwijkingen.

Toen Van Opperdoes traag en zuchtend omhoogkwam vanuit zijn geknielde houding, kraakten al zijn ledematen. ‘Het zal wel niet… maar ik vraag het toch maar. Is er bekend wie de schoten gelost heeft? Of was het een anonieme melding?’

De lange agent wees weer in de richting van de Westerdoksdijk. ‘Hij zit in de auto.’

Van Opperdoes veerde verbaasd op. ‘De schutter?’

‘Was het maar waar. Nee, de man die ons heeft gebeld stond hier nog te wachten. Beetje vreemd figuur, trouwens. Ik heb hem maar even voor jullie vastgehouden. Hij zit in een van de surveillancewagens.’

Van Opperdoes fronste. ‘In welk opzicht is hij vreemd?’

‘Gewoon, zijn manier van doen. Maar zijn uitspraken leken me interessant. Hij vertelde me dat hij het slachtoffer kende en dat hij wist dat dit zou gaan gebeuren.’

Een verbaasde trek gleed over het gezicht van de oude rechercheur. ‘Deze moord? Had hij het daarover?’

De agent knikte. ‘Hij zei letterlijk: “Het zat in de pen.”’

‘Echt? Zei hij dat?’

‘Precies zo. “Het zat in de pen.”’

Van Opperdoes knikte. ‘Vreemde opmerking. Weinig gebruikt dezer dagen, en al zeker niet in combinatie met een moord.’

‘Dat vond ik ook al. Vandaar dat ik hem maar even hier heb gehouden,’ verklaarde de agent.

‘Een wijs besluit,’ bromde de oude rechercheur tevreden. ‘Laat hem maar overbrengen naar de Raampoort en vraag of ze hem daar even op de bank zetten. Gaan we hem straks even uitgebreid verhoren.’

Een windvlaag verjoeg nu ook de laatste mist rond het Stenen Hoofd. Als bij toverslag had de oude rechercheur een onbelemmerd uitzicht over een groot deel van het IJ en de Westerdoksdijk. Links zag hij de indrukwekkende gebouwen op de Silodam. Ondanks het late uur brandde er nog licht in veel woningen. Er stonden wat mensen voor de ramen, die de bedrijvigheid van de politie op het Stenen Hoofd nu in alle omvang konden waarnemen.

Van Opperdoes zag ze nieuwsgierig wijzen. De mist had natuurlijk veel verhuld; mogelijk hadden ze wel sirenes gehoord, maar zag men nu pas wat er daadwerkelijk aan de hand was. Ook zag hij bewoners die schijnbaar geen interesse hadden in hun uitzicht, maar gewoon doorgingen met waar ze mee bezig waren: televisiekijken of rommelen in de keuken.

Van Opperdoes dacht na over de moord. De mist was vrij snel en onverwacht neergedaald op het moment dat hij over de Brouwersgracht wandelde. Zou de moordenaar van diezelfde mist gebruik hebben gemaakt om de moord te plegen en vervolgens ongezien te vluchten?

Een auto kwam aanrazen over de Westerdoksdijk en stopte binnen het afzetlint. Van Opperdoes zag het zwaailicht op het dashboard staan en herkende het bekende silhouet van zijn collega Jacob, die uit de auto sprong en snel zijn kant op kwam lopen, onderwijl pratend met een van de agenten.

Van Opperdoes bromde tevreden. Het deed hem goed zijn collega hier zo snel te zien.

Jacob gebaarde naar de Westerdoksdijk en de gebouwen op de Silodam, waarna de agent terugliep naar zijn collega’s bij de afzetting.

Van Opperdoes stond naast het stoffelijk overschot en verwelkomde zijn collega.

‘Je bent snel.’

‘Ik was nog in de buurt.’

Van Opperdoes bekeek zijn jonge collega met kleine pretlichtjes in zijn ogen. ‘Waar in de buurt?’

Jacob ontweek zijn blik. ‘Gewoon, ik was nog in de buurt van het bureau.’

‘Mijn beste Jacob… onze avonddienst was al even afgelopen. Jij bent op tijd weggegaan… maar ik zie aan je ogen dat je nog niet thuis bent geweest.’

Jacob zuchtte. ‘Ik kan voor een doorgewinterde rechercheur als jij ook niets verborgen houden. Nee, ik was niet thuis.’

‘En jij… beste Jacob… bent er ook de man niet naar om naar een vriendin te gaan, zoals helaas zoveel mannen doen. Hebben ze jou misschien gebeld terwijl je in jouw favoriete snackbar stond, om een door jou zo geliefd patatje oorlog te eten?’

Jacob hief zijn handen ten hemel. ‘Hoe wéét je dat?’

Van Opperdoes prikte met zijn vinger op het shirt van Jacob. ‘Mayonaise,’ grijnsde hij.

Betrapt veegde Jacob met een zakdoek zijn shirt schoon. ‘Goed, je hebt me. Lekker makkelijk, hoor. Ik had gewoon trek. Maar ik kan van jou hetzelfde zeggen. Stond je om de hoek of zo, toen het gebeurde?’

Van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘Bijna letterlijk, ja. De vouwen werden uit mijn broek gereden door een politieauto die hiernaartoe onderweg was. Dus daar ben ik maar achteraan gelopen. En bingo: we hebben hier te maken met een echte onvervalste moord.’

Langzaam liet Jacob zijn blik over de dode man gaan. Zijn ogen bleven even op het gezicht rusten, zodat hij dat goed in zich op kon nemen. Daarna bekeek hij de schotwonden van dichtbij.

‘Dat kun je wel zeggen, een echte moord. Drie schoten in het hart. Iemand wilde geen risico nemen.’

Van Opperdoes knikte langzaam. ‘Nee, de dader… of daders… wilde er zeker van zijn dat hij het niet zou overleven.’

Vanaf de Westerdoksdijk klonk gefluit. Van Opperdoes en Jacob keken op.

De lange agent wenkte ongeduldig met zijn arm. De twee rechercheurs keken elkaar even aan.

Van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘Hij wil ons denk ik iets laten zien,’ klonk het droog.

Jacob moest glimlachen. Hij ging zijn oude collega voor, naar de Westerdoksdijk. ‘Ik heb de collega’s gevraagd om een buurtonderzoek te doen. Eerst maar eens alle kentekens noteren van auto’s die in de buurt staan. Het slachtoffer moet toch op de een of andere manier hier gekomen zijn. Misschien staat zijn auto daar wel ergens… En dan de woningen langs. Misschien heeft iemand wel iets gezien of gehoord.’

Van Opperdoes bromde goedkeurend. Hoe sneller een buurtonderzoek plaatsvond, des te meer kans je had om de juiste getuigen te vinden. Een uitstekend idee van Jacob om het meteen te regelen, vond hij.

Bij de ingang van het Stenen Hoofd kwam de lange agent hun kant al op. ‘We hebben alle kentekens genoteerd, en een paar collega’s zijn al met het buurtonderzoek begonnen, maar dit moeten jullie misschien even zien…’

Hij liep voor hen uit en stak de rijbaan over. Aan de overkant van de Westerdoksdijk liep hij langs de bomenrij, in de richting van het Centraal Station. Waar de bomen langs het water ophielden, en de weg weer begon, was het trottoir extra breed. Daar stond een rode auto geparkeerd. De agent hield zijn hand boven de motorkap. ‘Voel eens?’

Beide rechercheurs voelden de warmte die onder de motorkap vandaan kwam.

‘Niet gloeiend heet, maar toch goed warm… Deze auto staat hier nog maar kort,’ concludeerde Jacob.

Van Opperdoes keek om zich heen. Bij de nieuwbouwhuizen links verderop waren lege parkeerplaatsen te over. Geen enkele bewoner zou zijn auto hier parkeren. Aan de rechterzijde van de Westerdoksdijk waren wel wat huizen, maar ook daarvoor gold dat de bewoners niet zo ver uit de buurt zouden hoeven parkeren. Kortom, deze auto was hier, in dit bescheiden stukje niemandsland, kortgeleden neergezet door iemand die hier waarschijnlijk niet thuishoorde.

Van Opperdoes keek onwillekeurig naar het uiteinde van het Stenen Hoofd. Lag daar de bestuurder? Jacob leende de zaklantaarn van de lange agent en scheen in de auto. Op het eerste gezicht viel hem niets op. De wagen was leeg.

‘Jacob…’ Van Opperdoes’ stem klonk gespannen.

Jacob keek om. Zijn oude collega had een paar meter afstand genomen en wenkte hem dichterbij.

Van Opperdoes knikte naar de auto. ‘Kijk eens?’

Nu pas zag Jacob het. Hoewel er niets op de achterbank lag, helde de auto iets achterover. Hij liep naar de kofferbak en bekeek die zorgvuldig. ‘De wagen is niet op slot, dus de achterklep misschien ook niet…’

Van Opperdoes knikte. ‘Open maar. Maar doe voorzichtig, anders krijgen we weer ruzie met de technische recherche…’

Jacob haalde een paar plastic handschoenen uit zijn zak en trok ze voorzichtig aan. Met de punt van zijn pen klikte hij de achterklep open, die akelig langzaam omhoogveerde. Hij liet de zaklantaarn in de kofferbak schijnen. Twee wijd opengesperde ogen staarden hen vanuit de kofferbak aan, maar zagen niets.

Загрузка...