Hoofdstuk 7

Peter van Opperdoes zat met een verbeten trek op zijn gezicht alleen op een groot rotsblok aan het einde van het Stenen Hoofd. Hiervandaan zag hij hoe een vaartuig van de politie naar de Silodam voer. Er werden felle lampen ontstoken en de boot manoeuvreerde naast het lichaam van mevrouw Van Lier. Agenten hingen een groot net overboord en drapeerden dat zorgvuldig om het drijvende lichaam.

Jacob stond op de achterplecht van de boot en zag zijn oude collega op het Stenen Hoofd zitten. Hij zwaaide vertwijfeld naar Van Opperdoes, maar die bleef strak voor zich uit kijken.

‘Wat is er?’ vroeg zijn vrouw.

De oude rechercheur antwoordde niet. Hij staarde naar het net dat zich om het lichaam van de vrouw sloot en langzaam omhooggehaald werd. Pas toen het lichaam zachtjes achter op het dek van de politieboot gelegd werd, en Jacob zich eroverheen boog, zuchtte de oude rechercheur diep en wreef hij met zijn vingers over zijn gesloten ogen.

Zijn stem klonk als een zacht gefluister. ‘Dit was niet nodig.’

‘Wat bedoel je?’ wilde zijn vrouw weten.

‘Die vrouw was aardig, ze dacht aan andere mensen. Ze kwam ons koffie brengen, omdat het koud was. Weet je hoe vaak dat nog gebeurt? En kijk nou eens hoe ze erbij ligt…’

Zijn vrouw zweeg. Langzaam draaide de politieboot om zijn as, en voer richting de plek waar de ambulance stond te wachten. Van Opperdoes’ blik gleed langs het flatgebouw aan de Silodam omhoog, tot aan het raam waardoor ze naar beneden was gevallen. Felle lichten schenen naar buiten en af en toe was er een glimp van een in een wit pak gehulde forensisch rechercheur voor de ramen te zien.

‘Ik weet wat je denkt. Maar dit kon je niet voorkomen, Peter.’

Het was alsof hij een zachte warme hand over zijn hoofd voelde strijken.

‘Nee? Ze was een ooggetuige, ze had de moordenaar gezien. Ik had eraan moeten denken dat die haar het zwijgen op zou willen leggen. Misschien dat iemand—’ Hij stokte even, maakte zijn zin niet af.

Zijn vrouw deed dat wel. ‘Je had moeten waarschuwen? Was dat wat je wilde zeggen? Had ik je hier van boven af een seintje moeten geven, over wat de moordenaar van plan was?’

Van Opperdoes zweeg verward, schudde toen zijn hoofd. ‘Nee… nee, natuurlijk niet.’

‘Het schoot wel even door je hoofd, maar dat geeft niet, liefste. Je weet dat ik zoiets niet kan doen, niet mag doen. Het leven moet zijn loop hebben.’

‘Natuurlijk weet ik dat. Maar dit is…’

Hij maakte een gebaar naar de politieboot, die met een eerbiedig lage snelheid naar de wal gleed, met het slachtoffer onder een wit laken op het achterdek.

‘Dit is niet eerlijk.’

Daar kon zijn vrouw weinig tegen inbrengen. ‘Daar heb je gelijk in. Maar ben jij er nu nog niet achter, met al je recherche-ervaring en al die moorden en doodslagen die je hebt meegemaakt, dat het leven heel vaak niet eerlijk is?’

Van Opperdoes glimlachte en stond op. ‘Natuurlijk weet ik dat. En die gebeurtenissen hoorden er ook allemaal bij. Dat was m’n werk. Pas toen jij overleed, besefte ik hoe oneerlijk het leven eigenlijk is. Voor mij, maar vooral voor jou.’

Hij keek naar boven, waar de zon heel even door de donkere wolken scheen.

Zijn vrouw glimlachte. ‘Voor mij… ach, maak je om mij nou maar niet druk. Ik ben altijd dichter bij je dan je denkt, en ik heb het heel goed hier.’

Van Opperdoes zuchtte berustend. ‘Het spijt me dat ik zo…’ Hij zocht even naar de juiste woorden, maar kon ze niet vinden. Hij maakte een ongeduldig gebaar. ‘Nou, ja… je weet wel wat ik bedoel.’

Er klonk een glimlach in haar stem. ‘Ik weet altijd precies wat je bedoelt. Geloof mij nu maar… dit had je niet kunnen voorkomen.’

Van Opperdoes wreef in zijn vermoeide ogen. ‘Goed, ik geloof je. Dank je wel.’

Hij rechtte zijn rug en liep in de richting van de Westerdoksdijk, waar de politieboot inmiddels aanmeerde.

‘Weet je trouwens al iets over die auto?’ vroeg zijn vrouw.

Van Opperdoes hield heel even in en fronste om die onverwachte vraag. Toen gleed er een zachte glimlach over zijn gezicht en liep hij verder.


Jacob keek hem onderzoekend aan. ‘Gaat het goed met je?’

Van Opperdoes knikte. ‘Best.’

Hij keek naar de brancard, waar het lichaam op werd gelegd. Doordat de kleding van het slachtoffer nat was, zat het witte laken strak om het lichaam getrokken. Op de borstkas van de vrouw had zich een lichtrode vlek gevormd.

Jacob wees ernaar. ‘Drie schotwonden in de borst, ter hoogte van het hart.’

Van Opperdoes sloeg het laken terug en keek naar het gezicht van mevrouw Van Lier. Haar ogen waren gesloten en haar gezichtsuitdrukking was vriendelijk, bijna vredig — een totale tegenstelling tot de angstige trekken op het gezicht van Willem van Kampen.

In de hartstreek zag Van Opperdoes nu ook de drie kogelinslagen, ook dicht op elkaar.

‘Zelfde verwondingen. Het lijkt logisch om aan te nemen dat de moordenaar van Hempie ook mevrouw Van Lier heeft vermoord, omdat zij hem gezien had.’

‘Ja, dat lijkt inderdaad logisch.’

‘En de technische recherche is al klaar?’

Jacob keek naar de flat, waar nog steeds het felle licht brandde. ‘Nee, die zijn nog wel even bezig.’

De oude rechercheur sloeg met een bedroefd gebaar het witte laken terug. ‘Laat haar overbrengen naar het mortuarium. Wij gaan terug naar de Raampoort.’

Hij plukte nadenkend aan zijn neus en liet zijn blik een laatste keer rusten op de contouren van mevrouw Van Lier onder het laken. Hij rechtte zijn rug en draaide zich om. Het leek of er een vernieuwde energie door hem stroomde. Hij liep naar de rechercheauto, een verbaasde Jacob achter zich latend.


Van Opperdoes had het portier al open voordat Jacob goed en wel stilstond.

‘Wat is er met je? Je hebt geen woord gezegd, je hebt alleen maar voor je uit zitten staren,’ zei Jacob.

De oude rechercheur stapte uit en boog zich voorover de auto in.

‘De eerste uren, weet je nog?’ Hij sloot de deur met een ferme klap en stak de Marnixstraat snel over, voor hij de Raampoort in verdween.

‘Heb je dat kenteken nog voor me nagetrokken?’ vroeg hij aan de wachtcommandant.

Als antwoord stak die twee velletjes papier in de lucht. ‘Huurauto.’

Dat verwonderde Van Opperdoes. ‘Echt? Niet gestolen?’

De wachtcommandant schudde zijn hoofd. ‘Niet volgens de systemen. Nog niet, in ieder geval. Maar daar zal het verhuurbedrijf je alles over kunnen vertellen. Ook wie de auto gehuurd heeft.’

Van Opperdoes bekeek de computeruitdraai. ‘Ja, dat is mooi… daar kunnen we tenminste wat mee… Dank je wel!’ Hij verdween door de deur naar de monumentale trap van het bureau.

‘Wat heeft híj geslikt?’ vroeg de wachtcommandant aan Jacob, die zijn oude collega met rasse schreden de trap op zag verdwijnen.

Jacob haalde zijn schouders op. ‘Geen idee…’ Hij volgde Van Opperdoes, die door klom naar de bovenste verdieping van het bureau.

‘IJsselstein!’ riep Van Opperdoes, toen hij onder aan de kleine trap naar de zolderkamer stond waar IJsselstein zijn domein had.

Een luid gerommel van vallende voorwerpen weerklonk en het rood verhitte hoofd van IJsselstein verscheen uiteindelijk in de trapopening.

‘Wat?!’

‘Heb je al iets?’

IJsselstein daalde de trap af. ‘Nou… dat wil zeggen…’ Hij liep naar het raam en keek naar buiten. ‘Nog steeds zo koud buiten?’

‘Behoorlijk ja…’

IJsselstein bleef naar buiten kijken. ‘Bah…’

Van Opperdoes kwam naast hem staan. ‘Lukt het je soms niet, met dat ding… dat stickje?’

IJsselstein draaide zich naar de oude rechercheur. ‘Jawel! Het gaat me lukken. Het zal me lukken! Ik laat me door zo’n ding niet kleinkrijgen.’

Van Opperdoes zag de radeloosheid in de ogen van IJsselstein. ‘Het komt vast goed. Ik heb alle vertrouwen in je.’

‘Het lukt me ook wel. Het duurt alleen iets langer dan ik had gehoopt.’

Jacob trok een wenkbrauw omhoog. ‘Wat is er mis mee? Het is toch gewoon een usb-stick?’

IJsselstein maakte een ongeduldig gebaar. ‘Misschien wel een gewone stick, maar wat erop staat is niet gewoon. Er zit een zware beveiliging op. Een encryptie die ik niet zomaar kan breken.’

‘Hoelang gaat dat nog duren?’

IJsselstein stak ten einde raad zijn armen in de lucht. ‘Ik wéét het gewoon niet. De computer staat te grommen en te blazen en de rook komt er aan alle kanten uit, maar de beveiliging is verschrikkelijk taai. Ik heb zoiets zelden meegemaakt.’

Van Opperdoes klopte hem bemoedigend op zijn schouder. ‘Ik weet dat je er alles aan doet. En ik weet ook dat jij je terdege beseft dat dit bijzonder belangrijk is.’

IJsselstein keek hem steels aan. ‘Je bent een ouwe gluiperd, mij een beetje een schuldgevoel bezorgen. Ik doe m’n best, en ik bel je zodra het gelukt is.’

‘Heel goed. Jacob, kom mee, we gaan weer. Ouderwets speuren.’


In de auto keek Jacob onder het rijden een paar keer opzij naar zijn oude collega. Er was iets met Van Opperdoes, maar hij kon niet precies zeggen wat. De oude rechercheur zat achterovergeleund in zijn stoel, rustig naar buiten te kijken.

‘Is er iets?’ vroeg Van Opperdoes.

‘Nee, niks.’

‘Waarom kijk je dan naar me?’

‘Ik vroeg me af of het wel goed met je gaat.’

Van Opperdoes glimlachte. ‘Dat, mijn beste Jacob, is nu de tweede keer dat je me dat vraagt. Het doet me goed dat je zo bezorgd bent. Maar ik kan je geruststellen. Het gaat prima met me.’

Het bleef even stil, maar Jacob was nog niet helemaal overtuigd. ‘Je was zo snel weg bij die woning van mevrouw Van Lier. En toen ging je in je eentje op het Stenen Hoofd zitten. Ik zag je wel. Ik zwaaide zelfs nog naar je, maar je zag me niet…’

‘Ik was even diep aan het nadenken. Heel rustig.’ Hij keek Jacob aan en glimlachte beminnelijk. ‘Soms heeft een mens dat nodig.’

‘Even nadenken. Juist.’ Jacob onderdrukte nu ook een glimlach. ‘Ben je er nu overheen?’

Nu keek Van Opperdoes zijn jonge collega aan. ‘Waar overheen?’

‘Over het gevoel dat het jouw schuld is dat ze dood is. Want daarom liep je kwaad weg uit die woning.’

Van Opperdoes fronste betrapt. Was het dan zo duidelijk geweest wat hem dwarszat? Of was Jacob gewoon een betere collega dan hij ooit had gehad? Hij keek naar Jacob, die de rechercheauto behendig door het drukke verkeer van de Nassaukade laveerde. In de korte tijd dat ze samenwerkten was Jacob uitgegroeid tot veel meer dan zomaar een collega. En dus verdiende Jacob een eerlijk antwoord, besloot Van Opperdoes.

‘Zo voel ik het ook oprecht, dat haar dood mijn schuld is. Ik had eraan moeten denken. Zij heeft de moordenaar gezien, en… de moordenaar haar dus ook. Dan is het logisch dat die haar het zwijgen op wilde leggen.’

‘Onzin. Dit had je niet kunnen voorkomen, Peter.’

Het waren letterlijk dezelfde woorden die zijn vrouw had gebruikt, besefte Van Opperdoes met een glimlach.

‘Ik weet het. Dat zei iemand anders ook al tegen me.’

Jacob liet de auto uitrollen bij het rode stoplicht ter hoogte van de De Clercqstraat en remde zachtjes, op het laatste moment. Wat zijn oude collega daar zei, was een bevestiging van zijn vermoeden.

Jacob keek strak vooruit, terwijl hij zijn stem liet dalen tot een zacht gefluister. ‘Praat jouw vrouw met je op… speciale momenten? Als je heel moe bent, zoals nu? Of vlak voordat je gaat slapen?’

Het was voor het eerst dat Jacob zonder omwegen naar zijn vrouw vroeg. Het voelde een beetje ongemakkelijk voor Van Opperdoes, hoewel Jacob allang op de hoogte was van de gesprekken tussen hem en zijn overleden vrouw.

‘Ik… ik heb eigenlijk geen idee. Ik weet… Ik voel gewoon dat ze altijd bij me in de buurt is.’

Jacob keek hem onderzoekend aan. ‘En ze kan met je praten wanneer je wilt? Hoe… hoe hoor je dat dan? Echt als een stem?’

Van Opperdoes zette grote, onschuldige ogen op, terwijl hij nadacht over dingen die hij inmiddels al bijna vanzelfsprekend vond. ‘Ik heb geen idee. Het gebeurt niet wanneer ik wil. Ik hoor haar gewoon praten. In mijn hoofd.’

‘Niet in je oren?’

‘Jacob… alsjeblieft…’

Jacob stak begrijpend zijn hand op. ‘Al goed… ik zal niks meer vragen.’ Het licht sprong op groen, en Jacob trok op. ‘Ik was alleen maar nieuwsgierig. Ik vind het wel mooi, eigenlijk. Ja, dat is het. Mooi.’

‘Dan ben je de enige. Alle anderen die mij af en toe in mezelf zien mompelen, want dat doe ik kennelijk, denken dat ik een seniele ouwe gek ben geworden,’ bromde Van Opperdoes.

Jacob lachte uitbundig en sloeg links af, de De Clercqstraat in. ‘Maar dat is ook het probleem. Als jij vertelt dat je hele gesprekken met je vrouw voert, is er niemand die je gelooft.’

De oude rechercheur haalde berustend zijn schouders op. ‘Dat is hun probleem, niet het mijne. Ik weet wat ik hoor.’

Jacob knikte. ‘Niemand… jij ook niet… zal ooit kunnen bewijzen dat jij die stem daadwerkelijk hoort.’

Van Opperdoes plukte ongemakkelijk aan zijn neus. ‘Nee. Maar moet dat dan?’

‘Natuurlijk niet.’ Jacob glimlachte. ‘Het is toch jouw vrouw? Die moet je lekker voor jezelf houden.’

Van Opperdoes prees zichzelf gelukkig dat hij naar de Raampoort was gegaan en met deze fijne collega was komen te werken. Vergenoegd keek hij voor zich uit.

In de verte, hoog boven hem, glimlachte zijn vrouw tevreden, dat wist hij zeker.


‘Wat was het kenteken ook alweer?’ vroeg de verhuurder sloom.

Peter van Opperdoes zuchtte en legde de uitdraai op de balie.

De jonge man trok het papier naar zich toe, kauwde overdreven langzaam en met geopende mond op een fors blok kauwgom en typte met één vinger het kenteken in de computer. Ondertussen hees hij zijn spijkerbroek achteloos op, waarvan de bovenkant volgens de laatste mode zo ongeveer op zijn knieën rustte. Hij droeg een gele boxershort met blauwe rand, die nog steeds voor het grootste gedeelte zichtbaar bleef.

‘Een rooie Audi?’

Van Opperdoes knikte geduldig.

De verhuurder tuurde wazig naar het scherm. ‘Uh huh… uh huh… o, ja…’ Hij keek Van Opperdoes en Jacob langdurig aan. ‘Jullie zijn van de politie?’

Jacob begon zijn geduld te verliezen. ‘Je hebt net al een kwartier lang onze legitimatiebewijzen bekeken. Of in ieder geval gedaan alsof.’

‘Een rooie Audi was het toch?’ De jonge man liep een kantoortje in, met een nog verder afzakkende broek, en liet hen vervolgens wachten.

‘Ik ga hem straks arresteren wegens aanstootgevend gedrag,’ fluisterde Jacob.

‘Welnee… Heb toch eens geduld, Jacob. Hij functioneert gewoon op een ander… hoe zegt de jeugd dat tegenwoordig ook alweer… op een ander level. Hij is een beetje anders dan wij. Een beetje langzamer ook…’

‘Een beetje langzamer? Een schildpad haalt hem rechts in.’

Van Opperdoes glimlachte. ‘Natuurlijk! Die hoeft ook niet elke minuut z’n broek op te hijsen.’

Het leek weer een eeuwigheid te duren, maar toen kwam de jonge man weer terug. Hij legde met onverholen tegenzin een kopie van een rijbewijs op de balie.

‘Aanrijding gehad zeker?’

‘Zoiets, ja.’ Van Opperdoes bekeek de kopie en gaf die met een veelzeggend gebaar aan Jacob.

‘Wanneer is die auto verhuurd?’

‘Vier dagen geleden.’

‘En er ging geen lampje branden toen jullie dit rijbewijs zagen?’

De jonge man wierp een ongeïnteresseerde blik op het rijbewijs, waarna hij zijn schouders ophaalde en zijn hoofd schudde.

‘Ik heb hem niet verhuurd.’

Jacob keek hem ongelovig aan. ‘Maar als deze man bij jou aan de balie zou komen, met dit rijbewijs, zou je hem dan een auto meegeven?’

De jonge man sjorde zijn broek tevergeefs omhoog, en wierp een nieuwe ongeïnteresseerde blik op het rijbewijs. ‘Het is toch een rijbewijs?’

‘Hopeloos. Zorg dat jullie volgende keer wat beter opletten.’ Jacob vouwde de kopie op en stak die in zijn binnenzak.

‘Maar… wat was er dan?’ Het leek erop dat er toch enige interesse ontstaan was bij de verhuurder.

Jacob trok de kopie weer tevoorschijn en priemde met zijn vinger naar de foto op het rijbewijs. ‘Hoe oud schat je die vent?’

‘Een jaar of dertig?’

‘Precies. En hoe oud is hij volgens de geboortedatum op dit rijbewijs?’

De jongen boog zich over de kopie om de datum goed te kunnen zien. Toen sloeg hij zijn ogen naar het plafond en zijn lippen bewogen, zonder dat er geluid uit kwam. Hij was overduidelijk in zichzelf aan het rekenen.

‘Tweeën… zestig?’

‘Applaus voor jezelf.’

De jonge man grinnikte. ‘Dan ziet hij er nog verdomd goed uit voor zijn leeftijd.’

Jacob keek naar Van Opperdoes, sprakeloos en in stomme verwondering over zoveel pure domheid. ‘Dit is een vervalst rijbewijs, ontzettende sukkel die je bent! Iemand heeft er een andere foto op geplakt!’

De jonge man fronste, waarna een stompzinnige grijns op zijn gezicht verscheen. ‘Ja, dat zou je bijna gaan denken, hè?’

Van Opperdoes legde zijn hand kalmerend op de arm van zijn collega. ‘Kom, Jacob, laten we gaan. Er is nog een hoop te doen.’ Een geamuseerde trek gleed over zijn gezicht, hoewel hij behoorlijk teleurgesteld was over het behaalde resultaat.

Toch was er één lichtpuntje: ze hadden dan wel niet de juiste naam, maar waarschijnlijk wel de juiste foto van de man die de auto opgehaald had.


Загрузка...