Even onverwacht als hij was neergedaald, was de mist in de binnenstad verdwenen. Van Opperdoes keek van de kofferbak met het lichaam erin naar het uiteinde van de pier, waar het andere lijk lag. Hij probeerde een logische verklaring te vinden voor dit tweede lijk, maar vooralsnog stond hij voor een raadsel.
Jacob had kennelijk ook staan denken, want hij kwam naderbij en trok zijn wenkbrauwen op. ‘Ik kom er niet uit.’
Van Opperdoes schudde langzaam zijn hoofd. ‘Nee, ik ook niet.’
En beiden zwegen ze.
Zoals altijd waren de eerste uren na een misdrijf de belangrijkste. Maar dan was het wel handig als je wist wát je moest onderzoeken.
Nu waren er twee lijken; een op het Stenen Hoofd, dat door drie kogels geveld was, en een lijk op nog geen honderd meter daarvandaan, in de kofferbak van een nog warme auto.
Vragen waren er genoeg. Wie was het lijk in de auto? Waar was de chauffeur van de auto? Was dat de dode man op het Stenen Hoofd? Of was de chauffeur de moordenaar van beide slachtoffers?
Jacob wees naar de auto. ‘Let op mijn woorden, dit wordt een lastige zaak.’
Van Opperdoes knikte beamend. ‘Ik vrees het ook.’
Jacob krabde op zijn hoofd. ‘Ach, we kunnen het onszelf ook makkelijk maken. Zijn we snel weer thuis en kunnen we gaan slapen.’
‘Zo? En hoe wou je dat doen?’
Jacob grijnsde. ‘De moorden meteen oplossen. Een mooie snelle verklaring vinden voor deze twee lijken. En dan lekker gaan slapen.’
Van Opperdoes keek hem geamuseerd aan. ‘Je maakt me nieuwsgierig. Vertel maar eens, hoe zijn deze twee moorden volgens jou dan gepleegd?’
‘Zie je nou? Jij gaat al uit van twee moorden. Maar…’ Jacob stak quasiwaarschuwend zijn vinger omhoog ‘… dit zijn geen twee moorden. De chauffeur van de auto heeft de man op het Stenen Hoofd vermoord, is daarna achter in de kofferbak gaan liggen en heeft zelfmoord gepleegd. Zaak klaar, beide moorden opgelost en de dader is ook dood.’
Van Opperdoes moest lachen, ondanks de naargeestige omgeving. Zwarte humor was een uitstekende bescherming tegen alle ellende waar ze dagelijks mee te maken hadden, wist hij. Dat was soms lastig te begrijpen voor buitenstaanders.
Hij klopte Jacob op zijn schouder. ‘Mooi verzonnen… Het is alleen een heel klein beetje ongeloofwaardig.’
‘Ja, daar was ik ook al bang voor.’
Van Opperdoes plukte nadenkend aan zijn neus. ‘Maar toch is het belangrijk wat je zegt, ook al is het onzin. Het is een wijze les.’
Jacob keek blij omhoog. ‘O, ja? Zei ik iets slims?’
‘Absoluut. Ga nooit zomaar ergens van uit. Hier liggen twee lijken… Hoe voor de hand liggend is het om ervan uit te gaan dat ze allebei vermoord zijn? Inderdaad, beste Jacob, wie weet heeft een van de mannen zelfmoord gepleegd. Of heeft de man in de kofferbak een hartaanval gehad.’
‘Tja, dat zou kunnen… maar dat is nu natuurlijk niet zo.’
Van Opperdoes gebaarde met zijn arm. ‘Waarschijnlijk niet, nee. Maar je moet overal rekening mee houden. De kans, hoe onwaarschijnlijk klein ook, bestaat altijd dat iets niet is wat het lijkt…’
Jacob knikte ernstig. Na dit korte moment van ontspanning, waren beide rechercheurs weer bijzonder geconcentreerd. ‘Je hebt gelijk. Ik vrees dat we hier nog wel even bezig zijn. Ik ben trouwens benieuwd waar Forensische Opsporing…’
Hij werd ruw onderbroken door getoeter bij het afzetlint. Jacob keek om en zag het witte busje van de forensisch rechercheurs aan komen rijden. ‘Als je het over de duivel hebt…’
Hij liep snel naar de afzetting om de technisch rechercheurs op te vangen.
Van Opperdoes bleef peinzend staan. Jacob had wel gelijk, vond hij. Zo makkelijk zat dit allemaal niet in elkaar…
Ton van Maan en Hugo Pastoor, de rechercheurs van de afdeling Forensische Opsporing, hoorden Jacobs uitgebreide verhaal over de twee slachtoffers aandachtig aan. Met hun blik volgden ze zijn uitgestrekte vinger, van het Stenen Hoofd naar de geparkeerde auto op de Westerdoksdijk.
Ton van Maan zweeg even en liet alles op zich inwerken. ‘Hebben jullie al aanwijzingen dat de twee slachtoffers elkaar kenden, of op een of andere manier bij elkaar horen? Namen, antecedenten, wat dan ook…?’
Jacob schudde zijn hoofd. ‘We hebben nog geen idee wie het zijn.’
Van Maan keek Pastoor even aan. ‘Dan laten we nog wat mensen komen. We behandelen de vindplaatsen van de twee lichamen ieder als een aparte plaats delict.’
Jacob knikte instemmend. ‘Dat idee hadden wij ook al. Dan proberen wij ondertussen uit te zoeken of er een connectie is tussen de twee slachtoffers. Of niet.’
Pastoor wees naar de auto. ‘Hoe ligt hij in de kofferbak? Opgevouwen of in stukken?’
Jacob schudde zijn hoofd. ‘Gehurkt. In één stuk, volgens mij. Ik heb niet het idee dat hij verminkt is.’
Hugo knikte en belde een tweede team technisch rechercheurs, zodat zij beiden een vindplaats konden onderzoeken.
Jacob wees naar de auto en de omgeving. ‘Het staat hier allemaal nogal in het zicht, nu de mist weg is. Bovendien is het weer behoorlijk onvoorspelbaar.’
Ton van Maan begreep waar hij naartoe wilde. ‘Het lichaam erin laten liggen, en de hele auto meenemen naar de loods bij ons laboratorium dan maar?’
Jacob knikte. ‘Lijkt me het beste, toch?’
Ton pakte zijn mobiele telefoon. ‘Dan ga ik nog maar wat meer mensen wakker bellen.’
Jacob liep terug naar Peter van Opperdoes, die nog steeds bij de auto stond en met kleine pasjes heen en weer liep. De lange agent liep een eindje met Jacob op.
‘Dit gaat nog wel even duren, denk ik?’
Jacob glimlachte. ‘Ga daar maar van uit. Ze gaan eerst nog sporenonderzoek om de auto heen doen, voordat ze hem weghalen. ’
‘Mooi, dan weet ik wat ik ga doen,’ zei de lange agent, en hij beende weg.
Van Opperdoes stond inmiddels met zijn armen over elkaar achter de kofferbak. ‘En?’
Jacob wees naar het afzetlint. ‘Ton en Hugo gaan aan de slag. Er komt een tweede team, zodat ze sneller kunnen werken. Ze behandelen de twee plekken als aparte pd’s. Ik heb voorgesteld dat ze de hele auto inpakken en meenemen. Geen gedoe hier op straat met het lichaam, en bovendien kunnen ze de sporen dan meteen veiligstellen.’
Van Opperdoes bromde tevreden. ‘Heel goed. Heel goed, Jacob. Goed gedaan…’ Hij wees peinzend naar het lichaam in de kofferbak. ‘Ik heb trouwens ook nog iets… een kleinigheidje… maar toch.’
‘O, ja? Wat dan?’
‘Ik weet wie deze dode man is.’