Hoofdstuk 1

De nacht in de Jordaan was donker en koud. Peter van Opperdoes trok de kraag van zijn montycoat omhoog en blies in zijn handen. Een wolkje adem ontsnapte en loste op in het zachtgele licht van de nostalgische lantaarns langs de Noordermarkt.

Het was stil in Amsterdam.

Het was al dagen stil in Amsterdam, en koud.

Van Opperdoes vroeg zich af of het door de kou kwam, dat de criminaliteit bijna tot stilstand was gekomen. De afgelopen week waren er geen spectaculaire misdaden gepleegd waar Jacob en hij hun tanden in konden zetten. Op lange warme zomerdagen, als de gemoederen snel verhit raakten, was er altijd wel wat te doen: heftige emoties, uit de hand gelopen vechtpartijen, veel drank en groepen mensen op straat — ingrediënten voor lange, drukke werkdagen voor de recherche. Maar nu, met korte dagen en onaangenaam weer? Niets van dat alles. Alle criminelen zaten thuis bij de warme kachel, leek het wel.

De oude rechercheur slenterde over de Brouwersgracht, maar kon zich er nog niet toe zetten naar huis te gaan. Een zware mist zakte langzaam over Amsterdam en dempte de weinige stadsgeluiden die er nog klonken. Van Opperdoes twijfelde wat hij zou doen: naar huis of nog even een blokje om? De sfeer op straat maakte dat hij zich prettig melancholiek voelde. De mist maakte de wereld aangenaam klein en overzichtelijk. De volgende brug over de Brouwersgracht was nauwelijks zichtbaar.

Onwillekeurig voelde hij met zijn hand in de diepe binnenzak van zijn warme montycoat. Daar zat de kaart die hij vergeten was op de bus te doen. Van Opperdoes glimlachte. Nu kon hij de kaart zelf in de bus stoppen, en had hij meteen zijn ommetje.

Via de Binnen Oranjestraat slenterde hij naar de Haarlemmer Houttuinen. Ook die brede straat was stil. Het leek alsof de mist de laatste mensen van straat had gejaagd. Een eenzame trein gleed over het grote spoorviaduct, maar zelfs die was nauwelijks te horen. Zijn doel — de brievenbus van een oude vriend — was nog eindje weg, maar Van Opperdoes sukkelde met plezier door de oude straten van het Bickerseiland. Net als in de Jordaan, leek de tijd ook hier weinig vat te krijgen op de oude huizen.

Op de kleine houten ophaalbrug bleef hij even staan. Vreemd genoeg leek de mist vooral boven de straten en de huizen te hangen. De boot die richting Westerdok dreef was goed te zien, maar over het Westerdok zelf, met daarachter het IJ, lag een dikke sluier mist. Zo langzamerhand was hij toch al een tijdje onderweg, maar hij vond het eigenlijk heel prettig om in zulk tobberig weer door de stad te dwalen.

Tot hier vond hij de sfeer echt oud-Amsterdams, maar na de laatste brug werd dat anders. Vanaf daar waren de oude woningen op de Zoutkeetsgracht — en de woningen daarachter — vervangen door sfeerloze blokkendozen, die niets meer met de historie van de Westelijke Eilanden van Amsterdam, zoals de buurt daar heette, te maken hadden. Nog een klein stukje tot aan de Barentszstraat, waar hij de kaart in de bus gooide. Hij liep terug naar huis.

Toen hij de laatste houten ophaalbrug passeerde, klonk achter hem een zacht gebrom, dat angstaanjagend snel dichterbij kwam. De oude rechercheur deed uit voorzorg een stap dichter naar de gevels toe. Een blauw licht flitste plotseling door de mist, en als een spookachtige verschijning doemde een witte auto met felle blauwe zwaailichten op, die loeiend over de ophaalbrug kwam.

Van Opperdoes zag de gezichten van zijn collega’s in de politieauto. De bestuurder keek geconcentreerd voor zich uit, maar de bijrijder keek hem even snel en onderzoekend aan. De agent liet zijn blik van de oude rechercheur af glijden, na een korte knik van herkenning. Waarschijnlijk waren ze op weg naar een schietpartij of een overval, en hielden ze onderweg iedereen scherp in de gaten. Het zou niet de eerste keer zijn dat agenten op die manier een vluchtende schutter of overvaller konden aanhouden.

Het geluid van de auto werd door de mist verzwolgen, nadat de politieauto over de tweede houten brug reed, maar werd overgenomen door een sirene, ergens in de verte. En meteen daarop klonk zacht een tweede sirene, die ook snel dichterbij kwam.

Peter van Opperdoes bleef staan en probeerde te bepalen waar de onheilspellende geluiden vandaan kwamen. De mist, die alle geluiden dempte of vervormde, maakte het hem moeilijk, maar het geluid leek over het water te komen, vanaf de Westerdoksdijk. Toen, op hetzelfde moment, verstomden de sirenes en viel er een diepe stilte over de straten.

Van Opperdoes hield zijn adem in en luisterde.

Niets.

Toch wist hij dat er vlakbij iets verschrikkelijks gebeurd moest zijn, iets waar verschillende agenten met grote spoed opaf waren gekomen.

Van Opperdoes liep snel in de richting waar de sirenes volgens hem vandaan waren gekomen.

Het kon niet ver weg zijn.


De sirenes waren uit, maar alle zwaailichten stonden aan. Drie politieauto’s stonden dwars over de Westerdoksdijk. Een agent rolde een rood-wit lint af, terwijl twee collega’s met felle zaklampen het aankomende verkeer probeerden te waarschuwden. Even dacht Van Opperdoes dat er een zware aanrijding had plaatsgevonden, maar hij zag geen ambulance en kon geen beschadigde auto’s op de rijbaan ontdekken.

Pas toen een windvlaag de mist heel even uiteenjoeg, zag hij aan het einde van het Stenen Hoofd — een oude, ongebruikte, brede en lange pier die ver het IJ in liep — schimmen ronddolen en het licht van zaklampen. De stralen gingen wild heen en weer, maar eindigden uiteindelijk allemaal op één plek op de grond, waar ze kennelijk iets beschenen.

Van Opperdoes wist genoeg.

Iemand tikte hem van achteren op zijn schouder. ‘Jij bent hier snel, zeg. Wie heeft jou gewaarschuwd?’

Peter van Opperdoes keek om en zag het vriendelijke gezicht van de wachtcommandant van de Raampoort.

Hij gebaarde vaag opzij. ‘Ach ja, ik werd bijna van m’n sokken gereden toen ik naar huis liep, dus ik dacht… laat ik maar eens kijken waar al die commotie voor nodig is.’ De oude rechercheur keek naar de agenten aan het einde van de pier. ‘Daar is het?’

De wachtcommandant knikte. ‘Er kwam een melding binnen via 1-1-2. Iemand had schoten gehoord. De eerste collega’s die ter plaatse waren, liepen het Stenen Hoofd op, en…’

Hij werd onderbroken door een auto die vlak voor de afzetting met piepende banden tot stilstand kwam. De wachtcommandant keek over zijn schouder. De mist was er debet aan dat automobilisten de afzetting pas op het allerlaatste moment zagen, wat voor een gevaarlijke situatie zorgde.

‘Ik ga de hele Westerdoksdijk maar even laten afzetten, voor de zekerheid. Ga jij maar kijken daar… Ik heb al gehoord dat het echt iets voor jou is…’

Hij liep driftig naar de afzetting, waar hij snel wat aanwijzingen gaf aan de collega’s.

Van Opperdoes stond alleen bij de toegang tot het Stenen Hoofd. De mist, die even weg was geweest, was onbarmhartig weer over de stad neergestreken. De pier zag er niet uit als een pier. Het was eerder een stuk grasland van tweehonderd meter lengte, en zo breed als een voetbalveld. Aan het einde, dat zich uitstrekte in de duisternis van de nacht, stond een rij palen in het water, als de fundering van nooit gebouwde loodsen. Ver weg, voor zijn gevoel midden in het IJ, zag Van Opperdoes nog steeds vaag de stipjes van de zaklampen ronddolen.

Tot zijn eigen verbazing moest Van Opperdoes iets overwinnen voordat hij in de ondoordringbare duisternis het Stenen Hoofd op liep. Voor zijn gevoel zou hij daar zomaar in het niets kunnen verdwijnen. Het voelde als een waarschuwing, een vreemd voorgevoel, misschien zelfs als een scène uit een beklemmende film waarin hij plotseling de hoofdrol speelde. Hij bleef even staan, omhuld door de nevelen. Maar opeens voelde Van Opperdoes zich vredig worden, en glimlachte hij. Als ik hier daadwerkelijk in de mist zou verdwijnen, dacht hij, dan maakt het nog niets uit. Ik loop gewoon het niets in… en zie wel wat er gebeurt.

Ik ben er niet bang voor.

Onwillekeurig haalde hij diep adem, voordat hij de eerste stap op het Stenen Hoofd zette.

Загрузка...