Peter van Opperdoes had lang staan kijken, toen Jacob met de technisch rechercheurs aan het overleggen was. Langzaam kwamen de herinneringen boven: het gezicht met de starende ogen, dat hem strak en levenloos aankeek vanuit de kofferbak, begon langzaam een naam te krijgen… een reputatie zelfs. Hij vroeg zich af waarom hij hem niet meteen had herkend.
De oude rechercheur bestudeerde gespannen de trekken van het dode gezicht. De wijd open ogen, die hem iets toe leken te schreeuwen. Dit was een van de weinige keren dat hij bij een stoffelijk overschot de angst voor wat komen zou, letterlijk in de ogen kon zien.
Nu wist hij ook waarom hij het gezicht van de man niet meteen herkend had. Deze man was nog nooit van zijn leven bang geweest.
Jacob keek Van Opperdoes verwachtingsvol aan. ‘Echt? Wie is het dan?’
‘Dit is Willem van Kampen.’
Jacob deed zijn mond open om iets te zeggen, en sloot hem toen weer. Hij keek naar het gezicht van de dode man. ‘Echt? Is dit Willem van Kampen? Dé Willem van Kampen?’
Van Opperdoes knikte. ‘Of ik moet me wel heel erg sterk vergissen.’
‘Tjonge…’
Beide mannen zwegen even, alsof ze met enige eerbied en respect terugdachten aan de man die zo roemloos aan zijn einde was gekomen.
Achter hen klonk een stem.
‘En wie is Willem van Kampen dan wel?’
De lange agent was geluidloos dichterbij gekomen en stond met twee dampende mokken in zijn handen. ‘Een koffie en een thee, toch?’
Dankbaar namen Jacob en Van Opperdoes de bekers aan.
Jacob keek naar zijn mok thee. ‘Dat je dat wist…’
De lange agent haalde zijn schouders op. ‘Jij bent volgens mij de enige diender ter wereld die geen koffie drinkt… dat weet iedereen aan de Raampoort.’
Jacob grijnsde en nam een slok thee. ‘Waar haal je dat vandaan? Uit die kroeg daar?’
De agent knikte naar de Silodam. ‘Nee. Daar woont een dame, die zag ons in de kou staan. Ze kwam aanlopen met twee thermoskannen. Dat is tenminste een burger die het nog goed voorheeft met de politie.’
Van Opperdoes knikte tevreden. ‘Zulke mensen moeten we in ere houden. Daar zijn er helaas te weinig van tegenwoordig.’
De agent keek nieuwsgierig in de kofferbak, er zorgvuldig voor wakend dat hij niet te dichtbij kwam. ‘Willem van Kampen, zei u toch?’
Van Opperdoes glimlachte. Nieuwsgierigheid was een deugd voor politieagenten, vond hij, en moest beloond worden.
‘Willem van Kampen is een legende. Of wás een legende, moet ik nu eigenlijk zeggen. Een crimineel, maar eentje van de goeie soort, als je dat zo kunt zeggen. Een ouderwetse crimineel.’
De lange agent keek hem bevreemd aan. ‘Kun je dat zo zeggen dan?’
‘Je moet goed snappen wat ik bedoel. Er zijn veel criminelen in de wereld en daar verander je niks aan. Die zullen er altijd blijven, altijd. En dan zeg ik: als er dan toch criminelen moeten zijn, laten ze dan zoals Willem van Kampen zijn. Hij zou nooit iemand beroven, overvallen, neersteken, vermoorden… dat soort dingen.’
‘Er blijft niet zoveel strafbaars over, als ik uw rijtje zo hoor. En toch was hij een crimineel? ’
‘Zeker. En een hele goeie. Een oplichter en een inbreker. De beste inbreker die ik heb gekend. Als je met hem over de gracht zou lopen, en een willekeurig pand zou aanwijzen, dan kwam hij daar naar binnen. Kantoren, winkels, banken… wat dan ook.’
De lange agent peinsde even. ‘De Nederlandsche Bank, op het Frederiksplein?’
Van Opperdoes moest lachen. Hij wist dat de bank zowel de solide als hardnekkige reputatie had dat inbreken er onmogelijk zou zijn. Ook deden er verhalen de ronde dat de enorme kluis van de bank bij een inbraakpoging vol zou lopen met water uit de Singelgracht.
Van Opperdoes legde zijn hand op de schouder van de agent. ‘Geen idee. Maar het zou me niet verbazen als hij daar ook een manier voor had gevonden.’
De lange agent toonde zich onder de indruk. ‘Tjonge. Knap.’
Jacob keek nog een keer in de kofferbak. ‘Ik zou hem niet herkend hebben. Maar ja, dat is ook niet zo gek. Het verhaal gaat toch dat niemand weet hoe hij eruitziet? Hij is toch nooit gepakt? Er zijn geen vingerafdrukken van hem bekend… en geen foto’s…’
‘Klopt. Hij wordt verdacht van tientallen, misschien wel honderden spectaculaire inbraken in de afgelopen tien, vijftien jaar. Maar we hebben er nooit één kunnen bewijzen.’
De lange agent reageerde bijzonder droog. ‘Toch heeft-ie ergens een foutje gemaakt. Anders lag-ie nou niet in die kofferbak.’
Jacob grinnikte en keek Van Opperdoes aan. ‘Daar heeft hij wel een punt.’
Van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘Maar zo is het ook, Jacob. Iedere crimineel, hoe groot en gevaarlijk ook, maakt ooit een keer een fout. En dan pakken wij hem. Of iemand anders pakt hem… zoals dat nu waarschijnlijk is gebeurd.’
Jacob knikte. ‘Dan moeten wij die fout dus ook vinden. Dat zet ons op het spoor van de dader.’
Van Opperdoes strekte zijn schouders en keek in de lucht. Het was inmiddels kraakhelder, hij kon de sterren boven de stad zien. ‘Klopt, mijn beste Jacob. Wij moeten de fout die Willem van Kampen fataal is geworden… wat het ook is… zien te vinden.’
Twee jonge blonde dames kwamen aangelopen. Ze droegen witte beschermende kleding, handschoenen en hoofdkapjes. Toen ze dichterbij kwamen, herkende Van Opperdoes tot zijn vreugde Cathelijne de Wind, de schouwarts. ‘Hoe later op de avond, hoe schoner het volk,’ zei hij opgewekt. ‘En zo snel.’
Hartelijk schudde ze hem de hand. ‘We werden gewaarschuwd dat er twee stoffelijke overschotten waren gevonden. Dus ik dacht: dan komen wij ook maar met z’n tweeën. Dit is Angela Snoek, mijn collega. Ook forensisch arts.’
Angela Snoek schudde de hand van beide rechercheurs. Ze keek naar de wagens van de Forensische Opsporing, waar de rechercheurs zich aan het omkleden waren in witte pakken.
‘Ik neem aan dat we het onderzoek hier alleen maar even pro forma doen? Om niet in de weg te lopen van uw technische collega’s?’
Peter van Opperdoes knikte dankbaar. ‘Ik ben blij dat jullie zo meedenken. Ik hoef alleen maar te weten of hij dood is.’
Angela was een pragmatische dokter. Vroeger was het zo dat een schouwarts het lichaam geheel ontkleedde op de plaats delict, om op de vindplaats onderzoek te doen naar de doodsoorzaak. Maar sinds hij met Jacob werkte, wist Van Opperdoes hoe belangrijk het was dat het lichaam eerst door de technische recherche onderzocht werd. Op die manier bleef het sporenbeeld tenminste intact. Toch moest een forensisch arts het eerste onderzoek doen. Een rechercheur mocht namelijk nooit de dood bij iemand constateren, tenzij het hoofd van de romp gescheiden was.
‘Goed, laten we dan maar even kijken.’
Angela liep naar de auto en wierp een grondige blik in de kofferbak. In eerste instantie leek ze snel klaar te zijn, maar ze boog nog een keer voorover en wenkte Cathelijne. ‘Wat denk jij?’
Beide schouwartsen bogen zich over de kofferbak, er zorgvuldig voor wakend iets aan te raken. Cathelijne observeerde geïnteresseerd het gezicht van Willem van Kampen.
‘Hij is overleden, dat lijkt me duidelijk. Maar de grote vraag is natuurlijk—’ Ze stokte en boog zich iets voorover.
‘… waaraan?’ maakte Angela de vraag af.
Jacob keek Van Opperdoes aan en boog zich naar hem toe. ‘Een mooi op elkaar ingespeeld koppel,’ fluisterde hij.
Van Opperdoes knikte instemmend.
Cathelijne wenkte hen. ‘Meneer van Opperdoes? Jacob? Hij is dood, daar kunnen we kort over zijn. Maar…’ Ze wees op de ogen van Willem van Kampen. ‘Ziet u die ogen?’
‘Natuurlijk. Pure angst.’
Cathelijne glimlachte. ‘Inderdaad…’
‘Maar dat is niet het enige.’ Angela haalde een klein, fel zaklampje tevoorschijn en bescheen de ogen van Van Kampen. ‘Zien jullie wat ik zie?’
Van Opperdoes boog voorover. De oude rechercheur hield zijn adem in toen tot hem doordrong wat hij daar zag. In het oogwit waren kleine rode puntjes zichtbaar.
Ook Jacob, die eveneens vooroverboog, hield zijn adem in, tot hij weer een stap achteruit deed. ‘Puntbloedingen in het oogwit.’
Angela en Cathelijne knikten tegelijk. ‘Asfyxie, inderdaad. Deze bloedingen kunnen — let wel, kunnen — daarop duiden.’
Jacob dacht even na. ‘Vandaar de angst in zijn ogen. Ik weet dat bloedinkjes vele oorzaken kunnen hebben, maar ik vind het helemaal niet zo’n gekke theorie.’
Cathelijne borg haar spullen op. ‘Dat zou inderdaad heel goed de doodsoorzaak kunnen zijn. We doen hier nu verder niets. Laat de forensische recherche hun onderzoek maar doen en hem eruit halen. Na de sectie weten we zeker of het inderdaad om verstikking of verwurging gaat. Dan kunnen we zien of er beschadigingen aan het strottenhoofd zijn, bijvoorbeeld.’
Jacob kwam dichterbij, legde zijn hand op de schouder van zijn oude collega en fluisterde. ‘Iemand die gewurgd wordt, voelt de dood aankomen.’
Van Opperdoes knikte. ‘En hij voelt het leven uit zich wegvloeien. Voor iemand die altijd zo zeker van zijn zaak was, die altijd de complete controle wilde hebben, moet dat een heel angstig gevoel zijn geweest.’
‘Dat verklaart de angst op zijn gezicht.’
‘Weet je, Jacob… dat zou heel goed kunnen.’
De twee schouwartsen liepen weg bij de auto, en gaven de forensisch rechercheurs een teken dat ze met hun onderzoek konden beginnen. Die waren inmiddels gekleed in beschermende kleding en droegen een witte tent naar de auto. Bij de afzetting was het drukker geworden, met collega’s en voertuigen. Ook was er een aantal journalisten gearriveerd. Een kraanwagen en een dieplader stonden afwachtend geparkeerd, klaar om op te rijden zodra de technisch rechercheurs daar het groene licht voor gaven.
Hugo Pastoor en Ton van Maan begonnen de wagen met het lichaam zorgvuldig in te pakken met witte steriele lakens, zodat geen enkel spoor verloren zou gaan tijdens het vervoer naar de ruimtes van Forensische Opsporing.
Inmiddels hadden de twee schouwartsen hun handschoenen en mondkapjes verwisseld voor schone exemplaren, en liepen het Stenen Hoofd op.
Angela Snoek keek om zich heen. ‘Hebben ze iets met elkaar te maken, of is het een onvoorstelbaar toeval dat er twee lijken bij elkaar in de buurt liggen?’
Peter van Opperdoes hield zijn handen uit elkaar. ‘Geen idee. Als jij het weet, mag je het zeggen…’
‘Voorlopig weet ik nog niets, eerst maar eens kijken.’
Ook bij het tweede lijk waren de schouwartsen snel klaar. Angela liep naar de twee rechercheurs toe en trok met een snel gebaar haar handschoenen uit.
‘Drie schoten in de borst, ter hoogte van het hart. Dat is de vermoedelijke doodsoorzaak. Tot nu toe dan…’
Van Opperdoes knikte vriendelijk, met een vage glimlach.
‘Loopt dat nou makkelijk?’ Cathelijne wees naar Van Opperdoes.
De oude rechercheur keek naar zijn handen, en zag dat hij nog steeds met de lege koffiemok in zijn handen liep. ‘Ik kon hem moeilijk weggooien. Dan vervuil ik de pd en krijg ik weer op m’n kop van Jacob,’ bromde hij.
De twee schouwartsen moesten lachen. Uit een koffertje haalde Angela de benodigde formulieren en ze vulde ze in.
Jacob nam de koffiemok over van Van Opperdoes. ‘Geef maar. Ik breng hem wel even terug.’
Bij de afzetting stond een vrouw van middelbare leeftijd, met twee thermoskannen in haar hand.
‘Hadden we deze heerlijke koffie en thee van u?’
Jacob hield de mokken omhoog. De vrouw keek hem dankbaar aan.
‘Tja, ik dacht: het is zo koud, en jullie staan hier zo lang. Zeg maar een soort steuntje in de rug. Doe ik graag. Iedereen zit altijd maar te schelden op de politie, maar ik niet, hoor. Ik waardeer echt wat jullie doen. Hebben jullie die man al?’
Jacob, die haar bereidwillig, maar niet echt geïnteresseerd aanhoorde, spitste zijn oren. ‘Wie zegt u? Welke man?’
‘De schutter. Met dat zwarte jack met die strepen.’
Jacob keek naar de twee agenten bij het afzetlint, die zich bij de laatste woorden langzaam omdraaiden en haar aanstaarden. Kennelijk was dit de eerste keer dat zij erover sprak.
‘Hebt u de schutter dan gezien?’
‘Nou en of. Hij stond daar…’ Ze wees met een uitgestrekte vinger naar het einde van het Stenen Hoofd. ‘Ik zag nog hoe hij zijn arm uitstrekte en toen… boem… viel die man neer. En toen deed hij nog twee keer boem.’
Er viel een lange stilte. Uiteindelijk schraapte Jacob zijn keel. ‘En die man, die schoot, waar is hij naartoe gegaan?’
‘Weggerend. Ik schrok ervan, want ineens trok er een mist door de straten. Heel snel en toen zag ik hem even niet meer. Maar plotseling dook hij op, vlak bij me. Hij rende weg, langs me heen, keek me nog aan, en verdween vervolgens weer in de mist.’