Hoofdstuk 11

Jacob sloeg de deur van de auto dicht en keek omhoog. Over de hele breedte van het grachtenpand waren grote ramen aangebracht, waar warm, zacht licht doorheen scheen, en donkere wolken zich in spiegelden. Hij keek even naar zijn oude collega, die zijn gedachten waarschijnlijk raadde.

‘Ja, ja, Jacob… dat is een duur huisje.’

Van Opperdoes belde aan. Na enkele seconden klonk een zachte klik, en een zwoele damesstem klonk uit een listig verborgen luidspreker.

‘Ja?’

‘Mijn naam is Van Opperdoes, mevrouw. Mijn collega en ik zijn van de recherche, en we willen graag even met u spreken.’

Het luidsprekertje zweeg ongemakkelijk lang. De twee rechercheurs keken elkaar aan. Stond de vrouw bij de deur, maar was ze te geschrokken door het woord ‘recherche’ om te reageren? Of schuwde ze een confrontatie en maakte ze van de gelegenheid gebruik om er ongezien via een achteruitgang vandoor te gaan?

Jacob dacht kennelijk hetzelfde. ‘Zal ik kijken of er een achteruitgang is?’ fluisterde hij.

Van Opperdoes weifelde, maar net voordat hij ongerust werd, klonk de stem weer.

‘Komt u verder.’

Uit haar neutrale toon viel niet op te maken of ze onder de indruk was van dit onverwachte bezoek.

De deur klikte open en een monumentale hal ontvouwde zich, met daarin een majestueus kronkelende trap, voorzien van brede marmeren treden en een glanzende koperen reling. In het trapgat hing een metershoge en even zo brede kroonluchter. Geïmponeerd door zoveel onverwachte grandeur bestegen de rechercheurs de trap.

Boven aan de trap stond een beeldschone vrouw, die met ijsblauwe ogen op hen neerkeek. Een speelse glimlach danste om haar mond, maar toen Van Opperdoes dichterbij kwam, zag hij dat de ijsblauwe ogen ook een bepaalde, niet te verbergen angst uitstraalden. Ze stond er nonchalant bij, een hand in haar zij, haar heupen iets gekanteld. Van Opperdoes wist dat ze rond de veertig jaar oud moest zijn, maar hij zou haar leeftijd nooit hebben kunnen schatten.

‘U bent van de recherche? Echt waar?’

Haar lange slanke benen verdwenen in lange laarzen. Ze droeg een zwarte broek, met een nauwsluitend wit overhemd, dat haar lichaam accentueerde.

Van Opperdoes knikte en stak haar de hand toe. ‘Van Opperdoes, en dit is mijn collega Jacob. Wij zijn inderdaad van de recherche: bureau Raampoort.’

Na een korte aarzeling schudde ze hun kort en ferm de hand, waarbij de gouden armbanden die ze om had een zacht rinkelend geluid maakten. Haar ogen hadden even contact gezocht met die van Van Opperdoes, op het moment dat hij zijn naam noemde. Hij wist zeker dat hij haar nooit eerder had gezien. Toch had deze vrouw de aan hem geadresseerde brief geschreven. Ze had waarschijnlijk gehoord dat ene rechercheur Van Opperdoes de inbraken onderzocht, en hem de brief gestuurd. Herkende ze nu, na zoveel jaar, zijn naam nog?

Maar de vrouw hernam zich snel. ‘U… ehh… Het verbaast mij dat u hier bent. Wat kan ik voor u doen?’

Van Opperdoes maakte een bescheiden gebaar. ‘Misschien kunnen we dat beter even binnen bespreken? Straks komt een van uw buren misschien naar buiten.’

Ze keek om zich heen. Op de verdieping waren nog twee toegangsdeuren van andere appartementen. Ze weifelde even, maar nodigde de rechercheurs toen met een milde glimlach en een hoofdknik uit om naar binnen te komen.

Ze betraden de woning, die geheel in stijl was met de entree van het gebouw. Van Opperdoes keek rond. De stijl was minimalistisch, maar ieder detail van de inrichting was zo raak gekozen, dat het een verpletterende indruk maakte. Midden in het enorme appartement stond een enorm zwartleren bankstel, op een weelderig wit kleed, geflankeerd door brede, comfortabele stoelen. De bank bood uitzicht op de ramen van het appartement, waarachter een kruising van twee Amsterdamse grachten te zien was. Omdat het zulk somber weer was, twinkelden in de grachtenpanden daarachter warme lichtjes. Boven de grachten speelden de donkere wolken nog steeds krijgertje. Als je eenmaal in die bank ging zitten, hoefde je voor het uitzicht nooit meer weg. Geen minuut was hetzelfde, en alles was even mooi.

Peter van Opperdoes deed enkele passen door de enorme kamer. Tegen de muur stond een modern vormgegeven bureau waarop een schrijfmap lag, en daarnaast drie onmiskenbaar dure vulpennen. Tegen een bureaulamp stonden enkele enveloppen klaar om gepost te worden.

‘U woont prachtig.’ Van Opperdoes hield zijn hoofd een beetje schuin. ‘Het is misschien wat eenvoudig geformuleerd, maar ik zou ook niet weten hoe ik het anders moet verwoorden. Geen enkele omschrijving komt namelijk in de buurt.’

Jacob liep naar de ramen en bewonderde het uitzicht. ‘Vreemd… ik loop toch al jaren over de grachten…’

‘Maar zoals u ze nu ziet, is toch weer heel anders.’ Haar stem klonk iets milder.

Jacob draaide zich om. ‘Dat hebt u dus wel vaker gehoord.’

Ze knikte, terwijl haar blik onderzoekend over het gezicht van Van Opperdoes ging. ‘Het is dezelfde opmerking die Amsterdammers maken als ze een keer in een rondvaartboot door de stad varen. Plotseling zien ze hun vertrouwde grachten en straten zoals ze die nog nooit gezien hebben.’

Afwezig keek ze naar buiten. ‘Het blijft toch een prachtige stad.’

Van Opperdoes bemerkte een lichte onzekerheid in haar stem. Ze wilde niets liever dan weten waar deze twee rechercheurs voor kwamen, maar durfde dat niet te vragen.

‘Zullen we even gaan zitten?’ Ze wees uitnodigend naar de bank. Van Opperdoes liet zich zakken in een van de enorme stoelen die daarnaast stonden, en verdween er bijna in. Jacob ging op de bank zitten, naast de vrouw.

‘U vraagt zich vast af waarom wij hier zijn,’ begon de oude rechercheur.

De vrouw haalde haar welgevormde schouders op. ‘Nauwelijks. Ik neem aan dat uw bezoek op een vergissing berust. Ik kan me niet voorstellen waarom ik van enige interesse voor de politie kan zijn.’

Van Opperdoes trok een wenkbrauw iets omhoog. ‘Dat staat nog te bezien.’ Hij boog zich iets naar voren. ‘U heeft zich nog niet voorgesteld, net.’

‘U heeft gelijk en ik bied daar mijn verontschuldigingen voor aan. Ik ging ervan uit dat u wist naar wie u op zoek was.’

‘Wij weten naar welk adres wij toe moeten, en wie wij zoeken,’ begon de oude rechercheur bedachtzaam. ‘Of diegene ook daadwerkelijk op dat adres woont… dat is altijd weer een heel ander verhaal.’

Haar ogen flitsten onzeker heen en weer. Langzaam maar zeker begon haar façade te zakken. ‘Mijn naam is Monica van Molenbeek.’

Ze pauzeerde even om te zien of ze enige reactie op de gezichten van de rechercheurs kon aflezen.

‘Ik ben geboren in Amsterdam, op 17 maart 1969.’

Van Opperdoes verschoof even in zijn brede stoel. ‘Tja…’

Omdat hij geen aanstalten maakte om verder te spreken, keek Monica verwachtingsvol naar Jacob, maar die zei alleen: ‘Dan bent u inderdaad degene voor wie wij komen.’

Ze zakte ongemakkelijk en defensief achteruit in de bank. Van Opperdoes besloot dat het tijd was om ter zake te komen. ‘Het gaat om Willem van Kampen.’

Monica van Molenbeek probeerde ontspannen over te komen, maar de rechercheurs zagen dat het klamme zweet haar bijna uitbrak. Ze kuchte even. ‘Die… ehh… die naam zegt me niets.’

Van Opperdoes leunde losjes voorover. ‘Werkelijk?’

Haar ogen ontweken nerveus ieder contact. ‘Zegt me niets. Ik vrees dat u toch bij de verkeerde bent, en voor niets hiernaartoe bent gekomen.’

In een poging een voortijdig einde te maken aan het gesprek, stond ze op en opende de hoge toegangsdeur van het appartement. ‘Misschien bent u hier uiteindelijk toch op het verkeerde adres.’

Van Opperdoes en Jacob maakten echter geen aanstalten om op te staan.

Toen het tot Monica doordrong dat haar poging om op deze manier van de rechercheurs af te komen vruchteloos was, sloot ze de deur met gepaste tegenzin.

‘Dit is een spelletje dat we heel lang vol kunnen houden,’ sprak Van Opperdoes berustend.

Monica van Molenbeek wreef hulpeloos in haar handen, alsof ze nu in één klap door al haar mogelijkheden om de rechercheurs kwijt te raken heen was. Langzaam liep ze terug naar de bank.

‘Ik ken Willem van Kampen niet, zeg ik toch?’ Het klonk toonloos.

Zonder iets te zeggen haalde Van Opperdoes de envelop van de anonieme briefschrijfster tevoorschijn en legde die op tafel. Hij maakte een hoofdknik naar het bureau in de kamer. ‘Ik kon het niet helpen, maar mijn oog viel op enkele enveloppen die u op uw bureau heeft liggen. Mag ik…?’

Verrassend soepel stond Van Opperdoes op en liep naar het bureau. Hij nam een van de enveloppen mee en legde die naast de anonieme brief over Willem van Kampen. Het handschrift vertoonde zoveel overeenkomsten, dat ontkennen voor Monica geen enkele zin meer had.

Ze beperkte zich tot een bijna wanhopig gebaar, dat eindigde met een hand voor haar mond.

‘Dat is… ik weet niet hoelang geleden al… Ik wist wel dat ik uw naam kende.’

Van Opperdoes knikte meelevend. ‘U hebt mij wel degelijk op het goede spoor gezet, destijds. Helaas tevergeefs. Willem van Kampen leek bijna onaantastbaar.’

Iedere vorm van defensie was nu verdwenen bij de knappe vrouw. Zij pakte de anonieme brief op en liet hem koesterend door haar handen gaan. ‘Weet u hoeveel moeite het mij heeft gekost om deze brief te schrijven? Ik hield zoveel van die man.’

‘Hij kwam op mij ook niet onsympathiek over, toen ik hem sprak.’

Door haar betraande ogen heen, keek ze Van Opperdoes aan. ‘Wanneer hebt u hem gesproken? Onlangs nog?’

Even aarzelde Van Opperdoes. ‘Nee, dat is alweer een tijd geleden.’

Jacob boog zich naar haar toe en keek haar strak aan. ‘Maar u hebt onlangs nog wel contact met hem gehad.’

‘Ik?’

‘U, ja.’

Aanvankelijk leek Monica te willen ontkennen, maar uiteindelijk gaf ze schoorvoetend toe. ‘Nou ja, ik belde hem nog weleens, dat is het enige. Af en toe een gesprekje.’

Van Opperdoes kon een licht bewonderende blik naar Jacob maar net verbergen. Het was pure bluf geweest van zijn jonge collega.

Monica leunde achterover en meed het onderwerp handig. ‘Maar wat is er dan aan de hand met Willem?’ Ze wees op de nu niet meer zo anonieme brief. ‘Dat lijkt namelijk alweer een eeuwigheid geleden.’

Van Opperdoes knikte bevestigend. ‘Voor mij ook. U hebt dus een relatie met hem?’

Ze boog haar hoofd. ‘Gehad. Verleden tijd. En ik ben er niet trots op.’

Van Opperdoes reageerde begripvol. ‘Iedereen kan een relatie krijgen of verliefd worden op de verkeerde man.’

Monica wendde haar hoofd in gêne af. ‘Ik was op dat moment getrouwd met de eigenaar van een van de bedrijven waar is ingebroken. Zo’n charmante man was Willem van Kampen dus.’

Van Opperdoes had gehoopt op enige informatie over Van Kampen, maar haar achteloze onthulling kwam voor hem als een totale verrassing. Alle ontbrekende stukken van de puzzel vielen nu in één keer op hun plek.

‘U hebt hem geholpen?’

Monica’s beschaamd zwijgen sprak boekdelen. ‘Ja, maar niet uit vrije wil, denk ik. Ik was gewoon… onder invloed van die man. Totale blinde verliefdheid. En daar heeft hij misbruik van gemaakt.’

De hersens van Van Opperdoes werkten razendsnel. Zou dit dan de werkwijze van Willem van Kampen zijn geweest? Vrouwen van topmannen uit het bedrijfsleven verleiden, om vervolgens met hun informatie en hulp de inbraken te plegen? Om via hen aan alle relevante informatie over het bedrijf te komen? Alle dames zouden beschaamd hun mond houden, daar kon Willem van Kampen zeker van zijn.

Nu ook begreep Van Opperdoes waarom zij als briefschrijfster per se anoniem wilde blijven.

Het was een bijna perfecte misdaad. Van Opperdoes dacht terug aan zijn ontmoeting met Willem van Kampen, die toen grote indruk op hem had gemaakt: niet alleen door zijn manier van doen, maar ook door zijn slimheid.

Monica keek de rechercheurs aan. Van haar oorspronkelijke houding en flair was weinig meer over.

‘Toch kon ik er niet mee leven. Mijn man… wij zijn inmiddels gescheiden… was een goed mens. Hij verdiende mijn overspel niet. Vandaar dat ik u die brief heb geschreven. Ik wist dat u… ooit… voor mijn deur zou staan.’

Van Opperdoes maakte een scherp gebaar. ‘Als u destijds gewoon naar het bureau was gekomen om een verklaring af te leggen, dan hadden we hem op kunnen pakken. Alleen hiermee…’ hij klopte op de brief ‘… was dat niet mogelijk.’

‘Dan had u mij ook gearresteerd, als medeplichtige,’ glimlachte ze vermoeid.

Jacob knikte. ‘Die kans was groot geweest. Dat zou wel een beetje van uw aandeel in de strafbare feiten hebben afgehangen.’

Monica knikte, maar ging er verder niet op in.

‘Hoeveel daders bieden zich op een presenteerblaadje bij u aan, rechercheur? Bovendien moest ik aan de reputatie van mijn man denken. Een directeur die zo slordig met de codes van het alarmsysteem en de combinatie van de kluis omgaat, denkt u dat hem dat in dank was afgenomen?’

Jacob moest toegeven dat zoiets niet heel vaak gebeurde. Sterker nog, hij had het nog nooit meegemaakt. De criminelen die hij achter slot en grendel had geholpen, waren stuk voor stuk opgepakt na intensief speurwerk.

‘Helaas gebeurt dat inderdaad niet vaak. Een van de kenmerken van een goede crimineel is dat hij meestal zo ver mogelijk uit onze buurt wil blijven.’

Monica maakte een berustend gebaar. ‘Voilà… ik wil mezelf niet als crimineel bestempelen, maar toch… ik had het idee dat ik mijzelf veel ellende kon besparen door het op deze manier te doen.’

Van Opperdoes keek peinzend. ‘Toch had uw brief niet het gewenste effect. Ik heb Willem van Kampen nooit kunnen pakken voor de inbraken.’

Er verscheen plotseling een bijna ondeugende glinstering in de ogen van Monica. ‘O, maar daar vergist u zich dan in.’

Verrast keek Van Opperdoes haar aan.

Monica verschoof iets op de bank. ‘Mijn brief had wel degelijk het gewenste effect… of in ieder geval voldeed het effect aan míjn wensen. Vertelt u mij eens, rechercheur Van Opperdoes. Na uw gesprek met Willem van Kampen… zijn er toen nog meer van die spectaculaire inbraken geweest?’

Van Opperdoes schudde traag en afwachtend zijn hoofd. ‘Niet dat ik weet, nee…’

Een milde glimlach gleed om zijn mond. Hij besefte nu dat ook deze vrouw, net als Willem van Kampen, veel geslepener was dan hij in eerste instantie had gedacht.

Monica knikte. ‘Precies… Dát was namelijk wat ik met mijn brief beoogde. Natuurlijk besefte ik dat mijn brief geen enkele bewijsgrond zou vormen in een rechtszaak. En natuurlijk wist ik… ik kende Willem van Kampen behoorlijk goed… dat u geen enkel ander bewijs tegen hem had. Maar ik wist óók dat Willem er op een of andere manier wel degelijk achter zou komen dat de recherche… hoe zal ik het zeggen… speciale interesse in hem had. En vanaf dat moment, vermoedde ik, zou hij van de aardbodem verdwijnen…’

Jacob keek even naar Van Opperdoes. ‘Zo waren niet alleen wij van het probleem af, maar u ook.’

Na een korte blik op Jacob liet Monica haar hoofd zakken. ‘Een laffe manier om een eind te maken aan een verhouding. Ik weet het.’

Jacob keek haar scherp aan. ‘Toch niet helemaal. U bent contact met hem blijven houden.’

‘Onlangs dook hij weer op in mijn leven. Ook daar ben ik niet trots op.’

‘Is dat de reden dat u en uw man gescheiden zijn?’

Ze knikte beschaamd. ‘Ik verdiende dat. Niet om het contact dat ik nu weer met Willem had… Dat stelde eigenlijk niets voor. Een paar gesprekken, dat is alles. Voornamelijk om te zeggen dat ik niets met hem wilde. Maar mijn man kwam erachter. Woest was hij. Dat was het einde van een min of meer gelukkig huwelijk. Maar ook daarvoor neem ik alle schuld op me.’

Van Opperdoes keek het appartement nog eens rond. ‘Misschien heb ik het mis… maar uw man heeft u niet armoedig achtergelaten.’

‘Het klinkt misschien veel koeler dan ik het bedoel, maar hij eet er geen boterham minder om.’

‘U heeft uw meisjesnaam gehouden. Wie was uw man?’

Monica haalde haar schouders op. ‘Hebt u dat niet opgezocht in die computers van u? En is dat relevant?’

Van Opperdoes’ toon liet geen ruimte voor discussie. ‘Zeer.’

‘Mijn man is… was… Hans van Donkeren. Ik weet dat jullie hem kennen, dus jullie hoeven geen spelletjes met mij te spelen.’

Van Opperdoes trok een wenkbrauw op. ‘Uw ex-man heeft… niet alleen bij ons… een bepaalde reputatie. Dat kunnen we niet ontkennen.’

‘Nee, inderdaad.’

De sfeer was veranderd na het noemen van de naam Hans van Donkeren. Met felle ogen pakte Monica sigaretten van de tafel.

‘Bezwaar?’

Van Opperdoes wuifde met zijn hand. ‘Het is uw huis.’

Monica stak een sigaret op, liep naar het raam en opende dat iets. Ze nam een diepe trek en blies de rook naar buiten. Zonder zich om te draaien stelde ze de vraag die haar al bezighield vanaf het moment dat de twee rechercheurs bij haar binnen waren.

‘Gaat u ons arresteren?’

‘Wie bedoelt u met “ons”?’

‘Willem van Kampen en mij. Vanwege die inbraken?’

‘Mevrouw Van Molenbeek…’ De toon in de stem van Van Opperdoes maakte dat zij zich omdraaide en hem aankeek. Een nerveuze trek gleed over haar gezicht.

‘Willem van Kampen is dood. Hij is vermoord.’

Ontzet staarde ze voor zich uit. Ze wankelde naar de bank en liet zich, met een hand voor haar mond, zakken.

‘Echt?’

Van Opperdoes knikte. ‘Het spijt me.’

Zacht schudde ze haar hoofd heen en weer.

Van Opperdoes boog zich dicht naar haar toe. ‘Dat hele gedoe met die inbraken… dat is nu even niet belangrijk. Uw aandeel daarin is op dit moment minder interessant dan zijn dood.’

Ze knikte wezenloos. ‘Ik begrijp het.’

‘U kunt ons misschien wel verder helpen. U had nog contact met Willem.’

Weer een korte, nu ietwat aarzelende knik.

‘We moeten weten waar hij woonde. Dat kan ons misschien verder helpen in ons onderzoek.’

Na een diepe zucht keek ze met omfloerste blik eerst Van Opperdoes en toen Jacob aan.

‘Hij heeft een appartement in de Jordaan. Ik zal…’ Ze zuchtte en stond op. ‘Ik zal u het adres geven.’


Toen Jacob de deur van de rechercheauto opende, keek hij weer omhoog. Monica stond voor het raam. Ze keek strak voor zich uit zonder de twee rechercheurs een blik waardig te keuren, haar ogen onpeilbaar gericht op de oneindige wolken.

Peter van Opperdoes’ blik gleed omhoog langs de gevel, tot ook hij haar zag staan, diep in gedachten verzonken.

‘Deze dame is niet alleen ontzettend slim, ze is daarnaast ook nog eens tot alles in staat.’

Jacob leunde op het dak van de auto. ‘Ik krijg geen hoogte van haar. Ze zou een briljante actrice kunnen zijn.’ Hij stapte in. ‘Wat denk jij?’

Van Opperdoes bleef nog even staan. Nu keek ze even naar beneden en hun blikken kruisten elkaar. Zonder enige reactie keek ze hem aan. Van Opperdoes knikte even naar haar.

‘Ik denk dat we twee serieuze verdachten hebben. Zij en die criminele ex-man van haar,’ mompelde hij voor hij instapte.


Загрузка...