Hoofdstuk 15

Er lag een computeruitdraai op het bureau van Peter van Opperdoes. De man die hij zojuist op straat had zien liggen bleek Dennis Post te heten, en staarde hem met een verveeld gezicht aan vanaf het papier. Op de politiefoto had hij de nietszeggende blik van iemand die al honderd keer was opgepakt en wist wat de routine was. Die doffe blik in zijn ogen trof Van Opperdoes, en de lijst met antecedenten verraste hem dan ook niet. Uit alle registraties kon Van Opperdoes opmaken dat Dennis Post was uitgegroeid van een kruimeldief tot een manusje-van-alles in de onderwereld, iemand die gewetenloos langs de randen van de maatschappij schuurde, zonder enig respect voor regels of wetten, of mededogen met zijn slachtoffers, uitsluitend denkend aan zichzelf, geld en drugs.

Van Opperdoes had er in zijn carrière veel langs zien komen en stuk voor stuk waren ze dood of zaten ze gevangen. Slechts een enkeling had aan de criminaliteit weten te ontsnappen.

‘Hallo… ben je thuis?’

Van Opperdoes schrok op uit zijn gedachten. Jacob stond lachend naast zijn bureau, een grote mok in zijn handen. ‘Hier, oma’s soep.’

‘Oma’s soep?’

Jacob glimlachte. ‘Uit die grote automaat beneden.’

‘Nou, dat zal wat zijn…’ Het klonk wantrouwend, maar hij nam de mok toch dankbaar aan.

Jacob haalde zijn schouders op. ‘Het is tenminste gratis.’

Van Opperdoes nam een slokje en knikte verrast met zijn hoofd. ‘Zo smaakt het anders niet… Een lekker zout soepje. En wat is dat?’

Jacob hield de koek omhoog. ‘Gevulde koek.’

Licht misprijzend schudde Van Opperdoes zijn hoofd. ‘Soep met gevulde koek. Doe dat nou toch niet…’

Jacob nam verontwaardigd een hap koek. ‘Weet je hoelang het geleden is dat we hebben gegeten?’

‘Neem dan een boterham.’

Jacob wees grijnzend naar de trap. ‘D’r zitten geen boterhammen in die snoepautomaat. Straks haal ik wel wat gezonds te eten. Surinaams, lekkere moksi meti… of een broodje shoarma, of zo.’

Van Opperdoes gaf het op. Zijn collega hield nou eenmaal van eten, en had net als veel van de collega’s in Amsterdam overal zijn adresjes waar hij de lekkerste dingen kon halen. Bij sommige afhaalrestaurantjes kwamen politieagenten vanuit heel Amsterdam, omdat die net de lekkerste pizza’s of Chinese of Surinaamse gerechten maakten.

Wie hard werkt, moet ook goed eten, was het devies.

Van Opperdoes zag hoe Jacob met smaak zijn koek opat, en vond eigenlijk dat hij niet zo moest zeuren. Had hij ook niet zijn favoriete plekjes in de stad? Café Winkel op de Noordermarkt voor de appeltaart… slager Danny Reinhardt voor zijn worst en ketjapgehakt… of slager Louman midden in de Jordaan voor de meest perfecte ossenworst… de Noordermarkt op zaterdagmorgen voor het lekkere brood…

Nu hij er zo over zat na te denken, begon hij best trek te krijgen. Hij schudde zijn hoofd. Waar was hij ook alweer gebleven, voordat de soep en koek binnenkwam?

O, ja…

‘Heb je dit gezien?’

Hij gaf de uitdraai aan Jacob. ‘Ja, had ik gelezen, net. Dennis Post. Een keurige jongen, als je de lijst misdrijven zo ziet.’

De oude rechercheur gooide het papier op zijn bureau en trok een ontevreden gezicht. ‘Inderdaad. En toch klopt het niet.’

‘O, nee? Post heeft een waslijst aan antecedenten, het moordwapen… als dat het is… lag in zijn woning, en er is een afscheidsbrief achtergelaten waarin hij sorry zegt. Ik vind het behoorlijk kloppen.’

‘Dan herhaal ik mijn vraag. En dat is dezelfde vraag die daar op het bord staat: waarom?’

Jacob zweeg. Hij liep een rondje door de kamer, terwijl Van Opperdoes van zijn soep nipte. Hij dacht na over een mogelijk motief.

‘Ik heb nog geen idee. Het kan van alles zijn, alleen weten wij het nog niet.’ Hij bekeek de foto van de ietwat sullige crimineel. ‘We kennen hem natuurlijk nauwelijks, morgen moeten we alles uitspitten wat we over hem weten. Met wie hij omging, wat zijn financiële situatie was, voor wie hij werkte, al die dingen. Als je het slachtoffer kent…’

‘Een waar woord, mijn waarde Jacob. Zoals altijd. Het gebeurt maar zeer zelden dat iemand wordt omgebracht door een totale onbekende. Er is altijd een connectie.’

Van Opperdoes dronk de laatste slok soep op en greep zijn jas.

‘We gaan slapen. Morgenochtend zien we verder.’

Toen ze de Raampoort verlieten, kwam IJsselstein net achter hen het bureau uit gelopen.

Jacob keek hem aangenaam verrast aan. ‘Jij bent nog laat hier, zeg. Je lijkt ineens wel een echte rechercheur.’

‘Ha ha, heel leuk. Komt door jullie, met je stomme usb-stick. In Amerika is het veel vroeger dan hier, dus ik kon pas vanavond met ze bellen.’

‘En?’

IJsselstein schudde mismoedig zijn hoofd. ‘Ik krijg hoofdpijn van dat ding. Zelfs de Amerikaanse makers van de stick kunnen de beveiliging niet omzeilen. De encryptie is zo sterk, dat ook zij de versnipperde data niet terug kunnen coderen.’

Van Opperdoes trok een gezicht. ‘Dus?’

‘Dus heb ik het wachtwoord nodig. Een andere oplossing is er niet.’

Jacob en Van Opperdoes keken elkaar aan en haalden hun schouders op. In de woning van Willem van Kampen, waarvan ze iedere centimeter doorzocht hadden, hadden ze niets gevonden wat op een wachtwoord leek, of waar een wachtwoord opgeslagen kon zijn.

‘Hm… ik zal er nog eens over nadenken. Even geduld nog,’ zei Van Opperdoes.

IJsselstein lachte schamper. ‘Geduld? Waarom? Waarop? Tot wanneer? Denk je dat iemand het wachtwoord ineens in je oor fluistert?’

Jacob glimlachte. ‘Daag hem niet uit…’

IJsselstein schudde wanhopig zijn hoofd. ‘Stelletje gekken…’ mompelde hij, en hij verdween in de nacht.


Jacob stapte in de rechercheauto. ‘Zal ik je thuis afzetten?’

Van Opperdoes schatte in dat het droog zou blijven. Hij rechtte zijn rug en zette zijn kraag op. ‘Ik loop wel. Even een frisse neus halen, voordat ik ga slapen. Tot morgen.’

‘Welterusten.’

‘Geen patatje oorlog halen, hè?’

‘Ik dacht eerder aan Surinaams. Ook goed?’ Hij lachte en reed weg.

Van Opperdoes wandelde over de Marnixstraat naar de Westerstraat. Bij de container die in de Tweede Marnixdwarsstraat stond, ter vervanging van een uitgebrande coffeeshop verderop, zaten wat mannen voor het raam, met een dikke joint in de hand. Ze zwaaiden vriendelijk naar Van Opperdoes, toen die, diep weggedoken in zijn jas, langsliep.

‘Heb je inmiddels alles een beetje op een rijtje?’ vroeg zijn vrouw.

Van Opperdoes glimlachte toen hij haar vertrouwde stem hoorde. Het was voor zijn gevoel alweer veel te lang geleden geweest dat hij haar had gehoord.

‘Ik heb ze gelukkig allemaal nog op een rijtje. In tegenstelling tot wat sommige collega’s misschien van me denken.’

‘Ach, wat kan jou het schelen.’ Hij hoorde de glimlach in haar stem. ‘En wat ga je nu doen?’

Van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘Lekker een beetje wandelen. Ik dacht dat het wel droog zou blijven.’

‘Dat heb je goed gedacht.’

‘Heeft het weer ook al geen geheimen voor je?’

‘Niets heeft geheimen voor me,’ grinnikte ze. ‘Ook niet hoe jij je voelt, af en toe.’

Van Opperdoes lachte vrolijk, in een poging luchtig over te komen. ‘Het gaat wel goed met me.’

‘O, ja? Weet je dat wel zeker? Wat deed je dan laatst op die brug van de Brouwersgracht?’

‘Een beetje mijmeren. Zag je dat ook al?’

‘Moet ik het nou nog een keer zeggen? Niets heeft geheimen voor me. Dit zit je niet lekker, hè?’

‘Wat niet?’

Zijn vrouw klonk streng. ‘Hou je nou maar niet van de domme, Peter van Opperdoes! Hoeveel keer heb ik niet meegemaakt dat je thuiskwam, wat brommerig deed en niet wilde vertellen wat je bezighield? Weet je nog wat ik in het begin dacht?’

‘Nou?’

‘Dat je misschien tijdens je werk een andere vrouw was tegengekomen. Mij was je tenslotte ook tegengekomen tijdens de dienst.’

‘O, ja… de kermis in Amsterdam-Oost.’ Van Opperdoes moest glimlachen bij de herinnering. ‘Jij durfde het spookhuis niet in… Toen ben ik als stoere uniformagent met je meegegaan. Maar daar hoefde je later niet meer bang voor te zijn, hoor. Jij bent de enige geweest die ik leuk vond. Nog steeds, eigenlijk.’

‘Ik kan me toch herinneren dat ik je officieel toestemming heb gegeven om naar andere vrouwen te kijken. En dat ik je heb aangespoord je wat meer onder de mensen te begeven.’

Hoewel zijn vrouw fysiek niet meer om hem heen was, zag hij toch haar fronsende gezicht, waarin altijd ogen met vriendelijke lichtjes schitterden, helder voor zich.

‘Ach, dat komt allemaal wel een keer. En als het niet komt, vind ik het ook goed. Ik heb toch iemand om mee te praten?’

‘En je hebt je werk.’

‘Ja, niet dankzij jou, trouwens. Als er iemand was die me altijd aanspoorde om te stoppen met het recherchewerk, was jij het wel.’

Zijn vrouw snoof verontwaardigd. ‘En terecht. Al die nachten dat je weg was… al die moorden die in je hoofd rondspookten en jouw gedachten opslokten… al die tijd die je erin stak… en waarom? Om het door een sukkelige officier of rechter te laten verprutsen. Hoe vaak dat niet gebeurd is.’

‘Ik weet het, ik weet het…’ suste Van Opperdoes.

‘Maar goed…’ Zijn vrouw klonk weer mild. ‘Ik ben blij dat je niet bent weggegaan bij de politie. Het is toch een soort familie.’

‘Zo is het,’ bromde Van Opperdoes. ‘Het zit in me, ik kan er niks aan doen. Die sfeer, die kameraadschap, dat werk… in weer en wind, dag of nacht. Het blijft een prachtige en unieke uitdaging, moorden oplossen. Ik kan er niks aan doen.’

‘En deze zaak?’ Het klonk terloops, achteloos.

Maar Peter van Opperdoes wist wel beter. Zijn vrouw dwong hem alle gebeurtenissen weer even snel op een rijtje te zetten.

‘Het zit je niet lekker, is het niet?’

Van Opperdoes schopte onhandig tegen een steentje. ‘Nee, het zit me niet lekker. Stel dat Dennis Post de moordenaar is die we zoeken. Willem van Kampen en Hempie, die zaten wel zo’n beetje in hetzelfde kringetje van mensen. Ik bedoel… niet helemaal hetzelfde, maar Hempie wilde graag tot dat kringetje behoren, dus ik kan me heel goed voorstellen dat die weleens in de buurt van Willem van Kampen kwam. Die twee kunnen elkaar hebben gekend. Maar Willem van Kampen en de kleine crimineel Dennis Post? De kans dat die twee elkaar kenden uit het criminele milieu is uiterst klein. Letterlijk twee werelden van verschil. Wat voor reden… wat voor motief… kan Dennis Post dan gehad hebben om Willem van Kampen te vermoorden?’

Ongemerkt was hij al in de Westerstraat. Links van hem was de ingang van de Tichelstraat.

‘Woonde Willem van Kampen daar niet?’ vroeg zijn vrouw.

‘Daarachter, ja.’

‘En wat zit er in je rechter jaszak?’

Van Opperdoes ging met zijn hand in zijn jaszak en zijn vingers sloten zich om een setje sleutels dat hij kennelijk vergeten was eruit te halen.

‘De woning is verzegeld. En dit zijn de sleutels.’

Zijn vrouw klonk vrolijk verbaasd. ‘Echt waar? Tjonge toch…’

Van Opperdoes moest glimlachen. ‘En wat moet ik daar dan doen?’

‘Ik hoorde net iemand iets zeggen over een wachtwoord, dat nogal belangrijk schijnt te zijn.’

‘We hebben die woning al van onder tot boven doorzocht.’

‘Naar wat?’ wilde zijn vrouw weten.

‘Naar van alles en nog wat. Alles wat we konden gebruiken.’

‘Maar toen wist je nog niet dat je het wachtwoord zocht dat Willem van Kampen gebruikte.’

Van Opperdoes sloeg links af de Tichelstraat in, nagestaard door twee innig gearmde verliefden, die de in zichzelf pratende man nastaarden.

‘Nee, dat klopt.’

‘Nou dan,’ zei zijn vrouw bemoedigend. ‘Als je weet waar je naar op zoek bent, zoek je toch anders.’

De oude rechercheur sloeg rechts af, richting Karthuizersplantsoen. Hij moest inwendig lachen om zijn wijze vrouw.

‘Met wie praat jij daar allemaal, dat je van die wijze dingen zegt?’

Een zacht parelende lach, die langzaam wegstierf, klonk door de Jordaan.


Peter van Opperdoes opende de deur en verwijderde de paarse stickers die de verzegeling vormden. Hij liep de woning in, die nog in precies dezelfde staat verkeerde als waarin ze haar hadden achtergelaten. Zijn vrouw had gelijk: als je weet waar je naar op zoek bent, kijk je naar andere dingen.

Was Willem van Kampen iemand die een boekje bijhield met al zijn pincodes en wachtwoorden? Vast niet. Hij was uitermate slim, daar zou hij geen risico mee nemen. Nee, hij hoefde niet te gaan zoeken naar papiertjes of opschrijfboekjes. De situatie kon beter vanuit een andere invalshoek bekeken worden. Wat was het wachtwoord van Willem van Kampen? Welke combinatie zou hij gebruiken? Als iemand aan mij een wachtwoord zou vragen, dacht Van Opperdoes, dan nam ik iets wat makkelijk was. Iets wat dicht bij me lag. Ik zou de voornaam van mijn vrouw nemen.

‘Dank je wel,’ zei zijn vrouw.

‘Graag gedaan,’ mompelde Van Opperdoes. ‘Zit ik warm?’

‘Uh huh…’ beaamde zijn vrouw.

‘Dank je wel…’ zei de oude rechercheur terwijl hij scherp om zich heen keek.

‘Graag gedaan,’ glimlachte zijn vrouw.

Van Opperdoes keek door de woning. Alles was duur en groot, maar er viel hem niet veel op. Voor de zekerheid keek hij nogmaals in wat lades en onder het matras van het bed, maar niets. Willem had geen kinderen gehad, geen vriendin en geen huisdieren wier naam hij zou kunnen gebruiken. Moedeloos besloot hij weg te gaan, de stille hoop toch nog iets te vinden was vervlogen. Net voor hij vertrok, trok iets zijn aandacht.

Zijn oog viel op een grote ingelijste foto, die boven de bank hing. Vier mannen, in kleding uit de jaren zeventig, liepen achter elkaar op een zebrapad. Een van hen liep op blote voeten en had een sigaret in zijn hand. The Beatles, op Abbey Road. In Van Opperdoes’ hoofd viel een eerste stukje van de puzzel op z’n plek.

Hij liep peinzend naar de slaapkamer. Ook daar hing een poster, fraai ingelijst. Dezelfde vier Beatles, in felgekleurde pakken voor een bloemperk, met daarop een basdrum met daarop de tekst ‘Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band’.

Hij liep terug naar de woonkamer, waar een dure geluidsinstallatie stond. Hij bukte bij de stapel cd’s die er stond. Allemaal muziek van The Beatles, John Lennon en Paul McCartney. In de cd-speler die hij opende… The Beatles.

Voldaan sloot Van Opperdoes de deur weer stevig af en plakte opnieuw stickers van de verzegeling op de deur en de deurstijl.

Загрузка...