De Cock had moeie voeten.
Met een van pijn vertrokken gezicht tilde hij zijn benen omhoog en legde ze heel voorzichtig op zijn bureau. Het was daarbij alsof duizenden kleine duiveltjes met even zovele spelden geniepig in zijn kuiten prikten. Dat was een slecht teken, wist hij. Telkens wanneer de zaken niet naar wens verliepen, wanneer hij het gevoel had steeds verder van de oplossing weg te drijven, vloeide de vermoeidheid in zijn voeten, speelden geniepige duiveltjes hun sadistisch spel.
Wat hem het meest benauwde, was het feit dat de moorden een on-Hollands karakter droegen. Het lag niet zo in de aard van de Nederlander om een mens met nekschoten af te maken. Hij was het in zijn lange recherchepraktijk nog nooit tegengekomen. Het was te kil, te onmenselijk. Hoewel hij altijd de cynische stelling poneerde, dat moord een puur menselijk bedrijf was, lag deze aard van executiemoorden toch buiten zijn gevoelssfeer.
Hij schudde zijn hoofd. Wat dreef de moordenaar om achtereenvolgens Martin van der Meulen, Richard van Slooten en zijn moeder te doden? Wie was die Peter Shot? Een on-Hollandse killer? Welke rol speelde het duo Van Woudrichem-Van Beusekom? Vormden zij het brein achter de overval? Wat voor betrekkingen onderhield Monique van het Veer, de blonde schoonheid, die zo bevallig het bewustzijn verloor? Welke belangstelling had de moordenaar voor een pop in klederdracht? En bovenal… waar waren de geroofde drie miljoen?
De vragen stormden in golven op hem af en de helse pijn in zijn voeten kwam terug, peuterde aan zijn humeur. Hij sjouwde met collega Vledder nu al een volle week bijna dag en nacht achter een reeks lugubere moorden aan en de resultaten waren ronduit povertjes.
Vledder keek zijn oude leermeester bezorgd aan.
‘Heb je het weer?’
De Cock trok zijn rechterbeen iets omhoog en tastte naar een pijnlijke kuit. ‘Het is een familiekwaal denk ik.’ Hij zuchtte diep en legde zijn been weer op zijn bureau.
‘Mijn oude grootmoeder op Urk had het ook. Ik was als kind veel bij haar. Ik hield van mijn Bessie. Ik kende al haar nukken, haar stemmingen. Wanneer er slecht weer op komst was, kon ik dat aan haar zien. Dan had ze moeie voeten.’ Hij glimlachte bij de herinnering. ‘Mijn grootvader viste met zijn botter op wat toen nog de Zuiderzee was. Met de zeiltjes. Motoren waren er niet… of nauwelijks. Het waren maar notendoppen, die bottertjes van toen. En het was altijd weer een zegen als ze behouden terugkeerden. Als mijn Bessie in de lucht keek en wat wolken en windveren zag, dan wist ze het zeker… dan kreeg ze moeie voeten. En die voeten vergisten zich nooit. Als mijn oude Bessie met een van pijn verwrongen gezicht ging zitten en de stoof naar zich toeschoof, dan kon je storm verwachten.’ De grijze speurder staarde wat dromerig voor zich uit. ‘Ik zie haar nog voor me, het oude mens… een tanige huid met duizend lieve rimpeltjes… de fijngeplooide hulle wat scheef op haar hoofd, de donkere kraplap, haar kromgetrokken handen gevouwen in haar boezelaar… steeds tot bidden bereid. Want dat God haar leidsman was, belijdde ze in alle openheid. Als ze ’s avonds naar bed ging en haar hulle met oorijzer afzette, haar milde en al haar rokken uitdeed, bleef er maar weinig van haar over. Als ik haar dan zo ontluisterd zag, was ik vertederd en voelde ik mij bij haar geborgen. Maar het meest hield ik van haar, als ik ’s zondags aan haar hand mee mocht naar de Bethelkerk. Dan zag ze er in haar Urker klederdracht prachtig uit. Dan was ze in mijn ogen mooi… als een majesteit… dan had ik het idee dat alle mensen met ontzag naar haar keken… zo indrukwekkend vond ik haar. De klederdracht van de Urker vrouwen is plechtstatig en stijlvol. Van alle klederdrachten, die ik ken…’
Hij stokte plotseling. De dromerige blik was uit zijn ogen verdwenen. Hij tilde zijn benen van zijn bureau en liep opmerkelijk kwiek naar de kapstok.
Vledder keek hem verward na.
‘Je voeten?’ riep hij verwonderd.
De Cock zwaaide nonchalant.
‘Over.’
Vledder liep hem na.
‘Waar ga je heen?’
De Cock wurmde zich in zijn regenjas en zette zijn oude hoedje op. Daarna draaide hij zich om.
‘Naar de Noordermarkt.’
‘Wat is daar te doen?’
De grijze speurder glimlachte.
‘Daar woont Peter Karstens.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Die schilderijenvervalser, die vent die alles doet wat God verboden heeft?’
De Cock stak zijn wijsvinger omhoog.
‘Een begenadigd kunstenaar.’
Ze liepen vanuit de Warmoesstraat naar de Oudebrugsteeg in de richting van de Nieuwendijk. Het was er druk. Drommen buitenlandse toeristen trokken aan hen voorbij, op weg naar de red-lightdistrict, de befaamde Walletjes, Amsterdams grootste trekpleister. Op de Nieuwendijk was het een stuk rustiger. De Cock trok de kraag van zijn regenjas iets omhoog. De avondlucht was kil. Hij blikte opzij naar Vledder.
‘Die blauwe Jaguar is nog steeds niet boven water?’
De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Ik heb nog geen enkele reactie op mijn telexbericht gekregen. Ik denk dat ik maar eens een berichtje in de krant laat opnemen. Misschien levert dat wat op. De districtsrecherche van de rijkspolitie heeft mij wel de bandensporen uit Drente opgestuurd. Ik heb ze door de TOHD[7] laten vergelijken met de sporen van de Duivendrechtsekade en de Wenckebachweg. Die komen overeen. Geen twijfel mogelijk. Dezelfde wagen.’
‘En de kogels?’
Vledder gebaarde.
‘Uit Doldersum heb ik er maar één. De tweede kogel, die Richard van Slooten velde, is niet in het lichaam blijven steken. De districtsrecherche heeft wel haar best gedaan, maar de kogel bij het bospad heeft ze niet kunnen vinden. Maar die kogel is wel volkomen identiek aan de beide kogels, die uit het lichaam van Martin van der Meulen zijn gekomen.’
De Cock knikte begrijpend.
‘En de kogels die mevrouw Van Slooten doodden?’
‘Die zijn nog in onderzoek. Ik heb nog geen officieel rapport. Maar de mensen van het laboratorium in Rijswijk konden mij nu al zeggen dat ze vrijwel zeker uit hetzelfde wapen komen.’
‘Een revolver.’
Vledder zuchtte diep.
‘De revolver van Peter Shot.’
Ze liepen zwijgend voort, over de Haarlemmerstraat, voorbij het fraai gerestaureerde pand van de voormalige West-Indische Compagnie, waar eens de schatten van Piet Heins zilvervloot lagen opgetast.
Het begon te regenen, een miezerige, druilerige regen, zoals die alleen maar in Amsterdam kan vallen. De Cock trok zijn hoed wat naar voren en hees zijn kraag nog verder omhoog. Aan het einde van de Haarlemmerstraat sjokten ze linksaf de Korte Prinsengracht op. De hoofden gebogen. Via een reeks karakteristieke grachtbruggen bereikten ze de Noordermarkt.
Achter de grote Hervormde Kerk, voor een klein huis met een breed hoog raam, bleef De Cock staan. Midden op de ruit, in sierlijke witte krulletters, stond Peter Karstens en daaronder, in letters van een veel kleiner formaat schilder-kunstenaar.
Vledder keek naast hem omhoog.
‘Wat wil je van hem?’
‘Een schilderij.’
Vledder grijnsde.
‘Een valse Monet… voor je huiskamer?’
De Cock antwoordde niet. Hij schoof de mouw van zijn regenjas iets omhoog en keek op zijn horloge. Het was bijna kwart over tien. Hij stapte naar de deur. Met enig welbehagen rukte hij aan de glimmend gepoetste koperen trekker. Tussen hem en Peter Karstens bestond al jaren een soort liefde-haatverhouding. Die kwam voort uit de botsing tussen de ongebreidelde levensstijl van de kunstenaar en de calvinistisch gebonden ziel van de grijze speurder. Ver weg, in het inwendige van het huis, rinkelde een bel. Luid, indringend.
Het duurde nog geen twee minuten, toen werd de deur geopend. Een man met donkerblond warrig haar, gekleed in een slobberbroek en een zwartzijden glanzende blouse, keek hem aan. De wenkbrauwen gefronsd. Zijn grote bruine ogen glommen van verwondering.
‘De Cock,’ riep hij verrast. ‘Alweer?’
De rechercheur knikte traag.
‘Ik heb erover nagedacht. Bij een vorige gelegenheid heb je mij fantastisch geholpen. Waarom zou ik niet opnieuw een beroep op je doen?’
Peter Karstens bromde. ‘Ik voel er weinig voor om een vaste handlanger van justitie te worden.’
De Cock wuifde de opmerking weg en gebaarde naar de hemel. ‘Het regent, man, laat ons er in.’
De kunstenaar aarzelde even. Toen kwam er een glimlach op zijn gezicht. Hij maakte een lichte buiging en spreidde zijn armen uitnodigend.
‘Kom binnen.’ Het klonk joviaal. Hij keek langs De Cock heen naar de jonge rechercheur. ‘Ik zie dat je je medeplichtige hebt meegenomen.’
De Cock keek hem bestraffend aan.
‘Rechercheurs hebben geen medeplichtigen… alleen maar collega’s.’
Peter Karstens grijnsde.
‘Ook als ze crimineel zijn?’
De Cock reageerde niet. Hoofdschuddend stapte hij aan de kunstenaar voorbij. Na het voorportaal kwamen ze in een hoog diep vertrek. Het was er schemerig. Het enige licht kwam van een straatlantaarn voor het huis, aan de rand van het trottoir. Het wierp lange schaduwen over ezels met half afgemaakte schilderijen. Ook de muren en wanden waren met schilderijen behangen.
Peter Karstens ging de beide rechercheurs voor naar een trap, die aan het eind van het vertrek draaiend omlaag liep. Na een korte smalle gang kwamen ze in een intieme ruimte met een lage zoldering.
De Cock keek rond, zocht naar de betoverend mooie jonge vrouw, met wie Peter Karstens al vele jaren samenwoonde.
‘Is ze er niet?’
De kunstenaar schudde zijn hoofd.
‘Maria is naar haar moeder. Elke donderdag.’ Hij maakte een nonchalant gebaar. ‘Zij noemt het een sociale verplichting.’
De Cock blikte naar een ruwhouten tafel midden in het vertrek. In flakkerend kaarslicht fonkelden fraai geslepen kristallen bokalen. Ze waren schoon en leeg.
‘Niet aan de wijn?’
Peter Karstens plukte aan zijn puntbaardje.
‘Als Maria er niet is, drink ik niet. Van wijn geniet men pas in goed gezelschap.’ Om zijn lippen dartelde een speelse glimlach. ‘Toch ben ik bereid om met jullie een fles open te trekken.’
De Cock nam plaats op een lage houten kruk met rieten zitting en keek toe hoe de kunstenaar met liefde en aandacht een fles rode wijn ontkurkte en de bokalen vulde. In het gele kaarslicht was het een feestelijk schouwspel.
De grijze speurder boog zich naar voren.
‘Ik wil graag dat je een vrouw voor mij schildert.’
De kunstenaar keek verrast op.
‘Een vrouw… welke vrouw?’
De Cock lachte om de reactie.
‘Een vrouw,’ herhaalde hij. ‘Geef haar het gezicht en het figuur van jouw Maria, maar schilder haar in de klederdracht die ik je zal aangeven.’
‘Wat voor een klederdracht?’
De Cock wreef zich achter in de nek.
‘Dat is juist de moeilijkheid,’ sprak hij weifelend. ‘Ik heb het één keer gezien. Het beeld zit vast in mijn geheugen. Ik zal je een gedetailleerde omschrijving geven. Aan de hand daarvan schilder jij die vrouw… con amore. Ik bedoel, ik kan je er geen geld voor geven. Het schilderij blijft ook jouw eigendom. Ik wil het alleen maar even gebruiken voor mijn onderzoek.’
Peter Karstens reikte hem een bokaal.
‘Wat voor een onderzoek?’
De Cock antwoordde niet direct. Hij nam een moment voor concentratie. Langzaam bracht hij de bokaal naar zijn mond. Het was een verrukkelijke wijn. Een bourgogne, proefde hij. Vermoedelijk een Hospice de Nuits St. George. Fluweelzacht gleed de nectar door zijn keelgat. Hij genoot nog even na en zette de bokaal op de ruwhouten tafel.
‘De overval op het geldtransport.’
‘Die drie miljoen?’
‘Ja.’
Peter Karstens keek hem lachend aan.
‘Ben je daarmee bezig?’
De Cock knikte.
‘Al meer dan een week.’
Peter Karstens leunde achterover en trok zijn benen op de bank. Op zijn gezicht lag een milde grijns.
‘Weet je, De Cock, dat ik bijna die overval had gepleegd?’
De grijze speurder keek hem onderzoekend aan.
‘Jij, Peter?’
De kunstenaar knikte nadrukkelijk.
‘Ik kon er het geld niet voor los krijgen… anders had ik die paar miljoen graag in de wacht gesleept.’
Het duurde even voordat De Cock de mededeling had verwerkt.
‘In ernst?’
Peter Karstens gebaarde heftig.
‘Natuurlijk in ernst. Het was een geniaal plan… zo geniaal, maar tegelijk ook zo simpel, dat ik mij erover heb verbaasd dat nooit iemand eerder op die gedachte was gekomen.’
De Cock keek hem verward aan.
‘Wat voor een plan?’
Peter Karstens nam zijn benen weer van de bank. Zijn ogen glansden. ‘Een tweede wagen.’ Hij gebaarde levendig. ‘Een tweede geldwagen, precies in dezelfde kleur en uitvoering als de echte.’ Hij stond op en liep naar een notenhouten kabinetje aan de wand. Uit een laatje diepte hij een aantal foto’s op en gaf ze aan De Cock. Hij bekeek ze aandachtig. Het waren kleurenfoto’s van de geldwagen die op de Geldersekade bij de Nieuwmarkt was klemgereden. Ze waren genomen uit alle hoeken. Elk detail van de wagen was vastgelegd.
Peter Karstens boog zich over hem heen.
‘Zie je, ik had deze foto’s al gemaakt. Ik heb weken achtereen de geldwagen gevolgd en het gedrag van de transporteurs bestudeerd. Ik wist precies hoe het ging… hoe hun route lag… bij welke bedrijven zij het geld ophaalden.’ Hij tikte met zijn wijsvinger op de foto’s in De Cocks hand. ‘Die wagens worden in Frankrijk gemaakt. Ze zijn alleen erg duur… zo duur, dat het mij niet gelukt is om het geld ervoor te bemachtigen.’
De grijze speurder gaf de foto’s terug.
‘Hoe had je dat dan gedacht?’
Peter Karstens nam weer plaats op de bank.
‘In de route van de geldwagen zitten een paar zwakke plekken. Meteen al bij het verlaten van de garage rijdt hij door een paar nauwe drukke straten. Het is heel gemakkelijk om de wagen daar in een file vast te houden. Je zet er simpel een auto voor, die pech krijgt.’ Hij lachte verrukt. ‘Op datzelfde moment rijdt mijn geldwagen de route af. Het is in precies drieënveertig minuten bekeken. Dan zitten de dagopbrengsten in mijn geldwagen.’ Hij pauzeerde even, lachte opnieuw, jongensachtig. ‘Er heerst natuurlijk kostelijke verwarring. Als de echte geldwagen uit de file is losgekomen en zijn route gaat doen, bemerken de transporteurs pas dat een ander hen is voorgeweest.’
De kunstenaar spreidde zijn armen. ‘Zo simpel.’
De Cock keek naar hem op.
‘Je had toch wel medeplichtigen nodig.’
Peter Karstens glimlachte.
‘Dat is geen punt. Ik ken wel een paar luitjes die voor zo’n grap te vinden zijn.’
De Cock knikte traag.
‘Is dat plan uit jouw brein ontsproten?’
De kunstenaar schudde zijn hoofd.
‘Ik heb het van Maria.’
De Cock grinnikte ongelovig.
‘Maria?’
Peter Karstens knikte nadrukkelijk.
‘Maria en ik hebben veel dingen gemeen. We houden ook beiden van een goed glas wijn. We hebben voor ons levensonderhoud niet veel nodig. Dat brengen mijn schilderijen wel op. Maar als onze wijnvoorraad slinkt, gaat Maria een poosje voor een uitzendbureau werken. Wel, op een dag kwam ze met dat plan. Ze had het uitgewerkt gevonden in een bureau van het vervoerbedrijf, waar ze te werk was gesteld. Ze dacht eerst dat het een soort veiligheidsrapport was, maar toen ze verder las, bleek het een plan om snel rijk te worden.’
‘En dat lag daar open en bloot?’
‘Min of meer.’
De Cock keek hem onderzoekend aan.
‘Welk vervoerbedrijf was dat?’
Peter Karstens gebaarde nonchalant.
‘Van Woudrichem en Van Beusekom.’