Vledder stuurde de oude politie-Volkswagen vanaf de Mr. Treublaan de Berlagebrug op. Daarna sloeg hij linksaf naar de Amsteldijk. De jonge rechercheur reed koel, pittig, met het gemak van een ervaren coureur.
De Cock zat stil, wat ineengedoken naast hem. Zijn zware bovenlijf wiegde in de autogordels. De rechercheur overdacht de aanwijzingen die hij tot nu toe had. Het waren er niet veel. Twee mannen hadden heel brutaal op klaarlichte dag een geldtransport overvallen. Bij die overval werd drie miljoen gulden buitgemaakt en werd een van de transporteurs met opzet gedood. Van de beide overvallers werd Richard van Slooten een paar uur later vermoord gevonden op een zanderig bospad bij Doldersum in Drente. En de dader? Van Peter Shot werd gezegd dat hij allang voor de overval van de aardbodem leek verdwenen. Een vreemde zaak. De Cock grinnikte vreugdeloos.
En de drie miljoen?
Hij keek op. Ze reden langs de Amstel. De linkeroever van de oude rivier werd ontsierd door rijen wanstaltige woonboten, die het fraaie uitzicht over het water ontnamen. Het was er rommelig en vuil, met autowrakken aan de walkant. De Cock schudde verdrietig zijn hoofd. Een slap gemeentebestuur liet zijn Amstelstad verloederen. Hij drukte zich wat omhoog.
‘Hoe laat is de begrafenis?’
‘Elf uur.’
‘Heb je een rouwkaart ontvangen?’
‘Nee.’
‘Heb je mevrouw Van der Meulen gesproken?’
Vledder schudde zijn hoofd. ‘Ik heb nog geen contact met haar gehad.’
‘Waarom niet?’
Het gezicht van de jonge rechercheur versomberde. ‘Gisteren, na de gerechtelijke sectie door dokter Rusteloos, droeg ik het lijk over aan de begrafenisondernemer. Die zei mij dat mevrouw Van der Meulen zo door verdriet was overmand, dat ze bijna niet aanspreekbaar was. Ze heeft voortdurend huilbuien en is onder doktersbehandeling. Ze heeft ook geen familie die haar kan bijstaan.’
De Cock knikte begrijpend. ‘Wie heeft dan de begrafenis geregeld?’
‘De heer Van Woudrichem.’
De Cock keek op. ‘Wie is Van Woudrichem?’
Vledder glimlachte. ‘Een aardige jongeman, directeur van het transportbedrijf waarvoor Martin van der Meulen al jaren werkte. Hij heeft alles geregeld en bekostigd en hij heeft mij verzekerd dat hij mevrouw Van der Meulen financieel zal bijstaan, zolang dat nodig mocht blijken.’
De Cock wreef over zijn brede gezicht. ‘Zeer edelmoedig.’ Het klonk wat cynisch. ‘Heb je met hem ook over de overval gesproken?’
‘Dat leek mij niet verstandig. Dat laat ik liever aan jou over. Ik heb hem alleen gebeld… over de begrafenis. Meer niet.’
‘Je hebt hem dus niet persoonlijk ontmoet?’
‘Nee.’
De Cock keek hem aan, zijn wenkbrauwen gefronsd. ‘En je zei dat het een aardige jongeman was?’
Vledder reageerde wat kriegel. ‘Zo kwam hij over… door de telefoon.’
Er was maar weinig belangstelling. Nabij de ingang van de begraafplaats Zorgvlied aan de Amstel stonden slechts enkele wagens geparkeerd. Er was een Renault 4, een Opel en een Datsun. Een roestige eend stond tussen een statige Cadillac en een supersnelle Porsche.
Dick Vledder reed aan de wagens voorbij en parkeerde wat verderop. Ze verlieten de oude Volkswagen en liepen over het grind van de oprijlaan. Het regende een beetje. De Cock trok de kraag van zijn jas omhoog en schoof zijn hoedje wat naar voren.
Bij de ingang van de aula stonden een paar mensen met bedrukte gezichten. Toen de deuren opengingen, schoven ze naar binnen. De Cock nam zijn hoedje in de hand en zocht zich een plekje achteraan tegen de eiken lambrizering. Vledder volgde gedwee. Zware orgelklanken dreunden op hen neer. Toen de laatste klanken waren verstorven, stapte een grijzend heer in een glimmend zwarte toga naar het kathedertje. Hij kuchte indrukwekkend en sprak over de satan die blijkbaar regeerde, nu de mensen, verblind door weelde, de weg naar God niet meer konden vinden.
De Cock luisterde aanvankelijk geboeid, maar de zalvende toon van de heer in toga vervormde de woorden tot ze geen betekenis meer hadden. Ongeraakt gleden ze aan hem voorbij. Hij liet zijn blik over de aanwezigen dwalen. Vooraan zat een jonge vrouw in het zwart. Haar haar was opvallend blond. Ondanks de zwarte hoed en de donkere voile, die haar gezicht bedekte, straalde het met een gouden glans. Rechts van haar op de bank zat een jonge knaap, ernstig, met een bleek gezicht. De Cock schatte hem op zeven, acht jaar. Links naast de vrouw zaten twee meisjes. Ze waren klein en mollig en hadden hetzelfde goudblonde jaar. Hun onderbenen bengelden ritmisch heen en weer, verveeld, onrustig, gekweld door het lange stilzitten.
Schuin achter de jonge vrouw zaten een paar mannen onwennig in hun zondagse kleding. Ze waren groot, breed en bonkig. De Cock schatte hen op collega’s van de vermoorde transporteur. Enigszins gesepareerd zaten twee heren in stemmige, onberispelijk gesneden kostuums. De blik van de grijze speurder bleef een tijdje op hen rusten. Hij plukte nadenkend aan zijn onderlip en vroeg zich af wie van de twee de snelle Porsche reed.
Vanuit de zoldering kwamen opnieuw zware orgelklanken. De heer in toga was weg. Een ploeg dragers schaarde zich aan weerszijden van de baar. Achter hen gleden deuren open. Grauw daglicht stroomde binnen. De dragers tilden de baar op hun schouders en liepen de regen tegemoet. De belangstellenden schuifelden hen na.
De beide rechercheurs bleven nog even in de aula staan. Pas toen de kleine stoet was geformeerd, volgden ze op een afstand.
Vledder veegde de regen uit zijn gezicht. Hij hield niet van kerkhoven en begraafplaatsen. ‘Wat doen we hier feitelijk?’ vroeg hij nukkig.
De Cock keek strak voor zich uit. ‘De laatste eer bewijzen aan een man, die voor de overvaller te gevaarlijk was geworden om hem in leven te laten.’
De jonge rechercheur grinnikte. ‘Doden spreken niet.’
De Cock knikte instemmend. ‘Toch… toch zou ik graag willen weten wat hij had kunnen zeggen.’
Vledder keek hem ongelovig aan. ‘En daarom zijn we hier?’
De Cock gebaarde voor zich uit. ‘Martin van der Meulen was bij de overval betrokken. De vraag is alleen… hoe? Was hij medeplichtig… of een dodelijke getuige?’
Vledder stak zijn handen diep in de zakken van zijn regenjas. Zijn gezicht stond ernstig. ‘Dan zou er ook ergens een relatie moeten bestaan tussen hem en Peter Shot.’
De Cock reageerde niet direct. Er vonkte een idee. Het raderwerk van zijn denken draaide ineens op volle toeren. ‘Misschien,’ sprak hij traag, aarzelend, ‘vermoordde Peter Shot hem wel in opdracht.’
Vledder staarde hem verbaasd aan. ‘Van wie?’
De Cock trok zijn gezicht strak. ‘Van de man die zijn dood wenste.’
Bij een open groeve hield de stoet stil. De dragers schoven de baar van hun schouders. Ze namen het kleed weg en legden de kist op de lift. In een moment van intense stilte klonk het tikken van de regen op het deksel. De jonge vrouw huilde geluidloos en steunde op het kereltje aan haar zijde. Een van de heren in stemmig zwart trad naar voren en zei dat er op verzoek van de familie geen toespraken werden gehouden. Hij stapte terug in de kring. De kist zakte in de groeve. De scherpe blik van De Cock gleed langs de gezichten. De heren in stemmig zwart waren nog jong. Hij schatte hen op voor in de dertig. Onder de bonkige chauffeurs herkende hij een man, die hij jaren geleden eens bij een inbraak had betrapt. Hij trachtte zich zijn naam te herinneren. Het lukte niet. Naast hem prevelde een knappe, atletisch gebouwde man met verstikte stem: ‘Dag… Martin.’
De Cock deed een stap achteruit en sloop van het graf weg. Vledder kwam hem na. Van een afstandje bekeken ze de stoet, die van de groeve naar de uitgang schuifelde.
De jonge rechercheur keek hem van terzijde aan. ‘Gaan we terug?’ vroeg hij huiverend. ‘Ik krijg de kriebels van al die grafstenen.’
De Cock knikte vaag, nadenkend.
Langs een omweg bereikten ze de poort. Alle wagens waren verdwenen. Alleen hun oude Volkswagen stond eenzaam op de parkeerplaats. Plotseling begon Vledder te rennen. De Cock keek hem verbaasd na.
‘Wat is er?’
De jonge rechercheur draaide zich half om. ‘Er zit een vent in onze wagen.’
De Cock herkende op de achterbank de man, die aan het graf ‘Dag Martin’ had gepreveld. Hij keek hem onderzoekend aan.
‘De wagen was niet afgesloten?’
De man schudde zijn hoofd. ‘Het regende. Ik voelde aan de kruk. Die zat los. Toen ben ik maar gaan zitten. Ziet u, ik wil met u praten.’ Hij hield zijn hoofd iets schuin. ‘U bent toch van de recherche?’
De grijze speurder knikte. ‘Ik ben rechercheur De Cock… met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ‘En dat is mijn collega Vledder.’
De man zuchtte omstandig.
‘Ik heet Peter… Peter van der Duin. Normaal ben ik niet zo brutaal, meneer. Dat zit niet zo in me. Het is niet mijn gewoonte om zomaar in een ander zijn auto te gaan zitten. Ik heb ook niet graag iets met de politie te maken. Ik zeg het u eerlijk: jullie zijn mijn vrienden niet. Maar Martin was mijn maatje, mijn gabber. Ik heb jaren met hem op Tsjecho-Slowakije gereden… glas en aardewerk. Ik vond het verdomde jammer dat hij van mij wegging naar de geldtransporten.’
‘Wanneer gebeurde dat?’
‘Een paar maanden geleden.’
‘Waarom?’
Van der Duin verschoof iets op de bank. ‘Rita… de vrouw van Martin… is een knap wijf. U hebt haar gezien. Een raspaardje, om zo te zeggen. Echt wel iets om naar te kijken.’ Hij zweeg even. ‘Als je op het buitenland rijdt, ben je vaak van huis. Soms wel eens meer dan een week. Daar is niets aan te doen. Maar bij de geldtransporten lig je elke avond in je eigen bed… als u begrijpt wat ik bedoel.’
De Cock knikte. ‘Hij vertrouwde Rita niet.’
Peter van der Duin trok een bedenkelijk gezicht.
‘Zo mag u dat niet zeggen. Hij stak voor haar zijn handen in het vuur. Maar er gingen praatjes, op het werk en bij hem in de buurt.’
‘Wat voor praatjes?’
Peter van der Duin aarzelde. Hij antwoordde niet.
‘Wat voor praatjes?’ herhaalde De Cock dwingend.
De man krabde zich achter zijn oor. ‘Rita… Rita zou een verhouding hebben.’
‘Met wie?’
Peter van der Duin aarzelde opnieuw. Hij had duidelijk moeite met het antwoord. Hij likte aan zijn droge lippen.
‘De heer Van Woudrichem.’
De Cock keek hem scherp aan. ‘Een van de directeuren?’
De man knikte met een somber gezicht. ‘Dat werd gezegd.’ Hij legde zijn hand op zijn omvangrijke borst. ‘Begrijp me goed, ik weet niet wat er van waar is. Er wordt zoveel gezegd. Maar Martin was de laatste tijd wel uit zijn doen. Ik begrijp ook niet waarom hij van zijn route afweek.’
De Cock slikte. ‘Wat?’
Peter van der Duin knikte bedaard. ‘Hij had met zijn wagen nooit daar op de Geldersekade mogen komen.’