Vledder gniffelde.
‘De grote speurder laat zich zomaar uit huis jagen.’
Het klonk vrolijk, spottend.
De Cock trok zijn schouders op. ‘Het is haar huis,’ sprak hij gelaten. ‘En wat is er op tegen dat een vrouw de nagedachtenis van haar man in een helder licht wil blijven zien… niet verduisterd door de mogelijkheid dat zijn dood verband zou houden met zijn aandeel in een roofoverval. Ik heb daar wel begrip voor.’ Hij glimlachte. ‘Het is alleen jammer van de koffie. Die rook zo lekker.’
Vledder stuurde de oude politiewagen behendig de Haarlemmerweg op.
‘Zou Martin van der Meulen er echt niets mee te maken hebben?’ De Cock antwoordde niet direct.
‘Weet je, Dick,’ zei hij na een poosje, ‘er zijn in deze zaak zoveel verbindingen mogelijk, zoveel ideale combinaties denkbaar, dat ik soms het gevoel heb dat iedereen bij die roofoverval is betrokken… dat iedereen er iets van wist. Maar welke combinatie van personen je ook rond de overval construeert… welke mensen je er ook bij betrokken acht… er moeten van hen draden lopen naar Peter Shot en mevrouw Van Slooten en haar zoon Richard. Het frustrerende is dat wij van die verbindingen niets kunnen vinden, althans… nog niet.’
Hij zweeg even. Het beeld van de vertoornde Rita van der Meulen drong zich scherp aan hem op. Hij keek schuin omhoog naar Vledder. ‘Heb jij die officiële routebeschrijving wel eens gezien?’
De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Daar heb ik nooit naar gevraagd. Maar die zal in het kantoor van Van Woudrichem en Van Beusekom wel te vinden zijn. De routes van de diverse geldwagens moeten ergens schriftelijk zijn vastgelegd.’
De Cock grinnikte.
‘In het kantoor van Van Woudrichem en Van Beusekom schijnen vele dingen schriftelijk te zijn vastgelegd.’
Vledder knikte instemmend.
‘Bijvoorbeeld… hoe je je op een slinkse wijze van een geldtransport kunt meester maken.’ Hij pauzeerde even, nadrukkelijk. ‘Blijft natuurlijk de vraag hoe dat plan bij jouw vriend Peter Karstens terechtkwam?’
De Cock reageerde niet. De opmerking van zijn jonge collega gleed aan hem voorbij. Hij keek voor zich uit. Strak. De grillige accolades rond zijn mond waren verstard. ‘Het wordt tijd,’ sprak hij grimmig, ‘dat wij het verbod van onze officier van justitie negeren en het edele duo Van Woudrichem en Van Beusekom opnieuw te lijf gaan.’
‘Nu?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het is nog te veel dag. Bovendien wil ik jou daar niet in betrekken.’ Vledder fronste zijn wenkbrauwen. ‘Hetgeen betekent,’ sprak hij traag, ‘dat de acties die jij in je hoofd hebt, het daglicht niet kunnen velen.’
De Cock glimlachte fijntjes.
‘Soms, Dick… soms kun je van die verstandige dingen zeggen.’ Het gezicht van Vledder betrok. De opmerking van de grijze speurder had hem duidelijk getroffen. Hij reed plotseling de wagen naar de rand van het trottoir en stopte. Met een demonstratief gebaar draaide hij het contactsleuteltje om.
De Cock keek verwonderd naar hem op.
‘Wat is er?’
Het gezicht van de jonge rechercheur zag rood. Rond zijn mond lag een verbeten trek. Hij verschoof iets op zijn stoel en friemelde met beide handen aan zijn stropdas.
‘Luister, De Cock,’ zijn stem trilde een beetje, ‘ik wil niet meer dat jij mij in bescherming neemt. Ik ben langzamerhand oud en wijs genoeg om zelf te bepalen wat ik doe of niet doe. Wij behandelen deze zaak samen… als volwaardige collega’s. Ik voel er steeds minder voor om achteraf voor joker te staan als jij de oplossing uit je hoge hoed tovert. Begrijp je, ik wil het onderzoek meedoen… volledig.’
De Cock keek hem schuins, onderzoekend aan.
‘In alles?’
‘In alles.’
‘Ook als ik onzinnige risico’s neem?’
Vledder stak zijn kin naar voren.
‘Ook dan.’
De Cock maakte een berustend gebaar.
‘Goed… vannacht breek ik in.’
‘Waar?’
‘Bij Van Woudrichem en Van Beusekom.’
Vledder parkeerde de Volkswagen op een bijna verlaten parkeerterrein. Toen hij het contactsleuteltje omdraaide, dieselde de oude motor nog een beetje na. Hij schoof zijn mouw wat omhoog en keek op de verlichte wijzerplaat van zijn horloge. Het was bijna twee uur in de nacht. De jonge rechercheur keek opzij naar De Cock, die nog geen aanstalten maakte om uit te stappen.
‘Staan we hier goed, dacht je?’
De Cock knikte.
‘Doe straks de deuren van de wagen maar niet op slot. Als we onverhoopt tot een snelle aftocht worden gedwongen, hebben we weinig tijd te verliezen.’ Hij frommelde uit de zakken van zijn oude regenjas twee lappen en enige paperclips van fors formaat. Hij gaf ze aan Vledder. ‘Hang die om de nummerplaten. Het staat wat slordig als later zou blijken dat er een politiewagen bij een inbraak was betrokken.’
Vledder grijnsde breed. Hij wees door de voorruit naar een verlicht terrein achter een hoog hekwerk. Binnen de immense omheining stonden helrode trucks met opleggers en hoge dubbele vrachtwagens met Van Woudrichem en Van Beusekom in kapitale witte letters. ‘Wat denk je daar te vinden?’
De Cock gebaarde achteloos.
‘Dat weet ik niet precies. Het is zuiver gevoelsmatig. Ik bedoel… dit is niet redelijk doordacht.’ Hij knikte voor zich uit. ‘Ik heb alleen het gevoel dat daar in dat kantoorgebouw voldoende aanwijzingen liggen om de heer Van Woudrichem en zijn compagnon ter verantwoording te roepen, desnoods buiten justitie om.’ Hij snoof verontwaardigd. ‘Die beperkingen, die de officier van justitie ons heeft opgelegd, maken mij razend. Is Van Woudrichem een beter mens dan de doorsnee burger? Waarom mogen wij hem niet rechtstreeks benaderen? Waarom die protectie?’ Hij zuchtte diep. ‘Mij bekruipt wel eens de angstige gedachte dat ons paleis van justitie aan de Prinsengracht steeds meer wordt bevolkt door lieden, die er gewoon voor terugschrikken om de opdringende criminaliteit daadwerkelijk te bestrijden. Hun aarzelingen, hun slap en weifelend gedrag geven de misdadigers alle ruimte om hun duistere praktijken onverminderd voort te zetten. Bovendien wordt door de elastieken tolerantie van onze burgerlijke overheden… door hun vaak zielig aandoende betuttelingen… aan ons zo gehoorzaam politieapparaat alle scherpte ontnomen.’
‘Dat klinkt triest.’
‘Dat is het ook.’
De jonge rechercheur keek zijn mentor bezorgd aan, zijn hoofd een beetje scheef.
‘Je gelooft toch nog in gerechtigheid?’
De grijze speurder blikte naar hem op. Langs de sombere lijnen van zijn strak gezicht gleed plotseling een bevrijdende lach. ‘Als in Onze Lieve Heer.’ Het klonk oprecht, als een belijdenis. Opmerkelijk kwiek stapte hij uit. ‘En het Gij zult niet doden heeft Hij nog niet uit de Geboden geschrapt.’
Ook Vledder verliet de wagen. Glimlachend bevestigde hij de lappen om de nummerplaten. Daarna liepen ze zij-aan-zij langs het hoge hek naar de poort.
De Cock voelde de loomheid uit zich wegzakken. Er waren perioden dat zijn taak hem te zwaar viel, dat hij de neiging had om het moede hoofd in de schoot te leggen. Maar er waren ook zalige momenten, dat hij zijn bloed nog onstuimig kolkend door zijn aderen voelde bruisen, dat hij het intense gevoel had elke uitdaging aan te kunnen.
Zo’n moment was nu.
Bij de zware ijzeren toegangsdeuren met bovenop rijen scherpe, ongenaakbare punten, bleef de grijze speurder staan. Uit zijn broekzak diepte hij het apparaatje op dat hij eens, langgeleden, van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen, toen die voor het smalle pad der deugd koos. Het was een koperen houder, waarin een keur van stalen sleutelbaarden in allerlei fatsoenen. Hij koesterde het geschenk van zijn oude vriend en tegenstander als een kostbaar bezit. Wanneer het zo uitkwam, had hij er omwille van de gerechtigheid een gepast gebruik van gemaakt. In nog geen dertig seconden had De Cock de schoot teruggeschoven en de zware deuren geopend.
Vledder wees ernaar.
‘Is die poort ’s nachts altijd op slot?’
De Cock knikte.
‘Maar elke chauffeur van het bedrijf heeft een sleutel. Mocht een van hen wat laat van de reis terugkomen, dan kan hij zijn wagen altijd nog binnen de omheining zetten.’
Hij schoof de stalen baard in de koperen houder terug. ‘Het is een eenvoudig slot. Ik denk dat de deur van het kantoor meer problemen zal opleveren.’
Zoveel mogelijk in de schaduw van de hoge vrachtwagens slopen ze behoedzaam verder. Na ruim honderd meter bereikten ze het kantoor. Het was een betrekkelijk laag gebouw van twee verdiepingen met een plat dak. De ramen beneden waren met rolluiken beveiligd.
Bij de toegangsdeur concentreerde De Cock zich op het merk en het nummer van het cilinderslot. Daarna schoof hij uit de houder een lange dunne stift en stak die behoedzaam in het slot. Met de gevoelige toppen van zijn vingers tastte hij het inwendige af. Ineens verstarde hij. Zijn brede schouders schokten. Vledder keek hem verschrikt aan.
‘Wat is er?’
De Cock hijgde.
‘De deur is al van het slot.’ Hij wees naar scherpe verse moeten in het hout van de sponningen. Ze waren hem bij de eerste aanblik van de deur niet opgevallen. ‘Opengebroken,’ sprak hij hees. ‘Er moet iemand binnen zijn.’
Vledders hand gleed naar zijn pistool.
‘Zullen we assistentie roepen?’ fluisterde hij gespannen.
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat duurt allemaal veel te lang,’ antwoordde hij zacht. ‘Bovendien kan ik hier geen pottenkijkers gebruiken.’ Hij keek om zich heen en schatte de situatie. ‘Blijf bij deze deur,’ gebood hij dwingend. ‘Na ongeveer twee minuten ga je voorzichtig naar binnen.’
‘En jij dan?’
‘Aan de achterzijde van dit gebouw is nog een deur. Ik denk dat ik ongeveer twee minuten nodig zal hebben om die open te maken. Reken daarbij een minuut om naar de achterzijde te lopen en we gaan ongeveer gelijktijdig naar binnen.’ Hij wees voor zich uit. ‘Achter deze deur hier is een hal met een trap. Het privékantoor ligt op de eerste verdieping, rechts, bijna in het midden. Achter het privékantoor is een vrij groot lokaal, waarin de brandkast staat.’ Vledder keek hem fronsend aan.
‘Hoe weet je dat allemaal?’
De Cock glimlachte.
‘Dit is niet de eerste keer. Ik bedoel, ik was hier al eens voor een onderzoek naar een inbraak. Een paar jaar geleden. De firma Van Woudrichem en Van Beusekom verzorgde toen nog geen geldtransporten. Dat is pas van de laatste tijd.’ Hij tikte Vledder op de schouder. ‘Tel langzaam tot honderdtwintig.’ Toen verdween hij in de schaduw van het gebouw.
De jonge rechercheur telde. Zijn mond vormde geluidloos getallen. Hij voelde nog eens aan het koude staal van zijn pistool. Het gaf hem een gevoel van zekerheid.
Toen hij tot honderdtwintig had geteld, duwde hij de deur voorzichtig open. Er was een ruime hal, zoals De Cock had voorspeld. In het schaarse licht dat van buiten binnendrong, ontwaarde hij een bronzen borstbeeld op een witmarmeren sokkel met daarachter een hardhouten trap met open treden. Hij trok zijn pistool uit de schouderholster en drukte zich langzaam langs de trap omhoog. Boven, op het portaal bleef hij staan en luisterde. Er was geen geluid, hoe gering ook. Een bijna absolute stilte… vreemd, onwezenlijk, dreigend… alsof alles en iedereen de adem inhield.
Voor hem lag een lange, betrekkelijk brede gang met op borsthoogte glas aan beide zijden. Het was er donkerder dan in de hal beneden. Toen zijn ogen aan de duisternis gewend raakten, ontdekte hij aan het einde van de gang een diepgebogen figuur. Groot, breed, massief. Er gleed een glimlach om zijn lippen. Vertederd. Hij herkende De Cock, die op handen en voeten naderbij sloop. Vledder volgde zijn voorbeeld. Ongeveer in het midden van de gang ontmoetten zij elkaar.
De oude speurder gebaarde met zijn duim naar een met bruin leer beklede deur. Het duurde even. Toen, in een flitsende beweging stonden beiden op. Met een forse trap schopte De Cock de deur open en Vledder stormde met zijn pistool in de hand naar binnen. Ongeveer in het midden van het vertrek stond een man met een atletische gestalte. Zijn contouren staken sterk af tegen het licht, dat van buiten door de ramen naar binnen viel. Verschrikt draaide de man zich om.
De Cock scheen hem met een zaklantaarn vol in zijn gezicht.
De mond van Vledder viel open.
‘Dat is… dat is…’
De Cock knikte.
‘Peter… Peter van der Duin.’