19

Peter Karstens keek blij verrast. In zijn grote bruine ogen twinkelde een vrolijk licht. ‘De Cock,’ riep hij uitbundig, ‘ik had je al eerder verwacht.’ Hij maakte een hoofse buiging en spreidde zijn arm uitnodigend. ‘Kom binnen en loop door naar achteren. Maria en ik hebben ons net een glas wijn ingeschonken… een zalige bourgogne uit een verrukkelijk jaar.’ Hij lachte opgewekt. ‘Het mag ook andersom.’ Wat verholen wees hij naar de jonge rechercheur. ‘Je hebt je handlanger weer bij je, zie ik.’

De Cock schudde bestraffend zijn hoofd.

‘Ik kan je woordkeus niet bewonderen. Vledder is geen handlanger… van wie ook.’

Peter Karstens grinnikte.

‘Het is ingebakken. Ik kan er niets aan doen. Je weet hoe ik over gezagdragers denk. In het allergunstigste geval een noodzakelijk kwaad… maar dan wel met de nadruk op het laatste woord.’

De Cock reageerde niet. Hij voelde weinig voor een oeverloze discussie over Wet en Gezag. De standpunten van de kunstenaar en hem lagen daarvoor te ver uiteen. De calvinistische ziel van De Cock hing aan een geordende samenleving en Peter Karstens, zo noemde hij dat zelf ‘rotzooide-maar-wat-an’. Toch bestond er tussen beide mannen een soort band, een vriendschap op basis van wederzijdse waardering.

Hij liet zich langs de draaitrap zakken en stapte via de gang naar het woonvertrek van de schilder. De intieme ruimte met de lage zoldering werd alleen door kaarsen verlicht. Ze stonden gegroepeerd op een ruwhouten tafel naast flessen rode wijn en fraai geslepen kristallen bokalen. Twee ervan waren half gevuld.

Maria zat schuin op een brede leren bank. De Cock bleef in bewondering staan. Ze was mooi, stelde hij vast, uitzonderlijk mooi. In het bleke schijnsel van het kaarslicht was ze van een bijna serene schoonheid. Haar matbleke huid glansde zachtjes, trilde in het dansende licht. Boven een korte zwarte rok met een brede split, droeg ze een ruim geplooide blouse, die haar boezem nauwelijks verhulde. Lang zwart haar golfde over haar halfblote schouders.

Ze kwam van de bank overeind, langzaam, met gracieuze bewegingen en drukte hem de hand.

Hij hoorde hoe achter zich de adem van Vledder stokte. De Cock liet haar hand los en draaide zich half om. Zelfs in het halfduister zag hij dat het gezicht van zijn jonge collega kleurde. Het verbaasde hem niet. Wat zwierig gebaarde hij in zijn richting.

‘Dick Vledder,’ stelde hij voor, ‘mijn onvolprezen hulp.’ Ze wiegde twee stappen op hem toe.

‘Maria… Maria Kappelman.’

Haar stem klonk zwoel, ademde een belofte.

Vledder had er moeite mee. Zijn bewegingen waren houterig, hoekig. De schoonheid van de jonge vrouw had hem duidelijk in de ban.

Peter Karstens keek van een afstandje toe.

‘Maria stamt van een geslacht,’ riep hij spottend, ‘dat vele heksen heeft voortgebracht. Ik zou maar oppassen, voor je het weet ben je haar slaaf.’ Hij wenkte De Cock naderbij en liep naar een schildersezel in een hoek van het vertrek. Het doek op de ezel was met een linnen lap bedekt. Met enige zwier, als onthulde hij een monument, trok Peter Karstens de lap weg.

‘Voilà… jouw schilderij.’

De Cock bleef een paar minuten in bewondering staan. Hij herkende Maria in een danspose, die al haar schoonheid tot expressie bracht. De rok, de blouse, de laarsjes die zij droeg… ze hadden de vorm en de kleur van de pop in klederdracht, precies zoals die in zijn gedachten lagen verankerd. De stijve pop was alleen omgetoverd tot een tintelende vrouw, door de kunstschilder met meesterhand tot leven gewekt.

De Cock spreidde zijn beide handen naar het schilderij. ‘Prachtig, Peter, werkelijk prachtig. Als mijn ambtenarensalaris het toestond, kocht ik het van je.’

De kunstschilder glunderde onder de lof.

‘Ik heb een zacht prijsje… een kistje goede wijn.’

De Cock reikte hem tot akkoord de hand.

‘Ik ken je smaak.’

Ze namen plaats om de tafel met de kaarsen en Peter Karstens schonk fonkelende rode wijn in de kristallen bokalen. Eerst na het tweede glas gebaarde De Cock naar Maria.

‘Op de tong van mijn collega Vledder ligt al lange tijd een brandende vraag.’

Ze keek hem verwonderd aan.

‘Aan mij?’

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Ik zal de vraag maar voor hem stellen, want ik heb de indruk dat jouw verschijning hem sprakeloos heeft gemaakt.’ Hij blikte schuins naar Vledder, die zich nog steeds niet op zijn gemak voelde. ‘De vraag luidt: Heb jij wel eens bij het transportbedrijf van Van Woudrichem en Van Beusekom gewerkt?’

Maria Kappelman schudde haar hoofd.

‘Nooit.’

Peter Karstens keek haar verward aan.

‘En jij hebt mij van dat plan verteld voor die overval op het geldtransport.’

‘Dat heb ik je verteld, ja.’

Peter Karstens boog zich met een ruk naar voren.

‘Dat plan lag toch in het kantoor van Van Woudrichem en Van Beusekom.’

‘Dat zal wel.’

Peter Karstens slikte.

‘Hoe kom jij dan aan dat plan?’

Maria Kappelman trok wat onverschillig haar schouders op. ‘Dat heb ik gehoord… van een meisje. Ik ontmoette haar destijds vrij geregeld bij dat uitzendbureau, waarvoor ik werkte. Wanneer het zo uitkwam, dronken we samen ergens een kop koffie. Ze had dat plan op het kantoor van dat transportbedrijf gevonden. In een lade van een bureau. Ze maakte er een grapje over. Je zou een man moeten vinden, zei ze, die het aandurft.’

De Cock glimlachte beminnelijk.

‘En toen dacht jij aan Peter.’

Ze maakte een vaag gebaar.

‘Och, dat was eerst maanden later. Het kwam toevallig ter sprake, toen onze wijnvoorraad weer eens bedenkelijk was geslonken.’

Vledder vond zijn stem terug.

‘Hoe heette dat meisje?’

Maria Kappelman keek naar hem op.

‘Monique.’

‘Van het Veer?’

Ze glimlachte fijntjes.

‘Naar haar achternaam heb ik nooit gevraagd.’


Vledder beende onrustig de recherchekamer op en neer.

‘We moeten haar arresteren.’

‘Wie?’

‘Monique van het Veer.’

‘Op grond waarvan?’

Vledder bleef bij het bureau van zijn oude leermeester staan en keek hem verwonderd aan. ‘Op grond waarvan?’ herhaalde hij. ‘Het is toch wel duidelijk dat ze er tot haar nekharen in zit.’

De Cock knikte traag.

‘Dat zit ze. Maar wat kunnen we haar concreet ten laste leggen… medeplichtigheid… mededaderschap? Noem maar wat op?’ Vledder gebaarde heftig.

‘Ze heeft ons van het begin af aan op een dwaalspoor gebracht. Ze heeft ons doen geloven dat Peter Shot de overval heeft gepleegd.’

De Cock grinnikte.

‘En? Mag dat niet? Noem mij maar eens een wetsartikel dat dat verbiedt.’ Hij leunde wat achterover. ‘Wat is haar rol, voor zover wij die kennen? Ze kwam uit eigen beweging spontaan aan dit bureau vertellen dat haar verloofde Richard van Slooten de overval had gepleegd samen met Peter Shot… een verknipte junk met een revolver. Ze vertelde ook dat ze bij de voorbesprekingen aanwezig was geweest. Maar verder… we kennen van haar geen enkele uitvoeringshandeling… geen enkele daad.’ Hij zuchtte diep. ‘Naar aanleiding van het verhaal van Maria Kappelman gisteravond, heb ik nog een moment aan uitlokking gedacht en daar had ik ook wel wat voor gevoeld als… als de overval was uitgevoerd op de wijze zoals blijkbaar in dat plan omschreven.’

‘Je bedoelt op de manier waarop Peter Karstens te werk had willen gaan. Het verwisselen van wagens.’

De Cock knikte.

‘De werkelijke overval gebeurde echter op een heel andere manier… veel directer… veel gewelddadiger. De vraag is: Wie bracht dat element er in?’

Vledder keek hem nadenkend aan.

‘Misschien toch Peter Shot. Misschien was het plan wel van hem afkomstig en heeft men voor de uitvoering een ander genomen toen bleek dat Peter Shot daartoe lichamelijk niet meer in staat was.’

De Cock schudde wrevelig zijn hoofd.

‘Als Peter Shot werkelijk bij de overval was betrokken, dan had Monique van het Veer ons nooit zijn naam genoemd.’

Vledder reageerde verrast.

‘Ze noemde toch ook,’ riep hij verontwaardigd, ‘de naam van Richard van Slooten.’

De Cock kneep zijn lippen samen.

‘Zeker, maar wel op een moment,’ sprak hij bitter, ‘dat zij wist dat Richard van Slooten met twee kogels in zijn nek dood op een bospad bij Doldersum lag.’

Vledder keek hem verbijsterd aan.

‘Wat?’

Marijn Stoops kwam dreunend de recherchekamer binnen en liep naar het bureau van De Cock.

‘Ik heb gisteravond aan die griet in Duivendrecht die foto’s laten zien.’

‘Monique van het Veer.’

Marijn Stoops knikte.

‘Wat een meid… wat een kapsones… als ik per jaar verdiende wat die zich per uur verbeeldt, dan had ik een knap salaris.’

De Cock lachte.

‘Hoe reageerde ze?’

Marijn Stoops gebaarde wat nonchalant.

‘Ze leek me een tikkeltje nerveus. Maar dat zegt niets. Dat wordt mijn vrouw ook als je die een stelletje foto’s van een dooie vent onder haar fraaie neus schuift.’ Hij trok uit de rechterzijzak van zijn colbert een bruine envelop met foto’s en wierp die op het bureau van De Cock. ‘Dat is Peter Shot.’

‘Dat zei ze?’

‘Ja.’

‘Meer niet?’

Marijn Stoops grijnsde onder zijn snor.

‘Ik ben blij dat die viezerik zich eindelijk heeft doodgespoten.’

‘Had je haar verteld dat hij een overdosis had gekregen?’

Marijn Stoops schudde resoluut zijn hoofd.

‘Ik heb haar alleen die foto’s laten zien en gevraagd of ze die man kende.’

‘Ze vroeg dus niet hoe hij om het leven was gekomen?’

Marijn Stoops frunnikte aan zijn snor.

‘Nee… gek… het leek alsof ze dat al wist.’


Vledder stuurde de politiewagen behendig door het drukke verkeer van de oude binnenstad. De Cock zat met het schilderij op zijn schoot naast hem. Opnieuw genoot hij van de speelse lijnen en de tintelende kleuren… de witte open blouse met pofmouwen, rouches en volanten… een uitbundige roos met fleurige linten… een wijde korenbloemenblauwe rok met randen vol kleurrijk borduursel…

‘Peter Karstens,’ sprak hij bewonderend, ‘is een groot kunstenaar.’

Vledder blikte opzij.

‘Wat verwacht je van dat schilderij?’

Het klonk schamper.

De Cock reageerde niet direct.

‘De vraag waarom de moordenaar die pop uit het kamertje van mevrouw Van Slooten wegnam, heeft mij nooit losgelaten. Het was volgens mij een fout.’

Vledder trok zijn wenkbrauwen op.

‘Waarom?’

De Cock hield het schilderij met beide handen iets omhoog.

‘Hij was te zorgvuldig.’

‘Dat begrijp ik niet.’

De Cock zakte wat onderuit.

‘Ik denk,’ sprak hij traag, ‘dat de moordenaar bang is geweest dat de pop een spoor kon vormen in zijn richting. Maar als hij die pop gewoon op het dressoirtje had laten staan, dan had ik er nooit enige betekenis aan gehecht. Het is niets bijzonders. In veel woningen zie je poppen in klederdracht staan.’

Vledder vond een parkeerplaatsje bij het bronzen beeldje, voorstellende een baldadig straatjochie, dat door de Amsterdammers vertederend het Lieverdje werd genoemd.

Ze stapten uit en liepen het Duitse reis- en informatiebureau binnen. Vanuit een kantoortje kwam een jonge vrouw naar hen toe.

De Cock tilde het schilderij op de balie.

‘Waar dragen ze dit?’

De jonge vrouw reageerde verwonderd. ‘U bedoelt die klederdracht?’

‘Ja.’

Ze maakte een onzeker gebaar.

‘Dat weet ik niet. Ik zal het aan mijn chef vragen.’

Ze liep weer naar het kantoortje en kwam terug met een kleine, wat gezette man. Hij zette zijn bril op en bekeek het schilderij aandachtig.

‘Dat is Bohemen.’

‘Is dat Duits?’

De man schudde lachend zijn hoofd. ‘Het behoorde vroeger aan Oostenrijk, maar sinds de Eerste Wereldoorlog is het een deel van Tsjecho-Slowakije.’

Загрузка...