De hemelsblauwe Jaguar raasde over de snelweg.
Richard van Slooten kwam wat tot rust. De intense spanning die zijn denken had verdoofd, ebde weg. Hij leunde behaaglijk achterover en stak een sigaret op. Het geluid van de politiesirenes was allang verstomd, trillend achtergebleven onder de rook van Amsterdam. Glimlachend blikte hij opzij.
‘Daar zijn we mooi uitgekomen. Verrekte mooi. Toen ik op de Wenckebachweg die dienders zag staan, dacht ik: dit is het einde, nu is het afgelopen.’ Hij glimlachte opnieuw en schuurde met zijn rug tegen de leuning. ‘Ik ga er weer helemaal in geloven.’ Hij draaide zich half om en keek met een vertederde blik naar de stapel geldzakken op de achterbank. ‘Hoeveel schat jij?’
Peter stak zijn kin iets naar voren. ‘Ik behoef niet te schatten,’ sprak hij hooghartig. ‘Ik weet wat erin zit.’
‘Hoeveel?’
‘Drie miljoen.’
Richard glunderde. ‘Drie miljoen.’ Hij proefde de woorden op het puntje van zijn tong. ‘Een bom duiten. Dat is… dat is anderhalf miljoen per man.’
Peter negeerde de opmerking. Met ruim honderdzestig kilometer per uur gleed hij langs een rij vrachtauto’s. ‘Hoe laat is het nu?’ vroeg hij scherp.
‘Kwart voor twaalf.’
Peter knikte voor zich uit.
‘Kwart voor twaalf,’ herhaalde hij nadenkend. ‘Het wordt tijd dat wij de snelweg verlaten. De politie zal inmiddels op de Duivendrechtsekade de rode Alfa Romeo wel hebben gevonden. Op het moment dat zij erachter komen dat wij met deze Jaguar op weg zijn, hebben we een blokkade voor ons neus.’
Hij keek ineens naar Richard, naar de rook, die kringelend van zijn sigaret opsteeg. ‘Waar heb je je handschoenen?’ riep hij gespannen.
Richard reageerde wat verstoord. ‘In mijn zak.’
‘Hoe lang al?’
Met licht trillende vingers drukte Richard zijn sigaret uit.
‘Dat… eh, dat weet ik niet.’
Peter snoof verachtelijk. Er stegen blosjes naar zijn wangen en zijn neusvleugels begonnen te vibreren.
‘Heb je ze al uitgedaan in de Alfa Romeo?’
Richard trok zijn schouders op. Zijn gevoel van onrust kwam terug.
‘Dat kan wel.’
Peter schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Hoe lang gap je al? Waar zitten je hersenen? Het eerste wat ze in Amsterdam doen, is die Alfa Romeo grondig op vingerafdrukken onderzoeken.’ Hij zuchtte diep. ‘Ik wed dat ze nu al weten dat een van de overvallers ene Richard van Slooten is.’ Hij keek nog eens opzij, scherp observerend. Daarna kneep hij zijn ogen even dicht en projecteerde het profiel op zijn netvlies. Toch, zo overdacht hij, een te weke kin.
Vledder legde de hoorn terug op het toestel. ‘Dat is snel werk van de Dactyloscopische Dienst,’ sprak hij bewonderend. ‘Ze hebben in die Alfa Romeo de vingerafdrukken gevonden van Richard van Slooten.’
De Cock keek op. ‘Kennen wij hem?’
Vledder knikte gretig. ‘Hij moet pas los zijn. Een maand of tien geleden was hij nog bij ons aan de Warmoesstraat. Ik herinner mij hem nog wel; een jaar of vijfentwintig. Het type van een knap gozertje. Een echt binkie. Gesoigneerd. Goed in de kleren. Zijn moeder bracht bij de wachtcommandant altijd eten voor hem. De kost die wij hem gaven, was niet goed genoeg.’
‘Wie heeft hem destijds behandeld?’
‘Collega Zwakenberg.’
‘Waarvoor?’
‘Diefstal uit een auto. Een peperdure camera. Hij werd door een paar dienders op heterdaad betrapt, zittend achter het stuur, de camera in zijn hand. Die diefstal is hem ten laste gelegd en voor dat feit is hij ook voor de officier van justitie geleid, maar volgens Dries Zwakenberg was het Richard van Slooten niet te doen om hetgeen er in de auto lag.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Waarom dan?’
‘Om de auto zelf. Dat is de specialiteit van Richard van Slooten, het stelen van auto’s, dure, exclusieve wagens… Daimlers, Triumphs en Jaguars. Hij is daarvoor al ettelijke malen veroordeeld.’
‘En dat is alles?’
Vledder keek hem aan. ‘Hoe bedoel je?’
‘Geen geweldmisdrijven?’
De jonge rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Zo’n jongen is het niet. Als je het mij vraagt, is Richard van Slooten niet echt kwaadaardig. Hij heeft zich ook bij zijn arrestaties nooit verzet.’
De Cock begon aan zijn brede neus te plukken. ‘Heeft hij matjes, vriendjes… medeplichtigen?’
‘Niet dat ik weet. Ik zal hem straks nog even bij Info natrekken, maar zover mij bekend, opereerde Richard altijd alleen. Zijn enige relatie in het kwaad was een autohandelaar in de buurt van Enschede. Een al wat oudere man. Hij kocht van Van Slooten gestolen wagens, voorzag ze van nieuwe motor- en chassisnummers en verkocht ze met vervalste papieren en kentekenplaten in Duitsland. Ze hebben beiden jarenlang goede zaken gedaan, tot onze afdeling autodiefstallen de lijn oprolde.’ Vledder zweeg even en schudde zijn hoofd. ‘Richard van Slooten past niet zo goed in het beeld van een brute overval met dodelijk geweld.’
Peinzend betastte De Cock zijn kin. ‘Misschien was hij er wel niet bij.’
Vledder keek verrast op. ‘Ik begrijp je niet.’
Met beide handen gebarend verduidelijkte De Cock: ‘Misschien nam Richard van Slooten wel helemaal niet aan de overval deel.’
Vledder grijnsde. ‘En zijn vingerafdrukken?’
‘Die vingerafdrukken liet hij in de Alfa Romeo achter toen hij de wagen jatte.’
Vledder glimlachte breed. Zijn blik verhelderde. ‘Dat is helemaal geen gek idee,’ riep hij bewonderend. ‘Zijn specialiteit. Richard van Slooten jatte een Alfa Romeo voor twee jongens die voor een overval een snelle wagen nodig hadden. Meer niet.
En het zou mij niets verbazen als hij ook een tweede vluchtwagen voor de overvallers had gereserveerd.’ Ineens verstarde de jonge rechercheur, een ogenblik maar. Toen begon hij wild tussen de stapel papieren op zijn bureau te zoeken.
De Cock keek hem verwonderd aan. ‘Wat is er?’
‘Een Jaguar.’
‘Wat voor een Jaguar?’
Vledder zocht verwoed verder. ‘Op de Wenckebachweg. In Duivendrecht. Ik heb ergens een rapportje gelezen van twee dienders van een surveillancewagen, die op de Wenckebachweg bij een vermoedelijk gestolen Jaguar stonden, toen de rode Alfa Romeo hen voorbij stoof.’
‘En?’
‘Die wagen was later weg.’
Peter reed de snelle Jaguar met een matig gangetje door de oude dorpskern van het Drentse Diever. Als hij in de achteruitkijkspiegel keek, kon hij het topje van de stapel geldzakken op de achterbank zien. Het gaf hem een opwindend gevoel van macht.
Richard van Slooten veegde met zijn zakdoek langs het notenhouten dashboard en de stijlen van de deur. Hij blikte even door de voorruit, toen de wagen een scherpe bocht maakte. ‘Waar gaan we heen?’
Peter ontweek de vraag.
‘We zijn er zo. Nog een paar minuten.’ Hij zwaaide geïrriteerd met zijn rechterhand. ‘En laat dat geveeg. Dat heeft toch geen nut meer. Als je geen vingerafdrukken achterlaat, behoef je ze ook niet weg te vegen.’
Richard borg haastig zijn zakdoek op. Hij voelde zich verward en onzeker. Hij had graag weer een sigaret willen opsteken, maar durfde niet. Langzaam groeide in hem een vage angst voor die kille, koelbloedige man aan het stuur naast hem.
Buiten Diever verhoogde Peter de snelheid van de wagen. Zijn gezicht stond strak, had bijna geen expressie. De immense schoonheid van het Drentse landschap gleed aan hem voorbij. Onopgemerkt. Hij zag slechts de weg voor zich en hij luisterde naar het zoeven van de banden over het asfalt. Een paar kilometer voorbij Doldersum remde hij plotseling sterk af en reed een zanderig bospad in.
Richard keek verwonderd om zich heen. ‘Wat doen wij hier?’ Peter stopte de wagen en trok de handrem aan. ‘Afscheid nemen.’
Rechercheur De Cock leunde achterover in zijn stoel en tilde zijn beide benen op de rand van zijn bureau. Zijn breed, wat grof gezicht met de vriendelijke trekken van een goedaardige boxer, stond somber. De grijze speurder vond dat het onderzoek naar de overval slecht was gestart. Als het een omen was, overdacht hij, een voorteken, dan kon hij van de toekomst weinig goeds verwachten. Hij keek naar Vledder, die een aanvullend telexbericht samenstelde.
‘Ik vrees dat we te laat zijn,’ sprak hij triest. ‘Als de overvallers zo professioneel zijn als ik ze inschat, dan hebben ze ook de Jaguar al verlaten en zijn met hun derde vluchtwagen op pad. Er steekt een goed brein achter het geheel. De improvisatie toen ze ontdekten dat er een paar dienders bij hun tweede vluchtwagen stonden, getuigt bovendien van grote koelbloedigheid.’
Vledder tikte op het telexformulier. ‘Zal ik het toch maar verzenden?’
De Cock knikte heftig. ‘Zeker, dat telexbericht moet eruit. Die Jaguar moet boven water komen. Hoe dan ook.’
Vledder schudde bedroefd zijn hoofd. ‘Stom, dat ik bij het lezen van het rapport van die dienders niet onmiddellijk heb gereageerd. Als ik direct het verband had gezien, hadden we misschien nog een kansje gehad. Wie weet hoe ver ze met die Jaguar hebben gereden.’
De Cock deed zijn best hem gerust te stellen. ‘Zulke dingen gebeuren. Wij zijn geen robotten.’ Hij stond op en schonk zijn jonge collega een milde glimlach. ‘Kom,’ sprak hij vriendelijk, ‘trek je jas aan.’
Vledder keek verwonderd omhoog. ‘Waar gaan we heen?’
Zijn leermeester slenterde naar de kapstok. Pas toen hij zijn oude vilten hoedje op zijn hoofd had, keerde hij zich naar Vledder en beantwoordde zijn vraag.
‘Naar een moeder,’ grapte hij vrolijk, ‘die vond dat het eten aan de Warmoesstraat voor haar zoon niet goed genoeg was.’
‘Mevrouw Van Slooten.’
De Cock knikte. ‘Je hebt toch haar adres?’
Vledder parkeerde hun politie-Volkswagen op het middenpleintje van de Palmgracht. Ze stapten uit en wandelden naar de Driehoekstraat. Voor een fraai gerenoveerd geveltje bleven ze staan. De Cock keek omhoog. Steeds weer verraste hem de intimiteit van de huisjes in de Jordaan.
‘Is het hier?’
Vledder plukte een papiertje uit het borstzakje van zijn colbert. ‘Het klopt, nummer 79, één hoog.’
De buitendeur stond op een kier. De Cock drukte die verder open en hees zijn negentig kilo moeizaam langs een krakende trap omhoog. Vledder volgde met lichte tred.
Op het portaal van de eerste etage bleven ze staan en klopten aan. Het duurde enige tijd voor de deur werd opengedaan door een omvangrijke vrouw in een glimmend zwarte kimono met wijde mouwen en exotische borduursels. Ze trok haar wenkbrauwen vragend op.
De grijze rechercheur maakte een lichte buiging en nam beleefd zijn hoedje af. ‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij beminnelijk. ‘De Cock… met ceeooceekaa.’ Hij wees naast zich: ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van de politie en doen dienst aan het politiebureau in de Warmoesstraat.’ Hij pauzeerde even. ‘U bent mevrouw Van Slooten?’
Ze trok haar kin iets op.
‘Dat ben ik.’
De Cock speelde met zijn hoedje in zijn hand.
‘Wij wilden eens met u praten… over uw zoon… Richard.’
Ze kneep haar ogen half samen.
‘Hebben jullie hem weer vast?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Wij zijn bang,’ sprak hij wat timide, ‘dat hij bij een ernstig misdrijf betrokken is.’
Ze snoof minachtend.
‘Bang… bang ben ik al meer dan tien jaar. Sinds dat kreng van school is, beleef ik met hem de ene ellende na de andere. En steeds maar weer mooie praatjes dat het echt de laatste keer is geweest.’
Met de knop van de deur in haar hand, deed ze een stap opzij. ‘Kom binnen en kijk niet naar de rotzooi. Ik had vanmorgen een barstende koppijn. Ik ben net mijn bed uit.’
De Cock keek rond. Het kamertje was propvol gemeubileerd met pietepeuterige kastjes aan de wanden, glanzende tafeltjes, zijden poefs en ranke stoelen met gebogen poten in een rococoachtige stijl. Een grote kleurenfoto van een blonde jongeman in een zilveren lijst en een fraaie pop in een uitheemse, bonte klederdracht sierden een miniatuur dressoirtje.
De rechercheur wees naar de zilveren lijst. ‘Is dat hem?’
Mevrouw Van Slooten deed de deur dicht en knikte.
‘Als hij wilde deugen… een schat van een jongen. Geloof me, er zit geen kwaad bij.’ Ze kwam wat dichterbij en zuchtte omstandig. ‘Maar hij heeft de aard van mijn exman… een hang naar luxe. Alles moet duur zijn aan hem. Anders is hij niet tevreden. Dure hemden, dure kostuums, dure auto’s… dure vrouwen. Het fijnste is nog niet goed genoeg.’
De Cock nam de foto op en bekeek hem aandachtig. Vledder had gelijk, Richard van Slooten was in zijn soort een knappe jongeman. Regelmatige trekken, helblauwe ogen en hoogblond haar. Hij zette de foto terug op het dressoir en draaide zich naar de vrouw toe.
‘Er is vanmorgen een gewapende overval gepleegd op een geldtransport. De wagen met geld werd op de Nieuwmarkt klemgereden door een snelle Alfa Romeo. Er sprongen twee mannen uit. Ze dwongen de transporteurs om uit hun wagen te komen en de achterdeur te openen. Daarna schoten ze er een neer.’
Mevrouw Van Slooten sloeg van schrik haar hand voor haar mond. Haar hals kleurde. ‘Dood?’
De Cock knikte traag. ‘Een vader van drie kinderen.’
Ze liet zich op een poef zakken. Haar gezicht zag bleek. ‘Dat heeft Richard niet gedaan,’ sprak ze toonloos. ‘Richard niet. Die heeft geen revolver. Dat moet die ander zijn geweest.’
De Cock keek haar strak aan.
‘Welke ander?’
Mevrouw Van Slooten antwoordde niet. Ze zat wat ineengedoken. Haar hoofd voorover.
De Cock knielde bij haar neer. ‘Welke ander?’ riep hij dwingend. Ze schudde haar hoofd en snikte. ‘O god… O god.’ Ze hief haar betraand gezicht naar hem op. ‘Ik kan toch mijn eigen kind niet verraden?’