Klonten donkerrood bloed kleefden aan haar grijzende haren. De Cock streek die haren voorzichtig opzij. Bij de halswervels, kort naast elkaar, ontwaarde hij twee donkeromrande schotwonden. Een dunne streep geronnen bloed kronkelde langs haar onderkin omlaag. Het had onder haar gezicht een plasje bloed gevormd op het kleed.
Vledder, achter hem, slikte. ‘Nekschoten. Net als bij Richard en bij Martin van der Meulen.’
De Cock klemde zijn lippen op elkaar. ‘Het handelsmerk van een moordenaar,’ sprak hij wrang.
Hij kwam moeizaam uit zijn gebukte houding omhoog. Zijn oude knieën kraakten. Vanuit de hoogte keek hij nog eens op het slachtoffer neer. Ze had geen enkele kans gehad, bedacht hij somber. Wat wild gebaarde hij naar Vledder. ‘Waarschuw de meute.[5]’
Toen de jonge rechercheur vertrokken was, liet De Cock zijn blik door het kamertje dwalen. Nauwkeurig nam hij alles in zich op. Hij kon dat. In zijn lange loopbaan als rechercheur had hij een bijna fotografisch geheugen ontwikkeld. Geen enkel detail, hoe gering ook, ontging hem.
Het kamertje bood vrijwel dezelfde aanblik als bij hun bezoek aan de vrouw een paar dagen geleden. Op het miniatuur dressoir, aan weerszijden van de zilveren lijst met een kleurenfoto van Richard van Slooten, stond nu een rank vaasje met een witte orchidee.
De Cock bleef er even naar kijken. Het beeld ontroerde hem. De twee witte orchideeën vormden in hun kille schoonheid het symbool van een intens verdriet. Ineens besefte hij hoeveel die vrouw van haar zoon had gehouden. Het was een liefde die hij niet had gebruikt. Hij had aan die liefde te weinig aandacht geschonken, er onvoldoende aan geappelleerd. Plotseling bekroop hem het verlammende gevoel te hebben gefaald. Hij was niet attent geweest, niet alert. Hij had het doodsbericht van Richard van Slooten zelf moeten brengen. Hij had het niet aan anderen moeten overlaten, haar te vertellen dat haar zoon in Drente op gruwelijke wijze was vermoord.
Hij wierp een blik op de vloer, naar de dode vrouw in haar opzichtige kimono. Die doodstijding was psychologisch gezien het juiste moment geweest om haar tot grote openhartigheid te bewegen. In de ban van haar intens verdriet had ze misschien gesproken… over haar zoon, over Peter Shot, over medeplichtigen, over al die macabere dansers rond het gouden kalf van drie miljoen. De terugkomst van Vledder verbrak zijn overpeinzingen.
De jonge rechercheur duimde achter zich.
‘Ze komen eraan.’
Bram van Wielingen stapte hijgend binnen. De al wat oudere politiefotograaf klapte zijn zware metalen koffer op een poef en klikte het deksel open. Hij koos uit de collectie fototoestellen een fraaie Hasselblad en monteerde een film. Onderwijl blikte hij even naar De Cock. ‘Zit je weer in de ellende?’
De grijze speurder lachte. ‘Daar heb ik mijn beroep van gemaakt.’
Bram van Wielingen knikte instemmend. ‘De gewone serie of heb je nog bijzondere wensen?’
De Cock knikte. Hij draaide zich half om en wees naar de zilveren lijst en de twee orchideeën in hun vaasje. ‘Daar wil ik een aparte plaat van.’
Bram van Wielingen maakte een nonchalant gebaartje.
‘Zo je wilt,’ sprak hij gelaten. Hij pakte zijn Hasselblad en richtte op het tafereeltje. Ineens liet hij zijn toestel zakken en keek naar De Cock op. ‘Waarom?’
Hij zag een moede glimlach op het gelaat van De Cock.
‘Uit sentimentele overwegingen. Meer niet. De jongen op de foto is haar enige zoon. Hij werd vier dagen geleden vermoord.’
Bram van Wielingen fronste zijn wenkbrauwen. ‘Is dat die jongen van de overval?’
De Cock knikte. Hij gebaarde naar de dode op de vloer. ‘Vier dagen geleden was ik nog bij haar. Hier in ditzelfde kamertje. Als ze mij toen alles had verteld, had ze nu nog geleefd.’
‘Was haar zoon toen al vermoord?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Nee… althans, ik wist het nog niet. Het was een paar uur na de overval. Ben Kreuger van de Dactyloscopische Dienst had net de vingerafdrukken uit de eerste vluchtwagen als die van haar zoon geïdentificeerd.’
Bram van Wielingen knikte begrijpend.
‘Hebben jullie die Peter Shot al?’ De Cock zuchtte. ‘Die is spoorloos.’
De jonge Vledder, die het gesprek nauwlettend volgde, strekte grijnzend zijn arm naar de dode vrouw in haar zwarte kimono. ‘Je kunt het nauwelijks “spoorloos” noemen,’ schertste hij. ‘Hier ligt duidelijk zijn visitekaartje.’
De Cock scheen het grapje niet zo te waarderen. Hij reageerde niet. Bram van Wielingen bracht zijn Hasselblad in stelling. Zijn flitslicht zwiepte door het kamertje.
In de deuropening verscheen een kleine man. Achter hem, op het portaal, schemerden de grijze uniformen van broeders van de Geneeskundige Dienst. De kleine man bleef op de drempel staan, een stalen brilletje half op de rug van zijn neus. Hij droeg een diepzwart colbert, waaronder een parelgrijs vest boven een deftige streepjespantalon. Wat schuin op zijn hoofd stond een oude, al wat groen uitgeslagen garibaldi.
De Cock kwam onmiddellijk in beweging. Hij liep op de man toe en schudde hem hartelijk de hand.
‘Dokter Den Koninghe,’ riep hij uitbundig, ‘nog steeds niet met pensioen?’
De oude lijkschouwer maakte een afwerend gebaartje. ‘Rust roest,’ sprak hij krakerig. ‘Ik blijf liever nog wat in beweging.’ Hij drukte zijn stalen brilletje omhoog. ‘En des te meer lijken ik schouw, des te meer woelt in mij het verlangen om zelf voorlopig maar te blijven leven.’
De Cock lachte hartelijk. Hij had veel sympathie voor de oude lijkschouwer, die hij reeds een eeuwigheid kende. Onder de meest bizarre omstandigheden hadden ze elkaar ontmoet. Met een brede armzwaai gebaarde hij naar de vermoorde vrouw op de vloer.
‘Uw patiënt.’
Het klonk cynisch, spottend.
Dokter Den Koninghe stapte aan hem voorbij. Hij trok de pijpen van zijn streepjesbroek wat omhoog en hurkte bij het slachtoffer neer. Hij draaide het lichaam aan de schouder iets terug en keek in haar gezicht. De beide ogen waren sterk gezwollen en de neus was in het tapijt platgedrukt. Voorzichtig liet hij de schouder weer zakken. Daarna bekeek hij langdurig de twee schotwonden in haar nek. Moeizaam kwam hij overeind.
‘Ze is dood,’ sprak hij laconiek.
De Cock grijnsde breed.
‘Die… eh, die overtuiging hadden wij al,’ reageerde hij gelaten. ‘Ons interesseert meer het tijdstip van haar overlijden.’
Dokter Den Koninghe nam een grijze pochet uit de borstzak van zijn colbert en poetste zorgvuldig zijn brillenglazen. ‘Je weet,’ sprak hij aarzelend, ‘dat ik daar moeilijk iets van kan zeggen. Daar spelen zoveel factoren een rol. Maar ik schat toch zeker twee dagen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Twee dagen,’ herhaalde hij.
De lijkschouwer knikte.
‘Misschien nog wel een dag langer.’ Hij zette zijn brilletje weer op en drukte de pochet terug in zijn borstzak. ‘En laat dokter Rusteloos morgen bij de sectie goed op de kogels letten. Er zijn geen uitschotwonden. Ze moeten ergens in de hersenen zijn blijven steken. Ik denk onder het schedeldak.’
De Cock keek hem nadenkend aan.
‘Dan is de kogelbaan schuin omhoog.’
‘Inderdaad.’
De grijze speurder beet op zijn onderlip.
‘Dat zou erop kunnen duiden,’ sprak hij bedachtzaam, ‘dat de vrouw rechtop stond op het moment dat de moordenaar haar van achteren benaderde en neerschoot.’
Den Koninghe knikte traag. ‘En van heel dichtbij. Hij heeft het wapen opgeheven en bijna tegen haar huid gedrukt.’
De Cock staarde peinzend voor zich uit. ‘Een laffe moordenaar.’
Dokter Den Koninghe keek naar hem op. ‘Je hebt gelijk… een laffe moordenaar. Hij durfde haar tijdens zijn gruweldaad niet in de ogen te zien.’ De oude lijkschouwer blikte nog eens naar het slachtoffer. Daarna drukte hij zijn oude garibaldi wat dieper op zijn hoofd. Hij schonk De Cock een wrange glimlach. ‘De moordenaar… de moordenaar is jouw probleem.’ Wuivend draaide hij zich om en verliet het kamertje.
De Cock wenkte de broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij. Ze legden een brancard naast het slachtoffer en rolden haar in het canvas. Daarna sjorden ze de riemen vast. Het ging snel en met grote routine. Wiegend droegen ze haar weg.
De Cock keek haar na en zag toe hoe de broeders de brancard langs de smalle trap manoeuvreerden. Pas toen buiten de deuren van de ambulancewagen dichtklapten, draaide hij zich om naar Vledder. ‘Wie heb je haar het bericht van de dood van haar zoon laten brengen?’
‘Marijn Stoops.’
‘Ook?’
Vledder knikte.
‘Begrijp je, daarom miste Marijn haar vanmiddag direct op de begraafplaats. Hij wist dat mevrouw Van Slooten geen enkel familielid meer bezat. Hij had zich voorgenomen haar tijdens de begrafenisplechtigheid wat bij te staan.’
De Cock knikte peinzend. ‘Hoe wist onze collega Stoops dat mevrouw Van Slooten geen familie meer had?’
Vledder gebaarde wijds. ‘Dat had ze hem zelf verteld.’
‘En verder?’
De jonge rechercheur keek hem niet-begrijpend aan. ‘Wat verder?’
‘Wat heeft ze hem verder verteld?’
Vledder trok zijn schouders op. ‘Dat weet ik niet. Daar heb ik hem niet naar gevraagd. Ik had wel het idee dat hij een heel tijdje met haar had zitten praten.’
De Cock wendde zich tot Bram van Wielingen, die bezig was zijn spulletjes in te pakken.
‘Waar blijft Ben Kreuger?’ vroeg hij wat geprikkeld.
De fotograaf trok zijn koffertje van de poef.
‘Hij zal zo wel komen. Hij had nog een klussie bij een kapitale inbraak op de Amsteldijk.’
Vrijwel op datzelfde moment stapte de bedaagde dactyloscoop puffend het kamertje binnen.
Bram van Wielingen lachte.
‘Als je het over de duivel hebt…’
De Cock schudde grijnzend zijn hoofd.
‘Ben Kreuger en de duivel… dat is voor de duivel een ongewenste combinatie. Ik wed dat Ben zelfs kans ziet om satan op vingers te vangen.’
Bram van Wielingen tikte De Cock op zijn schouder.
‘Morgenvroeg heb je de foto’s op je bureau.’ Hij zwaaide tot afscheid en liep het kamertje uit.
Ben Kreuger wiste met de rug van zijn hand het zweet van zijn voorhoofd.
‘Wat hebben wij voor stadsbestuur?’ riep hij wanhopig. ‘Je kunt met een auto gewoon geen kant meer op. Ik heb bij elkaar, geloof ik, wel drie kwartier in een file gestaan. Er is praktisch geen verkeer meer mogelijk. De binnenstad is volkomen dichtgeslibd.’ Hij zette zijn koffertje neer en keek rond. ‘Wat is hier gebeurd?’ De Cock wees naar het bloedplasje op het tapijt.
‘Een vrouw omgebracht.’
‘Roofmoord?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Daar lijkt het niet op. Ik denk dat ze te veel wist… dat ze voor iemand te gevaarlijk werd.’
Ben Kreuger schudde afkeurend zijn hoofd. ‘En wat wil je dat ik hier doe?’
De Cock klemde zijn lippen op elkaar.
‘Veel Ben… heel veel.’ Hij stak gebarend zijn rechterwijsvinger omhoog. ‘Ik wil dit keer meer dan een gewoon routineonderzoek. Ik wil dat je elke vingerafdruk oppakt, die je in dit woninkje maar kunt vinden. Het kan mij feitelijk niet schelen vanwaar ze komen… de keuken, de wc, de glazen- of linnenkast. Van die gevonden sporen trek je af de prenten van de vermoorde vrouw en haar zoon Richard. En voor wat je dan aan bruikbaar materiaal overhoudt… heb ik een immense belangstelling.’
Ben Kreuger liet zijn onderlip zakken.
‘Je hebt nogal wat noten op je zang dit keer. Hebben we een slip[6] van die vermoorde vrouw?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Die moet je morgenochtend maar maken voordat dokter Rusteloos met de sectie begint. Haar zoon Richard van Slooten, komt ongetwijfeld in onze collectie voor. Hij is al een paar maal veroordeeld.’
Ben Kreuger knikte begrijpend. Hij klapte zijn koffertje open en zocht zich een dassenharen kwast uit. ‘Ik zal in de keuken beginnen. Als we mazzel hebben, had ze nog niet afgewassen.’
De Cock keek hem glimlachend na. Hij werkte graag met Ben Kreuger, voor wie nooit een moeite te veel was. Toen de dactyloscoop met kwast en poeder in de keuken was verdwenen, liet hij zijn blik nog eens door het kamertje dwalen. Verderop, rechts bij het raam, zat Vledder aan een kabinetje en snuffelde in oude papieren. Links, tegen de wand, stond het miniatuur dressoir. Opnieuw werd De Cock getroffen door de twee orchideeën bij de foto.
Ineens stokte zijn adem.
‘De pop,’ riep hij plotseling hardop, ‘de pop in klederdracht.’
Vledder kwam verschrikt naast hem staan.
‘Wat is daarmee?’
De Cock slikte.
‘Die pop is weg.’