15

De Cock staarde Meindert Post enige ogenblikken verbijsterd aan. Het bericht van het overlijden van Peter Shot had hem diep geschokt. De dood van de gangster paste niet in zijn denkpatroon. Het hoorde niet thuis in het draaiboek dat hij in zijn gedachten van de roofoverval had opgesteld.

‘Dood,’ herhaalde hij vlak.

Brigadier Post knikte.

‘Ik heb hem zelf niet gezien. Ik heb alleen via de mobilofoon even contact met de jongens gehad. Zij denken aan een overdosis heroïne.’

De Cock beet op zijn onderlip.

‘Heb je het lijk al laten weghalen?’

Meindert Post schudde zijn hoofd.

‘Ik heb ze de opdracht gegeven om overal af te blijven en de situatie onveranderd te laten totdat jij komt.’ Hij keek omhoog naar de grote klok achter de balie. ‘Die jongens zitten nu al bijna anderhalf uur in het donker bij dat lijk. Dat is veel te lang.’

De Cock keek hem niet-begrijpend aan.

‘Te lang?’

Meindert Post knikte heftig.

‘Ik heb alleen maar jonge dienders in mijn groep. Jongens van achttien, negentien jaar. Als het te lang duurt krijgen ze nachtmerries van zo’n lijk.’

De Cock trok achteloos zijn schouders op.

‘Ik heb er ook aan moeten wennen.’

Meindert Post wond zich duidelijk op. Zijn onderlip trilde. Hij strekte zijn arm naar De Cock uit. ‘Jij…’ brulde hij, ‘jij… al loopt er ’s nachts een heel legioen lijken over je lijf… dan nog draai jij je eens lekker om.’

De grijze speurder reageerde niet.

‘Welk nummer aan de Singel?’

‘Achthonderdtwaalf.’

De Cock vatte Vledder bij zijn arm en zwaaide. ‘Zeg tegen de jongens dat ik eraan kom.’

Samen liepen ze het bureau uit.


Vanaf het Damrak stuurde Vledder de Volkswagen via de Dam, achter het Koninklijk Paleis om naar de Raadhuisstraat. De Cock zat somber naast hem.

‘Ben ik zo hard?’ vroeg hij plotseling.

Vledder lachte.

‘Je hebt een huid als een buffel.’

De Cock schudde bedroefd het hoofd.

‘Gek… en ik dacht dat ik de gevoeligste rechercheur van deze eeuw was.’

Ze reden de Singel op, jakkerden langs de Torensluis en stopten bij 812. De Cock stapte uit en keek omhoog. Het was een oud, wat vervallen pand, dat als pakhuis had gediend toen aan de Singel de beurt- en binnenvaart nog hoogtij vierde.

Voor de deur stond een politiewagen met gedoofde lichten. Twee dienders stapten op de grijze speurder toe. Ze waren inderdaad nog erg jong en hun petten splinternieuw. Een van hen nam het woord.

‘We zijn maar beneden in de wagen gaan zitten.’

Het klonk als een verontschuldiging.

De Cock knikte begrijpend.

‘Is er al een arts bij geweest?’

De jonge diender schudde zijn hoofd.

‘In opdracht van de brigadier hebben we alleen de situatie hier bewaakt.’ Hij wees omhoog. ‘Er was trouwens toch niets meer aan te redden. Volgens mij ligt hij er al een paar dagen.’

De Cock wendde zich tot Vledder.

‘Waarschuw jij de meute.’ Hij tikte de jonge diender op zijn schouder. ‘En wijs jij mij even waar hij ligt.’

Ze drukten de deur open. Na een lange donkere gang bereikten ze een steile trap. De oude, wiebelende treden kraakten onder hun voeten. Op enkele plekken ontbrak verraderlijk de leuning. De Cock volgde de jonge diender. Voorzichtig, hopend dat de veerkracht in zijn kuiten bleef.

Op de tweede verdieping betraden ze een ruim, hoog vertrek, dat zich uitstrekte van de voor- tot aan de achtergevel. Het was er niet aardedonker. Door de hoge ramen viel nog enig licht. Het trok lange schaduwen langs de muren.

Het oog van De Cock viel op een oude hippiespreuk aan de wand: This is the first day of the rest of your life. Om zijn lippen zweefde een wat weemoedige glimlach. Hij was die spreuk veel tegengekomen, op schuttingen, in kraakpanden en sleep-ins… vroeger, toen de bloemenkinderen Amsterdam nog tot hun bedevaartoord verkozen. Waar waren ze gebleven… de bloemenkinderen, die elke dag opnieuw begonnen te leven… vrolijk… onbekommerd. Geloofde de jeugd niet meer in flower-power… de zoete macht van de bloem… de liefde? Zijn gezicht betrok, de glimlach verdween. Van al hun kleurrijke bloemen was er maar één machtig en sterk gebleken: de papaver… de bloem, die de zo fel begeerde drugs levert. Alleen de papaver bloeide… ongebreideld… in uitgeteerde lijven… en op de graven van tienduizenden jongeren.

‘Meneer De Cock.’

De stem van de jonge diender verbrak zijn overpeinzingen. Hij stond een eind verder bij het raam. Het licht van zijn zaklantaarn gleed tastend langs een lichaam op de vloer.

De Cock trad naderbij en nam naast de diender plaats achter de stijl omhoogstaande voeten. Vanuit de hoogte keek hij op het lichaam neer. Het lag op de rug, vrijwel haaks op de muur. Het was een nog betrekkelijk jonge man van naar schatting dertig, vijfendertig jaar met dun vlasblond haar en een scherpe neus boven een halfopen mond. De aanblik was niet prettig. De dood had het gezicht getekend.

De jonge diender ving in het licht van zijn zaklantaarn een lege injectiespuit. Hij lag rechts van de dode, gegleden uit een machteloze hand.

De Cock stapte over de opgestoken voeten heen en knielde links van het lichaam. Voorzichtig schoof hij de mouw van het colbert omhoog. Met zijn zaklantaarn bescheen hij een door lijkvlekken gekleurde onderarm en ontdekte in en om de holte een reeks punctieplekjes. Vele waren ontstoken.

De Cock kwam overeind.

‘Wie zegt dat dit Peter Shot is?’

De jonge diender reageerde wat bedremmeld.

‘Een junk. Hij meldde zich bij de brigadier aan de balie en zei dat hij Peter Shot hier dood in dit pand had aangetroffen.’

‘Wist die junk dat Peter Shot door ons werd gezocht?’

‘Ja, dat had hij gehoord.’

‘Van wie?’

De jonge diender trok zijn schouders op.

‘Hij sprak van een vrouw, die nog geld van Peter Shot te goed had. Ze had aan hem gevraagd om naar Peter uit te kijken en de politie van de Warmoesstraat te waarschuwen als hij hem zag.’

‘Ken jij die junk?’

‘Nee, ik niet, maar brigadier Post heeft zijn naam genoteerd.’

De andere jonge diender kwam de ruimte binnen. Achter hem liep Vledder. Hij bescheen met zijn zaklantaarn het pad voor dokter Den Koninghe, die voorzichtig, zijn broekspijpen iets opgetrokken, naderbij kwam.

De Cock stak de oude lijkschouwer zijn hand toe.

‘U bent er snel,’ riep hij bewonderend.

Dokter Den Koninghe nam zijn garibaldihoed af en wiste met een zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. ‘Er is veel te doen vannacht,’ sprak hij loom. ‘Het ligt aan het weer, geloof ik. Warm, drukkend, benauwd. Het schijnt dat de mensen dan graag willen sterven. Ik was net klaar in Amsterdam-Oost… de Celebesstraat… een hoogbejaard echtpaar… dicht tegen elkaar geleund, zittend tegen een muur van hun woonkamer… een prachtige oude Statenbijbel binnen handbereik.’

‘Zelfmoord?’

De oude lijkschouwer knikte traag.

‘Het oude vrouwtje had kanker. Ze hadden haar gezegd dat er niets meer aan te doen was. Waarschijnlijk heeft ze alle pijnstillers die ze van haar dokter kreeg, opgespaard. Ze moeten het al een poosje van plan zijn geweest, die twee. En vanavond gingen ze beiden rustig slapend de dood tegemoet. Een zoon vond ze. De oude baas had al een paar maal tegen zijn kinderen gezegd dat hij het zonder moeder niet zo erg zag zitten.’ Hij zweeg even bij de herinnering. Daarna keek hij op naar De Cock. ‘Wat heb jij weer?’

De grijze speurder gebaarde naar het lijk op de vloer. ‘Het lijkt op een heroïneslachtoffer.’

Dokter Den Koninghe knielde bij de dode neer. Hij nam de zaklantaarn uit De Cocks hand, lichtte de oogleden iets op en scheen in de pupillen. Met krakende knieën kwam hij overeind, een bezorgde uitdrukking op zijn gezicht. Hij gaf de zaklantaarn aan De Cock terug.

‘Ik zou morgen bij justitie op een gerechtelijke sectie aandringen. Volgens mij is hij aan vergiftigde heroïne overleden. Ik heb in de laatste weken al een paar van die dode junks geschouwd. Er moet een hele partij van die vergiftigde troep in de handel zijn. Jullie narcoticabrigade is er al een tijd mee bezig… de rechercheurs Loete en Wouterson.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Hoe lang is hij al dood?’

Dokter Den Koninghe maakte een weifelend gebaar.

‘Ruim geschat zo’n zesendertig à achtenveertig uur. Maar hou je daar niet te veel aan vast.’

‘Kan hij ook aan een overdosis zijn gestorven?’

Dokter Den Koninghe knikte heftig.

‘Zeker, dat kan een toxicologisch onderzoek uitwijzen. Maar dan was zijn lichaam toch al door die vergiftigde heroïne aangetast.’

De Cock staarde een tijdje naar het lijk op de vloer. Het vreemde was dat na de aanvankelijke schok, het overlijden van de man hem nauwelijks nog beroerde. Hij had moeite om er een meer dan ambtelijke belangstelling voor op te brengen. Hij trachtte het te analyseren. Het kwam vermoedelijk omdat hij het feitelijke gegeven van zijn overlijden al geestelijk had verwerkt. Betrokkenheid met het slachtoffer voelde hij niet. Wat nonchalant gebaarde hij naar de vloer.

‘Hij is officieel dood?’ vroeg hij volkomen overbodig.

De oude lijkschouwer keek naar hem op. Achter zijn brillenglazen blonk een twinkeling in zijn ogen.

‘Hij is dood, De Cock,’ sprak hij gelaten. ‘Officieel dood.’ Hij draaide zich om en wilde weglopen.

De grijze speurder pakte hem bij zijn arm vast. ‘Wacht even.’ Hij wenkte een van de jonge dienders. ‘Breng jij de dokter netjes naar beneden. Ik wil per se dat hij zijn pensioen haalt.’

Dokter Den Koninghe bromde protesterend, maar liet zich gewillig door de jonge diender leiden.

Kort nadat de oude lijkschouwer was vertrokken, kwam Bram van Wielingen de ruimte binnen. Aan zijn linkerhand bengelde een soort zoeklicht aan een kist. Het felle licht danste over gaten in de vloer, scheuren in de muur en flarden kalk aan het plafond. De fotograaf grinnikte uitbundig.

‘De Cock,’ gniffelde hij, ‘jij zoekt ook de gekste plekken uit om lijken neer te leggen.’

De Cock schudde bedroefd zijn hoofd.

‘Ik,’ sprak hij verontschuldigend, ‘ik leg ze niet neer. Dat doen anderen voor mij.’

Bram van Wielingen reageerde niet. Hij scheen met zijn zoeklicht in het gelaat van het slachtoffer. ‘Is dat nu die Peter Shot, naar wie jullie al een tijdje zoeken?’

‘Dat neem ik voorlopig aan. Ik moet zijn identiteit nog vaststellen.’

‘Heeft hij geen papieren bij zich?’

‘Daar hebben we nog niet naar gekeken. We zullen hem straks door de broeders laten uitkleden.’

Bram van Wielingen zette zijn zoeklicht neer. Hij hurkte bij zijn koffertje en nam daaruit een fraaie Hasselblad.

‘De gebruikelijke shots?’ Hij giechelde als een kind. ‘Dat is erg toepasselijk dit keer.’

De Cock glimlachte.

‘De gebruikelijke shots,’ herhaalde hij kalm. ‘Een paar totaalbeelden en enkele details… van de rechterhand bijvoorbeeld, met die spuit. En probeer zijn gezicht een beetje christelijk op een plaatje te krijgen. Ik heb zijn snuit nodig voor de herkenning.’

Bram van Wielingen monteerde een flitslicht.

‘Ik zal je op je wenken bedienen,’ reageerde hij schamper. ‘Ze moeten zeker vannacht nog klaar.’

‘Als het je huwelijksgeluk niet stoort.’

Bram van Wielingen flitste in het dode gezicht.

‘Daar kom jij niet tussen,’ schertste hij.

Geholpen door de jonge diender die de oude lijkschouwer naar beneden had gebracht, kwam Ben Kreuger het vertrek binnen. Hij schudde Van Wielingen en De Cock de hand en knikte minzaam naar Vledder. Daarna pakte hij het zoeklicht van Van Wielingen op en bescheen daarmee de omgeving.

‘Wat valt hier te kwasten?[9]

De Cock reageerde wat kriegel.

‘Dat zoek je zelf maar uit. Jij bent dactyloscoop… ik niet.’

Ben Kreuger gebaarde om zich heen.

‘Hier hebben in de loop der jaren hele zwermen hippies, zwervers en junkies rondgehangen. Wil je je moordenaar daaronder zoeken?’

De Cock antwoordde niet. Hij liep naar de twee jonge dienders, die wat achteraf stonden.

‘Jullie kunnen nu wel gaan.’

De agent die hem had geleid, schudde zijn hoofd. ‘Als u het met onze brigges in orde maakt, willen we graag blijven. Wij hebben dit nog nooit eerder meegemaakt.’

De Cock weifelde even.

‘Ik maak het in orde.’

Ben Kreuger stapte driftig op de grijze speurder toe en tikte hem met zijn rechterhand op de schouder. In zijn linkerhand, in een klem, hield hij een injectiespuit.

De Cock draaide zich om.

‘Wees voorzichtig,’ riep hij geschrokken, ‘als je je aan die naald prikt, heb je zo een leveraandoening.’

De dactyloscoop hield de spuit omhoog.

‘Het zit niet goed.’

‘Wat niet?’

‘Die spuit… daar zit niets op.’

‘Niets?’

Ben Kreuger schudde zijn hoofd.

‘Geen enkele afdruk… zelfs geen fragmentje.’

Загрузка...