Commissaris Buitendam, de lange statige chef van het bekende politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand.
‘Kom binnen, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd, ‘en ga zitten.’ Hij kwam opgewekt achter zijn bureau vandaan en gebaarde vriendelijk uitnodigend naar het zitje van stalen meubelen bij het raam, waar de commissaris slechts zijn prominente gasten ontving.
De grijze speurder trok zijn gezicht in een onwillige plooi. Nors, ontoegankelijk. De toenaderingen van zijn chef wees hij meestal koel en hooghartig van de hand. Sinds jaren leefde hij op gespannen voet met de commissaris. De Cock hield het graag zo, beducht voor elke inmenging in zijn wijze van onderzoek.
‘Als het u hetzelfde is… ik blijf liever staan.’
Op het bleke gezicht van de commissaris kwam een lichte blos. ‘Zo je wilt.’ Hij liep terug naar zijn bureau en nam wat stijfjes plaats. ‘Jij hebt het onderzoek naar de overval op het geldtransport.’
‘Inderdaad.’
De commissaris kuchte.
‘Van de zijde van justitie,’ ging hij geaffecteerd verder, ‘is men nogal belangstellend. Meester Van Overwhere, onze officier van justitie, heeft al een paar maal naar de stand van zaken geinformeerd. Ik heb hem uiteraard niet meer kunnen berichten, dan hetgeen ik uit jouw voorlopige rapporten heb kunnen lezen en die waren… hoe zal ik dat zeggen… hoogst summier.’
De Cock grijnsde. ‘Ik kan niet meer rapporteren dan ik weet.’ Commissaris Buitendam keek hem onderzoekend aan. ‘Ik… eh, ik heb het stellige gevoel, De Cock,’ sprak hij voorzichtig, aarzelend, ‘dat jij mij… zoals mij ook bij vorige gelegenheden duidelijk is gebleken… onvolledig voorlicht, dat jij mij bepaalde inlichtingen en aanwijzingen onthoudt.’
De grijze speurder maakte een nonchalant gebaar.
‘Wat heeft het voor zin,’ reageerde De Cock achteloos, ‘als ik mijn rapporten volstop met inlichtingen, aanwijzingen of theorieën die tot niets leiden? Ik laat dat liever achterwege.’
De uitdrukking op het gezicht van de commissaris veranderde. De blosjes op zijn wangen kleurden dieper. Hij snoof en hamerde met zijn vuist op het eiken blad van zijn bureau.
‘Van nu af wil ik volledig op de hoogte zijn van elke stap, die jij in deze zaak onderneemt. Het is toch te gek dat ik via de officier van justitie moet horen, dat jij die… eh, die directeur… die Van Woudrichem op een insinuerende, bijna onbeschofte wijze hebt verhoord.’
De mond van De Cock viel open. ‘Wat?’ riep hij verrast.
Buitendam knikte heftig. ‘De heer Van Woudrichem heeft bij de officier van justitie officieel zijn beklag gedaan over jouw wijze van optreden,’ sprak hij streng. ‘Hij wenst daar in de toekomst van verschoond te blijven.’ De commissaris schraapte indrukwekkend zijn keel en hief zijn lange wijsvinger naar de grijze speurder op. ‘Namens de officier van justitie deel ik jou nu mede dat eventuele nadere verhoren van de heer Van Woudrichem en zijn compagnon alleen door hem persoonlijk zullen worden gedaan.’
De Cock voelde hoe de woede en drift in zijn aderen sloop. Hij kneep zijn lippen op elkaar. ‘Dan heb ik onmiddellijk een opdracht voor hem.’
De commissaris keek hem schuins aan.
‘Een opdracht?’ vroeg hij argwanend. De Cock knikte fel. ‘Laat de heer officier van justitie, in zijn gerechtelijke heiligheid, aan de heer Van Woudrichem vragen waar hij die drie miljoen heeft gelaten.’
De ogen van de commissaris schoten vuur. Hij strekte zijn arm naar de deur.
‘Eruit.’
De Cock ging.
Vledder keek hem lachend aan. ‘Was het weer zover?’ Hij schudde afkeurend zijn hoofd. ‘Het wordt toch tijd dat je je vriendelijker opstelt. Je moet meer begrip tonen.’
‘Voor wie?’
‘Voor de commissaris. Die man heeft het niet zo makkelijk. Het valt niet mee om steeds dat gezeur van een officier van justitie aan te horen.’
De Cock gebaarde driftig. ‘Hij moet feller van zich afbijten en niet alles probleemloos onderdanig uitvoeren. Waar zijn we in godsnaam mee bezig? Een of andere louche directeur stapt naar het paleis van justitie en vertelt daar huilerig dat hij door een simpele rechercheur wat hard is aangepakt en meteen worden er maatregelen genomen.’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan. ‘Maatregelen?’
De Cock knikte. ‘We moeten elke verdere stap die wij in de zaak van de overval nog ondernemen, met de commissaris bespreken en we mogen Van Woudrichem en zijn compagnon niet meer verhoren.’
Vledder staarde hem verbaasd aan. ‘Niet meer verhoren?’
‘Nee.’
‘Wie doet dat dan?’
‘De officier zelf.’
Vledder grijnsde minachtend. ‘Dan kunnen we dat “bewijs” voorlopig wel vergeten.’ Hij grinnikte ongelovig. ‘Hoe kan die man zo’n beslissing nemen? Wat voor kansen heeft die man bij een verhoor? Hij weet toch niets van die honderden facetjes, die wij in een onderzoek tegenkomen… al die subtiele zaken, die misschien geen wettig en overtuigend bewijs leveren, maar die juist gevoelsmatig uiterst belangrijk zijn.’
De Cock keek zijn jonge collega bewonderend aan. ‘Dick,’ riep hij enthousiast, ‘je wordt al een volwassen rechercheur.’ Hij lachte hartelijk. ‘Nog even en ik kan met pensioen.’
Vledder zwaaide de lof weg. ‘Ik meen wat ik zeg,’ sprak hij ernstig. ‘Ik begin langzamerhand te twijfelen aan de onfeilbaarheid van onze “opsporingsambtenaar bij uitnemendheid”.[4]’
De Cock liet zijn bovenlip krullen. ‘Denk nu niet,’ sprak hij hoofdschuddend, ‘dat ik de heren van het vervoerbedrijf met rust laat.’ Het klonk uiterst dreigend. ‘Als ze bij de moord en de overval zijn betrokken, dan zal ik dat bewijzen… of de officier van justitie dat nu leuk vindt of niet.’ Hij zweeg even. ‘En ik ben zo vergeetachtig dat de commissaris…
Een klop op de deur onderbrak hem.
Vledder riep: ‘Binnen.’
In de deuropening verscheen Smalle Lowietje. Hij had zijn morsige cafévest verruild voor een slobberig colbertje.
De Cock kwam onmiddellijk achter zijn bureau vandaan en stapte op hem toe.
‘Lowie,’ riep hij blij verrast, ‘je hebt je etablissement verlaten.’ Smalle Lowietje lachte wat verlegen. Hij wenkte met zijn hoofd. ‘Schele Japie staat even bij mij achter de tap. Daarom… ik kan niet lang wegblijven anders gapt hij van mijn voorraad.’
De Cock keek hem onderzoekend aan. Hij wist dat de tengere caféhouder niet graag naar het politiebureau aan de Warmoesstraat kwam, bang om voor versliecheraar te worden versleten. ‘Is er wat?’ vroeg hij bezorgd.
Smalle Lowietje keek naar hem op.
‘Heb je nog belangstelling voor Peter Shot?’
De Cock knikte heftig. ‘Waarachtig.’
De caféhouder gebaarde. ‘Ze hebben hem gezien.’
‘Wie?’
Smalle Lowietje aarzelde. ‘Twee jongens… jongens die wel eens bij mij in de zaak komen.’
‘Wanneer zagen ze hem?’
‘Ongeveer een week geleden.’
‘Waar?’
‘In de korte Koningsstraat. Peter Shot zag er volgens hen slecht uit. Hij leek wel dronken. Hij liep tussen een man en een vrouw in. Die hielden hem vast.’
‘Hoe laat was dat?’
‘Even na middernacht.’
‘Waar gingen ze heen?’
Lowietje trok zijn smalle schouders op. ‘Ze liepen in de richting van de Oude Schans.’
De Cock staarde peinzend voor zich uit. ‘Hoe zagen die man en die vrouw eruit?’
Smalle Lowietje maakte een hulpeloos gebaar. ‘Dat is moeilijk. Begrijp je… ik heb het alleen van horen zeggen. Ik bedoel, ik heb ze zelf niet gezien. Die jongens hebben verder eigenlijk alleen maar op die griet gelet. Dat was, zo ze zeiden, een knap stuk… een mooie blonde meid.’
De Cock wreef over zijn kin. ‘Ik zal je maar niet vragen wie de twee jongens waren.’
De caféhouder lachte gemelijk. ‘Ik moet om mijn klandizie denken.’
De Cock knikte begrijpend. Hij leidde Smalle Lowietje terug tot beneden in de hal. Daar klopte hij hem tot afscheid vertrouwelijk op de schouder.
‘Bedankt, Lowie,’ sprak hij simpel.
Daarna bleef hij nog even in de hal staan en keek de tengere caféhouder na tot hij in de Heintje Hoekssteeg verdween. Toen draaide hij zich om en stormde met twee treden tegelijk de trap op.
Boven in de recherchekamer zat de jonge Vledder nog achter zijn bureau. Hij keek naar De Cock op. ‘Vind jij het belangrijk?’
‘Wat?’
‘Die mededeling van Lowietje?’
De Cock schoof zijn onderlip naar voren. ‘Dat moet nog blijken,’ sprak hij ontwijkend.
Vledder gebaarde achteloos. ‘Het lijkt mij niet zo moeilijk. Na een voorbespreking over de overval op het geldtransport dronken ze nog wat. Peter Shot dronk te veel, zakte door en Richard van Slooten en zijn verloofde brachten hem naar huis.’
De Cock knikte traag. ‘Zo simpel kan het zijn geweest.’
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder nam de hoorn op en luisterde. Na een paar seconden legde hij wat verward de hoorn op het toestel terug.
De Cock keek hem onderzoekend aan.
‘Wat is er?’
Vledder gebaarde wat onzeker. ‘Mevrouw Van Slooten is niet op de begrafenis.’
‘Welke begrafenis?’
‘Van haar zoon.’
De Cock slikte. ‘Wanneer is die begrafenis?’
‘Nu.’
De grijze speurder trok diepe denkrimpels in zijn voorhoofd. Hij wees naar het toestel op zijn bureau.
‘Wie had je daar aan de lijn?’
‘Marijn Stoops.’
‘Collega Stoops?’
Vledder knikte. ‘Je weet dat ik een hekel aan begraafplaatsen heb,’ sprak hij verontschuldigend. ‘Ik ga er niet graag heen. Toen ik hoorde dat Richard van Slooten hier op St.-Barbara werd begraven, heb ik aan Marijn Stoops gevraagd of hij de begrafenis voor ons wilde bijwonen. Ik heb hem ook duidelijk geïnstrueerd. Ik heb hem verteld welke mensen hij kon verwachten en waar hij op moest letten. Marijn is een uitstekend rechercheur en ik dacht…’
De Cock luisterde niet meer. Zijn blik dwaalde weg. Ineens sprong hij overeind en rende in een wilde galop naar de kapstok.
Vledder beende hem na.
‘Waar ga je heen?’ riep hij wat in paniek.
Met zijn hoedje op zijn hoofd en zijn oude regenjas onder de arm geklemd, draaide De Cock zich om.
‘Naar de Driehoekstraat… misschien valt er nog iets te redden.’
Vledder ranselde de gammele Volkswagen gierend over het asfalt en doorbrak in een woede, die hij zelf niet geheel begreep, alle verkeersmaatregelen die men voor de oude binnenstad had uitgedacht.
De Cock zat onderuitgezakt naast hem. Zijn breed gezicht met de markante trekken van een bejaarde boxer, stond ernstig. Hij besefte ineens ten volle hoe vermetel, maar ook hoe meedogenloos zijn tegenstander was.
Vledder blikte opzij. ‘Misschien wist ze het niet.’
‘Wat?’
‘Het tijdstip van de begrafenis.’
De Cock reageerde niet. Het was een onzinnige opmerking, maar hij begreep dat zijn jonge collega zich niet prettig voelde. Op de Palmgracht was geen enkele parkeerplaats vrij. Vledder wurmde de wagen tussen twee auto’s door en plaatste hem half op het trottoir. Ze stapten uit en renden naar de Driehoekstraat. Rechercheur De Cock had geen oog voor het fraai gerenoveerde geveltje. Hij klapte de buitendeur open en hees zich opmerkelijk snel langs de krakende trap omhoog.
De woningdeur op de eerste etage was gesloten. De Cock voelde aan de kruk en drukte die voorzichtig omlaag. Langzaam schoof hij de deur open.
Ze lag voorover op het tapijt, naast een ranke stoel met gebogen poten. De zwarte kimono met de exotische borduursels bolde iets op haar rug. Een pantoffel was van haar voet gegleden.
De Cock knielde bij haar neer. Vledder boog zich over hem heen en ademde in zijn nek.
‘Dood?’ hijgde hij.
De grijze speurder knikte traag.
‘Vermoord.’