16

Vledder stapte met een plastic vuilniszak op zijn rug de recherchekamer binnen. Hij schoof met zijn vrije hand een tafel tegen de muur en stortte de inhoud van de zak daarop uit. Tussen sterk vervuilde kleding kletterde een wapen op het tafelblad. De Cock nam het in zijn hand. Het was een klein kaliber revolver met een fraai bewerkte kolf en een korte loop.

‘Had Peter Shot dit bij zich?’

Vledder knikte. ‘In een leren beenholster, een stukje boven de enkel van zijn linkervoet.’

‘Het is mij niet opgevallen.’

Vledder gebaarde naar het wapen. ‘Het kwam ook pas tevoorschijn toen de broeder bij het ontkleden van het lijk de pantalon uittrok. In een van de zakken van die pantalon zat ook een handjevol patronen.’

De Cock legde de revolver weer op tafel.

‘We zullen het wapen door het gerechtelijk laboratorium in Rijswijk moeten laten onderzoeken.’

Vledder knikte. ‘Ze hebben daar al de kogels, die uit de lichamen van Martin van der Meulen en moeder en Richard van Slooten zijn verwijderd. Als blijkt dat ze met dit wapen zijn afgevuurd, hebben we de zaak rond.’

De Cock reageerde niet. ‘Heeft Ben Kreuger nog een dactyloscopisch signalement van Peter Shot gemaakt?’

Vledder knikte heftig. ‘Hij heeft mij beloofd onmiddellijk een afdruk van de slip naar Houston te zenden ter attentie van detective-sergeant Hollander. Ik heb de sergeant al gebeld dat de vingerafdrukken onderweg zijn. Hij was uitermate enthousiast en hij zou mij berichten zo gauw hij iets had gevonden.’

De Cock staarde nadenkend voor zich uit. De schamele kleding op de tafel intrigeerde hem. Had Peter Shot ondanks zijn miljoenenbuit de status van een simpele junk willen voeren? Had hij een zwervend bestaan geprefereerd boven een leven in weelde? Maar waarom dan die overval… die niets ontziende moordlust? Hij zuchtte diep en draaide zich naar Vledder. ‘Heb je aan Ben Kreuger gevraagd om de vingerafdrukken van Peter Shot na te zien op het materiaal uit de Driehoekstraat?’

‘Je bedoelt de woning van mevrouw Van Slooten?’

De Cock knikte. ‘Ik heb destijds aan Ben Kreuger gevraagd om daar een uitgebreid dactyloscopisch onderzoek in te stellen en elke vingerafdruk op te pikken die hij maar kon vinden. Misschien zijn daar ook de vingers van Peter Shot bij. Hij moet tijdens de voorbesprekingen met Richard diverse malen in die woning zijn geweest.’

Hij liep een paar passen van Vledder weg naar zijn bureau. ‘Ik heb hier een enveloppe met de foto’s van Peter Shot. Bram van Wielingen heeft ze een paar minuten geleden persoonlijk bij mij gebracht. Laat ze straks voor de herkenning even aan Carmen Manouskischeck zien. En doe het voorzichtig, zodat ze geen heroïne behoeft weg te spoelen. We hebben in feite aan haar te danken dat we de dode Peter Shot zo gauw hebben gevonden. Ik heb zo’n idee dat ze alle junks op pad heeft gestuurd.’

Hij zweeg even. In zijn ogen kwam een vreemde tinteling.

‘En ga met de foto’s ook even naar Monique van het Veer.’ Hij grinnikte, een tikkeltje vals. ‘Misschien doet het haar deugd om de dode moordenaar van haar verloofde te zien.’ Hij stak zijn kin omhoog en streek met duim en wijsvinger strelend langs zijn hals. ‘Ik ga zelf met de foto’s wel even naar Smalle Lowietje.’

Vledder keek hem onderzoekend aan.

‘Vind je dat allemaal nog nodig?’

‘Hoezo.’

Vledder gebaarde wat weifelend.

‘Wel… eh, ik dacht aan het Wetboek van Strafrecht… algemene bepalingen… artikel 69.’

De Cock fronste zijn donkere wenkbrauwen.

‘Wat is artikel 69?’ reageerde hij wat wrevelig. ‘Ik ben al zo lang van school.’

Vledder stapte dichterbij.

‘Het recht tot strafvervolging,’ doceerde hij, ‘vervalt door de dood van de verdachte.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Je wilt zeggen dat nu Peter Shot is gestorven, wij de zaak feitelijk als afgedaan kunnen beschouwen?’

‘Min of meer. We moeten de affaire natuurlijk afronden, maar dan houdt het op.’

De Cock keek zijn jonge collega aan, lang, strak. Zijn gezicht stond ernstig.

‘We beginnen pas.’

‘Wat?’

De Cock knikte bedaagd.

‘We hebben er alleen een probleem bij.’

Vledder keek hem verbaasd aan.

‘Welk probleem?’

De Cock nam de enveloppe van zijn bureau en trok er een foto uit.

‘Wie vermoordde Peter Shot?’


Commissaris Buitendam, de lange statige chef van het bekende politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand.

‘Kom binnen, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Ik zal je niet vragen om te gaan zitten, want de kans is groot dat ik van jouw zijde weer op een weigering zal stuiten.’

Hij glimlachte beminnelijk. ‘Maar ik wil toch wel even kwijt dat het mij uitermate verheugt dat door de dood van die… eh, die Peter Shot de gruwelijke zaak van de overval is geklaard en dat de feiten de officier en mij in het gelijk hebben gesteld.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

‘U bedoelt?’ vroeg hij verbaasd.

‘Wel… eh, dat… eh, dat uit het onderzoek achteraf toch is gebleken dat de heren Van Woudrichem en Van Beusekom zelf niets met die vervelende roofoverval-affaire te maken hadden.’

De Cock lachte wat schamper.

‘Dat is op z’n minst een voorbarige conclusie. De verdachte Peter Shot is dood. Aan hem is voor eeuwig het zwijgen opgelegd. Hij kan ons niet meer vertellen van wie hij destijds zijn inlichtingen kreeg en aan wie hij mogelijk als contraprestatie een bepaald deel van zijn buit moest afdragen.’ De grijze speurder zwaaide wat geagiteerd. ‘En waar is die buit gebleven? Die drie miljoen. Daar is nog geen stuiver van boven water gekomen.’

Hij zweeg even en ademde diep. ‘Misschien is het u niet aangenaam… maar zolang ik niet precies weet hoe de overval was gepland… welke verdeelsleutel er voor de buit gold… zolang houd ik mij het recht voor om te onderzoeken in hoeverre het transportbedrijf van de beide, door u blijkbaar zo geliefde heren, bij de affaire is betrokken.’

Commissaris Buitendam reageerde uiterlijk kalm. Hij zocht tussen een stapel rapporten voor zich.

‘Er is vannacht in het kantoor van Van Woudrichem en Van Beusekom ingebroken. Er wordt niets vermist. De ongewenste bezoeker of bezoekers heeft of hebben alleen maar wat in de papieren gesnuffeld.’ Hij keek op. ‘Heb jij daar een verklaring voor?’

De Cock tuitte zijn lippen.

‘Misschien zijn er lieden die vermoeden dat daar drie miljoen te vinden is.’

Commissaris Buitendam keek hem onderzoekend aan. Zijn gezicht stond ernstig.

‘Ik heb,’ begon hij traag, ‘vanmorgen de anonieme tip gekregen dat jij van deze inbraak op de hoogte bent… erger nog, dat jij die inbraak hebt gepleegd.’ Hij zweeg even en veranderde van toon. ‘Ik heb meer de indruk gekregen, De Cock, dat jij bij het vergaren van bewijsmateriaal wel eens de jouw toegestane bevoegdheden overschrijdt.’

De grijze speurder trok zijn wenkbrauwen samen.

‘Dat is mijn verantwoordelijkheid,’ sprak hij kalm. ‘Als u voor die overschrijding van mijn bevoegdheden bewijzen kunt aandragen, moet u dat doen.’

Commissaris Buitendam reageerde ineens fel. Hij klapte met zijn vlakke hand op zijn bureau en kwam wild overeind. ‘Ik verbied je nog langer aan deze zaak te werken.’

De Cock voelde de woede in zich bruisen.

‘De dood van Peter Shot betekent niet het einde,’ riep hij emotioneel. ‘Integendeel… dat is pas het begin. De man werd op een geraffineerde wijze vermoord… doodgespoten. U kunt mij,’ sprak hij hoofdschuddend, ‘niet verbieden om de moord op Peter Shot te onderzoeken.’ Hij lachte uitdagend. ‘Op grond waarvan… onbekwaamheid?’

De commissaris kreeg een verbeten trek om zijn mond. Zijn neusvleugels trilden. ‘Jouw eeuwige eigenzinnigheid maakt mij razend.’

De Cock knikte instemmend. ‘En weet u wat mij razend maakt… de stupiditeit van de mensen die aan ons recherchewerk leiding zouden moeten geven.’

De commissaris snoof. ‘Wat zeg je?’

Zijn stem sloeg over.

De Cock kneep zijn lippen samen.

‘Stupiditeit… kent u dat woord niet?’

Commissaris Buitendam brieste. Het bloed steeg naar zijn hoofd. In een fel gebaar strekte hij zijn arm.

‘Eruit.’

De Cock ging.


Vledder schudde afkeurend zijn hoofd.

‘Hoe kun je nu een commissaris van politie van stupiditeit betichten? Dat is gewoon onbehoorlijk. Ik begrijp toch al niet waarom je die man altijd tegen je in het harnas jaagt. Dat breekt je nog eens op. Bovendien heeft hij gelijk… de dood van Peter Shot brengt het onderzoek naar de roofoverval tot een einde.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Hoe beredeneer je dat?’

Vledder gebaarde.

‘Heel simpel. Peter Shot was de laatste verdachte die nog in leven was. Alle anderen zijn dood. Ga maar na… Peter Shot pleegde de overval samen met Richard van Slooten. Om geen lastige getuigen te hebben, en om van zijn buit niets te hoeven afstaan, vermoordde hij eerst Martin van der Meulen, daarna Richard en ten slotte mevrouw Van Slooten die, zo kunnen we gevoeglijk aannemen, ook volkomen op de hoogte was.’

‘En wie vermoordde Peter Shot?’

Vledder glimlachte.

‘Dat is een hele andere zaak. In penozekringen zal gauw genoeg bekend zijn geraakt dat Peter Shot een miljoenenbuit had bemachtigd. Wel, vanaf dat moment was het jachtseizoen geopend.’

De Cock liet zich in de stoel achter zijn bureau zakken. Hij plukte aan het puntje van zijn neus en stak zijn wijsvinger op. ‘Je wilt zeggen dat penozejongens Peter Shot eerst hebben opgespoord, hem koud hebben gemaakt en er daarna met zijn buit vandoor zijn gegaan?’

‘Zoiets, ja.’

De Cock grijnsde.

‘Hoe had Peter Shot zijn buit dan bij zich… in een plunjezak op zijn rug?’

Vledder schudde kalm zijn hoofd.

‘Dat is een wat al te simpele voorstelling van zaken. Peter Shot zal zijn buit wel zorgvuldig hebben opgeborgen. Let wel, alleen. Hij was de enige die wist hoe en waar die drie miljoen waren opgeslagen. Daarom… zolang Peter Shot het geheim van zijn buit niet had geopenbaard, had zijn dood geen zin. Integendeel… slechts een levende Peter Shot kon vertellen waar hij zijn buit had gelaten.’

De Cock keek zijn jonge collega nadenkend aan.

‘Je bedoelt dat zijn dood tevens inhoudt dat zijn buit in andere handen is geraakt?’

Vledder knikte heftig.

‘Precies. Daarom vind ik ook dat de commissaris gelijk heeft… de zaak van de roofoverval is afgedaan. Fini, gesloten. We hebben alleen een nieuwe zaak… wie vermoordde Peter Shot en wie beschikt er nu over zijn drie miljoen?’

De Cock antwoordde niet. Hij kwam traag overeind en begon door de recherchekamer te stappen. In de cadans van zijn tred probeerde hij zijn gedachten te ordenen. De gang van zaken zinde hem niet. Hij had het vreemde, onrustig makende gevoel dat alle redeneringen niet klopten, dat ze in strijd waren met de realiteit, de naakte werkelijkheid… die hij kende. Ergens ver weg in zijn geest, verborgen achter mistige sluiers en dichte nevels, lag, zo wist hij, de oplossing.

Bij het raam, in het midden van de kamer, bleef hij staan. Schuin beneden was de nauwe Heintje Hoekssteeg, genoemd naar een middeleeuwse kaperkapitein. Na een flauwe bocht, aan het eind, was Onse Lieve Heer op Solder, een oude schuilkerk, omgetoverd tot een lief museum. Het stonk altijd in die steeg en het stonk altijd in het politiebureau. In alle vertrekken hing de schrale dranklucht van opgepikte dronken sloebers en de weeë, zoetige geur van het desinfecterend middel, waarmee regelmatig de cellen werden ontsmet.

Hoe vaak had hij hier gestaan, zijn handen op zijn rug, wippend op de ballen van zijn voeten. Steeds had de misdaad hem voor nieuwe problemen gesteld, had hij zijn arme hersenen afgetobd over het hoe en waarom. Hij kneep zijn ogen dicht en probeerde de sluiers, die om zijn denken hingen, te verdrijven. Het lukte niet. Met een zucht draaide hij zich om naar Vledder.

‘Weet je,’ sprak hij mat, ‘ik ben er niet eens helemaal van overtuigd dat Peter Shot werkelijk iets met die roofoverval te maken heeft.’

De jonge rechercheur keek hem verbaasd aan.

‘Meen je dat echt?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Ik kom er niet helemaal uit,’ sprak hij ontwijkend.

Vledder stapte naar zijn bureau.

‘Je wordt oud, De Cock.’

Hij hield een grijze map omhoog.

‘Ik heb zojuist het rapport van het laboratorium in Rijswijk binnengekregen.’

‘En?’

De jonge rechercheur grijnsde.

‘Martin van der Meulen, Richard van Slooten en zijn moeder werden alledrie gedood door kogels afkomstig uit de revolver van Peter Shot.’

Загрузка...