12

Ze reden door een lange straat met grauwe eentonige huizen. De Cock keek om zich heen.

‘Is het hier?’

Vledder stopte bij een vrij plekje tussen twee wagens en parkeerde achteruit in. ‘De Bestevaerstraat,’ antwoordde hij hoofdknikkend. Hij schakelde de motor uit en frommelde een kladje uit het borstzakje van zijn colbert. ‘Nummer 753.’

Ze stapten wat lusteloos uit en slenterden over het trottoir. Bij een ploegje spelende kinderen bleef De Cock staan. Iets bezijden het groepje, met zijn rug tegen een muur geleund, stond een knaapje van een jaar of zeven met een bleek ernstig gezicht. De grijze speurder herkende hem direct als het kereltje in de aula en aan de groeve van Martin van der Meulen op Zorgvlied. Tussen de spelende kinderen ontdekte hij twee mollige meisjes met wapperend goudblond haar. Hij liep op de jongen toe en gebaarde naar de spelende kinderen.

‘Moet je op je zusjes passen?’

Het kereltje keek argwanend naar hem op. Zijn scherpe blik gleed tastend, schattend langs de gelaatstrekken van de oude rechercheur.

‘Ik ken u niet.’

De Cock glimlachte.

‘Is je moeder thuis?’

‘Moeder is altijd thuis. De boodschappen doe ik.’

De Cock wees naar de kinderen, die met een oude tennisbal tegen de muur kaatsten.

‘Moet je zelf niet spelen?’

Het kereltje schudde kalm zijn hoofd en knikte daarna in de richting van de twee mollige meisjes.

‘Ze kijken nooit uit,’ sprak hij triest. ‘Ze steken zo over… als ik er niet ben. Laatst zat er een bijna onder een auto. Je kunt ze geen moment uit het oog verliezen.’

De Cock legde zijn hand op de smalle jongensschouder.

‘Ik weet hoe je je voelt,’ sprak hij meelevend. ‘Ik had zelf twee jongere zusjes.’ Hij liep bij hem weg. Na een paar passen kwam hij aarzelend terug. ‘Als… eh, als die meneer Van Woudrichem er is, dan… eh, dan komen we liever een ander keertje.’

Het kereltje reageerde scherp. Zijn gezicht kleurde rood.

‘Meneer Van Woudrichem komt hier niet meer. Nooit meer. Mijn moeder wil hem niet meer zien.’

De Cock knikte begrijpend. Hij draaide zich om en liep met Vledder in de richting van nummer 753. De jonge rechercheur keek hem van terzijde aan.

‘Vond je dat wel verantwoord, ik bedoel ethisch… om dat jochie zo te benaderen?’

De Cock kneep zijn lippen op elkaar en antwoordde fel: ‘Wat is ethisch… drie moorden voor drie miljoen?’

De jonge Vledder reageerde als een bestraft kind en liet het tere onderwerp verder rusten.

Voor nummer 753 bleven ze staan. De Cock keek naar een zwart plastic naamplaatje met M. v.d. Meulen in verzonken wit. Hij drukte op het knopje naast de naam. Ergens ver weg bonkte een gong.

Na enkele minuten werd de deur geopend door een jonge blonde vrouw. Het was de eerste keer dat De Cock haar in het gezicht zag, vol, zonder de versluierende voile, die ze op de begrafenis droeg. Peter van der Duin had gelijk. Rita van der Meulen was een knappe vrouw. Een raspaardje, zoals hij zei… echt wel iets om naar te kijken. En dat deed De Cock. Met welbehagen. De donkere japon die zij droeg, accentueerde, vond hij, op een verrukkelijke wijze haar fraaie, bijna uitbundige lijnen en haar lange goudblonde haren glansden opwindend in het schemer van de hal achter haar. Het benam De Cock voor een moment de adem.

Rita van der Meulen blikte met enige verwondering naar de beide mannen voor haar op de stoep.

De grijze speurder lichtte beleefd zijn hoedje.

‘Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa.’ Hij wuifde gracieus opzij. ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van de politie.’

In haar helblauwe ogen las hij achterdocht en angst.

‘Rechercheurs?’

De Cock knikte.

‘Wij… eh, wij wilden met u spreken,’ begon hij aarzelend. ‘Wij hadden dat al eerder willen doen, maar meenden dat u recht had op wat respijt om… eh, om de schok door de plotselinge dood van uw man op te vangen… het immense verdriet enigszins te verwerken.’

Rond haar volle lippen zweefde een flauwe glimlach. ‘Dat, dat is heel vriendelijk van u.’ Ze deed een stapje opzij. ‘Komt u binnen.’

De beide rechercheurs liepen aan haar voorbij. Ze deed de buitendeur achter hen dicht en ging de mannen daarna voor naar een ruime kamer, waar een fraai lederen bankstel een centrale plaats innam. Ze wenkte uitnodigend.

‘Gaat u zitten.’

De Cock knoopte zijn oude regenjas los en keek rond. Buiten het waarlijk imposante bankstel bevatte het vertrek weinig kostbaarheden. Het wandmeubel aan de muur was van geringe kwaliteit en toonde al duidelijk tekenen van verval. Hij liet zich op de bank zakken en legde zijn oude hoedje naast zich op het tapijt. ‘We moeten tot onze spijt bekennen,’ begon hij, ‘dat ons onderzoek tot nu toe niet erg succesvol is geweest. Wij jagen al geruime tijd, zonder enig resultaat, achter een man aan die Peter Shot wordt genoemd.’ Hij keek naar haar op. ‘Hebt u die naam wel eens gehoord?’

Mevrouw Van der Meulen schudde haar hoofd. Er kwamen rimpels in haar voorhoofd. ‘Zou hij mijn man…?’

Ze maakte haar zin niet af. De Cock knikte traag.

‘Wij beschikken nog niet over absolute bewijzen, maar het heeft er alle schijn van dat die Peter Shot verantwoordelijk is voor de dood van drie mensen… uw man, Richard van Slooten en zijn moeder.’ Hij blikte opnieuw naar haar op. ‘Kende u Richard van Slooten?’

Ze beschouwde hem argwanend.

‘Moet dat?’

De Cock glimlachte beminnelijk.

‘Niet per se. In ons onderzoek naar de overval zijn echter vragen gerezen… belangrijke vragen, waarop wij graag de antwoorden zouden vinden. Bijvoorbeeld: Hoe kwamen de overvallers zo goed op de hoogte?’

Ze knikte begrijpend.

‘U zoekt naar een informant.’

‘En naar een motief.’

‘Waarvoor?’

De Cock trok zijn gezicht strak.

‘De moord op uw man.’

Ze plukte aan het kraagje van haar japon.

‘Het… eh… het was moord?’

De Cock antwoordde niet. Hij keek haar onderzoekend aan, las de onrust in haar ogen. Na een poosje boog hij zich wat naar haar toe.

‘Hoe goed kende u uw man? Ik bedoel, was hij vertrouwelijk… sprak hij met u over zijn werk… zijn problemen?’

In haar hals verschenen rode plekken.

‘Martin en ik hadden een goed huwelijk.’

Het klonk fel, uitdagend.

De Cock knikte bedaard.

‘Ook in goede huwelijken zijn de echtelieden niet altijd even openhartig,’ sprak hij ernstig. ‘Dat behoeft de relatie niet te schaden.’

Mevrouw Van der Meulen hield haar hoofd iets schuin.

‘U denkt dat mijn man dingen voor mij verzweeg?’

‘Ja.’

‘Zoals?’

‘Zijn angst om u te verliezen.’

Ze reageerde heftig, kneep haar lippen op elkaar.

‘Daar was geen enkele reden voor.’

De Cock keek haar kil aan.

‘U kende dus die angst?’

Mevrouw Van der Meulen kwam met een ruk overeind.

‘Nee!’ Ze gilde bijna. ‘Ik heb nooit een moment geloofd dat Martin mij niet vertrouwde. Maar ik weet wat er werd gekletst… geroddeld. Ik heb die praatjes wel gehoord, maar ze misten elke grond.’ Ze zuchtte diep. ‘Het was op een feestavond van het bedrijf. Vorig jaar, in november. Het bedrijf bestond zoveel jaar. Er was een bandje en er werd gedanst. Die avond toonde meneer Van Woudrichem een meer dan gewone belangstelling voor mij. Het viel op. Van Woudrichem is beslist niet onaardig, maar hij is echt niet het type man voor wie ik iets zou kunnen voelen. Hij is me te week, te iel.’ Ze maakte een hulpeloos gebaar. ‘Maar wat moest ik? Hij was Martin zijn baas. Ik danste dus met hem. Veelvuldig. Later ging het personeel erover praten… vooral de vrouwen. Ik denk uit jaloezie.’

‘Ook Martin moet die praatjes hebben gehoord.’

Ze liet zich weer op de bank zakken.

‘Dat… eh, dat zal wel.’

‘Hij heeft er nooit met u over gesproken?’

‘Nee.’

De Cock keek haar scherp aan. ‘Was het niet om de roddels, dat Martin niet meer op Tsjecho-Slowakije wilde rijden?’

Ze trok haar schouders op.

‘Martin zei alleen dat hij die lange ritten beu was en naar de geldtransporten wilde. Dan was hij elke avond thuis. Dat was ook beter voor de kinderen.’

‘Dat is hij toen gaan vragen?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Dat heeft Martin niet gedaan. Dat deed ik.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘U vroeg of Martin naar de geldtransporten mocht,’ sprak hij verwonderd.

Ze friemelde met haar handen in haar schoot.

‘Martin zei: “Ga jij naar het kantoor, doe iets leuks aan, en vraag het aan Van Woudrichem. Als jij het vraagt, zal hij het vast niet weigeren.”’

‘En?’

Ze gebaarde nonchalant.

‘Meneer Van Woudrichem had er geen bezwaar tegen. Ik maak het wel in orde, zei hij.’

De Cock tastte aarzelend met de toppen van zijn vingers naar zijn voorhoofd. Zijn oude hersenen werkten op volle toeren. Wat verholen blikte hij in de richting van Rita van der Meulen. De antwoorden van de jonge vrouw hadden hem verrast. Blijkbaar had Martin van der Meulen de roddels rond zijn echtgenote niet zo ernstig genomen. Ze hadden hem niet verontrust. Integendeel, hij had de interesse, die de heer Van Woudrichem voor zijn ega had gekoesterd, juist gebruikt om bij de geldtransporten te worden geplaatst. Waarom? Toch omwille van zijn huwelijk… zijn kinderen?

‘Hoe vond Peter van der Duin het dat Martin de lange afstanden vaarwel had gezegd?’

Rita van der Meulen glimlachte.

‘Peter vond het verschikkelijk. Martin en hij konden heel goed met elkaar overweg. Maar Peter is een verstokt vrijgezel. Hij vindt het belachelijk om zich te binden. Daarom… voor hem zijn die uitgebreide ritten naar het buitenland een feest. Het maakt hem niets uit of hij wekenlang van huis is.’ Ze grinnikte. ‘In ieder stadje een ander schatje. Zo is Peter.’

De Cock plukte nadenkend aan zijn onderlip.

‘Is er thuis wel eens gesproken over de mogelijkheid een geldtransport te overvallen?’

‘Nooit.’

‘Ook niet uit scherts?’

‘Nee.’

‘Was Martin er niet bang voor? Uiteindelijk werd hij toch het slachtoffer van zo’n overval.’

Rita van der Meulen schudde haar hoofd.

‘Hij heeft het,’ sprak ze aarzelend, ‘hij heeft het er nooit over gehad.’

De Cock keek haar wat schuins aan.

‘En u… was u niet bang dat er iets kon gebeuren?’

Ze maakte een triest gebaar.

‘Elk beroep heeft zo zijn risico’s. Die lange afstanden waren ook niet ongevaarlijk.’

De Cock leunde achterover tegen de hoge rug van de bank. Hij voelde zich onbehaaglijk. Al zijn ervaring en kennis leken hem onvoldoende. Hij had het stellige gevoel dat deze Rita van der Meulen een vesting om zich heen had gebouwd; een ondoordringbare muur om zich tegen de brute buitenwereld te beschermen. Het was ook alsof ze al zijn vragen reeds kende en de antwoorden had overdacht.

‘Wilde Martin niet rijk zijn?’

De vraag klonk hem banaal in de oren.

Rita van der Meulen schonk hem een matte glimlach. Met haar rechterhand streek ze over het zachte leder van de armleuning van de fauteuil, waarop ze zat.

‘Dit bankstel is een gril van mij… een droom… tastbare illusie. Hoewel het ver boven ons budget ging, vond Martin het goed dat ik het kocht.’ Ze zweeg even. ‘Ik moet er nog acht termijnen op betalen. Martin verdiende niet zoveel bij Van Woudrichem en Van Beusekom en voor dat weinige moest hij nog hard ploeteren. Bovendien kosten de kinderen scheppen met geld. Martin zei wel eens: “En dan te bedenken dat elke dag weer, achter het glas van mijn cabine, in de geldwagen al de rijkdom van de wereld ligt.”’

Ze zweeg opnieuw. Met haar handen in haar schoot staarde ze voor zich uit. Haar wazige blik gleed langs de grijze speurder, verwijlde in een nabij verleden. Om haar fraai gevormde lippen danste een glimlach… nauwelijks waarneembaar, alsof haar gezicht die expressie niet wenste. Eerst na een poosje stond ze op. ‘Ik zal koffie voor u maken.’ Ze sprak op een toon die geen tegenspraak duldde. Waardig schreed ze naar de keuken.

De Cock keek haar na. Hij had in zijn lange rechercheloopbaan veel mooie vrouwen ontmoet en hoe mooier ze waren, hoe dieper zij in de poel van de misdaad waren weggezonken. Op de een of andere manier leken die vrouwen ook op elkaar… werkten zij betoverend op zijn voor vrouwelijk schoon zo ontvankelijk gemoed.

Rita van der Meulen kwam uit de keuken terug en zette kopjes, suiker en melk op de lage betegelde tafel. De Cock volgde haar handelingen. Toen ze had ingeschonken en de glazen koffiekan had weggezet, vroeg hij achteloos: ‘Begrijpt u waarom Martin die morgen van zijn route afweek?’

Ze keek hem vanuit de hoogte aan en alle kleur trok uit haar gezicht.

‘Wie zegt dat?’ vroeg ze ademloos.

‘De heer Van Woudrichem… en anderen.’

Ze had plotseling haar zelfbeheersing verloren. Haar pose smolt weg. Ze schudde heftig haar hoofd. Haar goudblonde haren dansten. ‘Dat is niet waar.’ Ze schreeuwde. Wild. Onbeheerst. ‘Dat is niet waar. Martin week niet van zijn route. Het zijn leugens… allemaal leugens.’ Ze zette haar voeten iets uit elkaar en trok haar hoofd in de nek. ‘Ik weet waar ze op uit zijn. Ik weet het. Ze willen na zijn dood de naam van mijn man bezoedelen.’ Ze strekte haar hand beschuldigend naar De Cock uit. ‘En daar doet u aan mee. Martin heeft met die overval niets te maken.’ Ze ademde diep, kreeg duidelijk iets van haar zelfbeheersing terug. ‘Ik was met een doodeerlijke man getrouwd.’ Ze zweeg even voor het effect. ‘Een doodeerlijke man… hoort u… een man die nooit aan enige smerigheid zou willen meewerken.’

Met driftige passen liep ze naar de kamerdeur en deed die wijdopen. ‘En nu wil ik dat u gaat… onmiddellijk.’

De Cock wierp zuchtend een blik op de koppen met dampende koffie. Toen stond hij langzaam op en gaf Vledder een wenk. Ze liepen samen via de opengehouden deur naar de hal. Daar draaide De Cock zich om. ‘Ik hoop,’ sprak hij ernstig, ‘dat ik u nooit teleur zal hoeven stellen.’

Загрузка...