Smalle Lowietje keek De Cock medelijdend aan.
‘Ik begrijp dat je ermee zit,’ sprak hij op droeve toon, ‘maar ik vond het toch belangrijk genoeg om het je te komen vertellen.’ Hij kwam overeind. ‘Ik ga terug voor ze mijn hele voorraad leegzuipen.’ Over zijn muizensmoeltje gleed een grijns. ‘Mijn vriendschap met jou kost mij toch al handen vol geld.’
De grijze speurder glimlachte vertederd.
‘God zal je belonen,’ sprak hij simpel.
Toen de tengere caféhouder gehaast naar zijn etablissement was vertrokken, liet Vledder zich in de stoel achter zijn bureau zakken. De verwarring was van zijn gezicht te lezen. ‘In wat voor een zaak zijn we terechtgekomen?’ riep hij ontsteld. ‘’s Morgens brengen we heel plechtig, compleet met een kakelende dominee, een man ten grave en nog diezelfde dag horen we, dat de diep betreurde dode op datzelfde moment in Antwerpen heel genoeglijk achter een groot glas bier zat.’
‘Als een oude kol.’
‘Wat is een oude kol?’
‘Een man of een vrouw met bovennatuurlijke krachten. Ze werden, net als de witte wijven, vaak op meer plaatsen tegelijk gezien. Ik weet dat mijn grootouders op Urk er nog heilig in geloofden en dat…’
Vledder zwaaide afwerend…
‘Is die Dikke Toon te vertrouwen?’
De Cock drukte de oude kollen wat uit zijn gedachten.
‘Dikke Toon heeft maar één kind… een dochtertje. Hij is stapel op die meid. Als Dikke Toon op de gezondheid van zijn kind zweert…’
De grijze speurder maakte zijn zin niet af.
‘We kunnen er beslist van uitgaan dat hij Rickie van Apache Alie heeft gezien.’
Hij zweeg even en peinsde.
‘Het is alleen jammer dat hij niet naar hem toe is gegaan om even aan hem te voelen en gelijk naar zijn gezondheid te informeren.’
Het klonk haast komisch.
‘Ik kan mij levendig indenken dat Dikke Toon vrijwel in paniek uit Antwerpen is gevlucht. Hij moet er in zijn hart van overtuigd zijn geweest met een geestesverschijning van doen te hebben gehad,’ zei Vledder.
De Cock keek verwonderd naar zijn jonge collega.
‘Dus toch een oude kol?’ vroeg hij smalend. ‘Eentje op klaarlichte dag?’
Vledder zwaaide wild met zijn beide armen.
‘Er moet toch een verklaring voor zijn?’
‘Voor wat?’
‘Dat Dikke Toon Rickie zag?’
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
‘Wat voor een verklaring wil je daarvoor zoeken? Hij zag hem gewoon. En ook het bier was echt.’
Vledder likte aan zijn droge lippen.
‘Je… je bedoelt,’ stamelde hij, ‘dat Dikke Toon een echte, levende Rickie zag?’
‘Ja.’
De jonge rechercheur staarde hem verbijsterd aan.
‘Wie hebben wij vanmorgen dan begraven?’
De Cock staarde voor zich uit. Zijn breed gezicht was een strak masker. ‘Op die vraag,’ sprak hij verbeten, ‘zal ik het antwoord vinden.’
Commissaris Buitendam zag er ontspannen uit. Enige dagen verlof hadden een paar vermoeide plooien in zijn gelaat gladgestreken. Om zijn mond dartelde een glimlach. ‘Exhumatie?’ riep hij geamuseerd.
De Cock knikte.
‘Exhumatie,’ herhaalde hij. ‘Ik wil de lijken van de mensen die op de begraafplaats Zorgvlied onder de namen Ronald Kruisberg, Hendrik-Jan van Assumburg en Richard Strijdbaar ter aarde zijn besteld laten opgraven.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik vermoed dat ze nog in leven zijn.’
Commissaris Buitendam lachte smalend.
‘Die lijken zijn nog in leven?’ vroeg hij met duidelijke spot.
De Cock voelde hoe een lichte woede in zijn aderen kroop. Om die te bedwingen drukte hij de nagels van zijn vingers in de palmen van zijn handen.
‘Ik dacht dat ik mijn vraag toch wel duidelijk had geformuleerd,’ sprak hij uiterlijk kalm. ‘Ik beweer niet dat lijken leven. Dat is pure onzin. Ik meen alleen over enige aanwijzingen te beschikken dat de mensen die onder de namen die ik noemde, zijn begraven… in werkelijkheid nog gezond en wel op onze aardbodem rondwandelen.’
Commissaris Buitendam fronste zijn zware wenkbrauwen.
‘Hebben wij over dit onderwerp samen niet al eens een gesprek gehad?’ vroeg hij gemelijk.
De Cock knikte.
‘De dag voor u met verlof ging.’
Buitendam trok een bedenkelijk gezicht.
‘Dat ging, als ik mij goed herinner, over een dode man, van wie jij meende dat je hem in leven op een begraafplaats had gezien?’
De Cock drukte zijn nagels nog dieper in zijn handpalmen.
‘Dat was Ronald Kruisberg op Zorgvlied en… eh, ik meende niet dat ik hem zag… ik zag hem.’
De commissaris produceerde een wrange glimlach.
‘En nu zijn er nog meer van die doden, die levend rondlopen?’ In zijn stem trilde een lichte spot.
Het lukte De Cock om zijn kalmte te bewaren.
‘Hendrik-Jan van Assumburg, een wat louche zakenman en Ronald Strijdbaar, een berucht onderwereldfiguur. Volgens de officiële lezing werden beiden in Antwerpen vermoord en in Amsterdam begraven. Maar Van Assumburg nam een dag na zijn dood zijn totale tegoed bij de IJsselsteinse Bank op en Richard Strijdbaar zat gisteren rond het middaguur in een stemmig Antwerpse stammenee achter een groot glas bier.’
‘Kun je dat bewijzen?’
De Cock maakte een lichte schouderbeweging.
‘Ik denk,’ sprak hij voorzichtig, ‘dat de kassier van de IJsselsteinse Bank, die het geld aan Van Assumburg uitbetaalde, wel zal willen getuigen. Maar van Dikke Toon ben ik niet zo zeker.’
Commissaris Buitendam trok zijn bovenlip iets op.
‘Wie is Dikke Toon?’ vroeg hij geaffecteerd.
De Cock zuchtte diep. Het verbaasde hem steeds weer dat de commissaris zo weinig wist van het wereldje waarin de recherche werkte. ‘Dat is de man,’ legde hij geduldig uit, ‘die Richard Strijdbaar, in de buurt beter bekend als Rickie van Apache Alie, in Antwerpen achter zijn bier zag. Maar Dikke Toon is een penozejongen, die… officieel benaderd… zijn waarnemingen mogelijk zal ontkennen. Daar is nu eenmaal niets aan te doen. Die jongens komen niet graag voor een rechter… zelfs niet als getuige.’
Buitendam staarde secondenlang voor zich uit.
‘Die Ronald Kruisberg was toch ook in Antwerpen om het leven gekomen?’
‘Bij een auto-ongeluk.’
Ie commissaris spreidde de vingers van zijn slanke handen en drukte de vingertoppen tegen elkaar. ‘En welke aanwijzingen heb je voor zijn… leven en welzijn?’
‘Buiten mijn eigen waarnemingen, is het mij gisteren ter ore gekomen dat ook zijn vrouw en zijn zoon hem in leven hebben gezien.’
‘En willen ze getuigen?’
De Cock boog zijn hoofd en wreef zich achter in zijn nek. ‘Ik ben bang dat ze het niet zullen accepteren.’
‘Wat?’
‘Dat hun man… vader… nog in leven is.’
Buitendam keek De Cock verwonderd aan.
‘Waarom zouden zij dat niet accepteren?’ vroeg hij verbaasd.
De grijze speurder antwoordde niet direct.
‘Soms komt de dood als een ware verlossing,’ sprak hij traag en wat afwezig. ‘En dat niet alleen voor de betrokkene zelf.’
‘Je bedoelt dat ze blij waren met zijn dood?’
De Cock keek naar de commissaris op.
‘Ik denk,’ sprak hij ernstig, ‘dat beiden in de huidige situatie geen verandering wensen. Begrijpt u? Ik verwacht noch van de echtgenote noch van de zoon enige medewerking om te bewijzen dat de oude Ronald Kruisberg in werkelijkheid nog leeft. Hun man en vader is dood en daar hebben ze vrede mee.’ De grijze speurder zweeg even. Daarna knikte hij peinzend voor zich uit. ‘Ik besef mijn positie,’ ging hij somber verder. ‘Alles bijeen heb ik niet veel mogelijkheden om tot een bewijs te komen. De heren Kruisberg, Van Assumburg en Strijdbaar zullen een andere identiteit hebben aangenomen en wanneer ze zich verder rustig houden, kan het vele jaren duren voor er in deze zaak weer enige voortgang kan worden geboekt.’
Buitendam wreef zich over zijn kin.
‘Vandaar exhumering?’
‘Precies.’
‘Wat dacht je te vinden?’
‘In de doodkisten?’
‘Ja.’
De Cock gebaarde wat vaag voor zich uit.
‘Van alles… lood, stenen, zakken zand en misschien wel… andere lijken.’
Vledder monsterde het verhitte gezicht van De Cock en schudde meewarig zijn hoofd.
‘Was het weer zover?’
‘Wat?’
‘Was je weer zo onaardig tegen hem dat hij je van zijn kamer stuurde?’
De grijze speurder knikte bedroefd en plofte met een zucht op de stoel achter zijn bureau neer. ‘Geloof me, Dick,’ sprak hij moedeloos, ‘ik wilde geen herrie. Ik ben echt naar hem toe gegaan met het ernstige voornemen om mij onder alle omstandigheden in bedwang te houden.’
Vledder grijnsde.
‘Dat is je dus kennelijk niet gelukt.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaartje.
‘Ik kon er niets aan doen. Zijn weigering was zo bot en zo ongemotiveerd, dat ik mijn geduld verloor.’
‘Geen exhumatie?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Hij wilde mijn voorstel niet eens aan de officier van justitie voorleggen. Exhumatie was volgens hem onchristelijk… men diende de doden met rust te laten… en verder zo onsmakelijk en weerzinwekkend, dat het in feite niet in onze Nederlandse opsporingsmethodieken thuishoorde.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Hij is belazerd.’
De Cock grinnikte.
‘En dat woord heb ik niet eens gebruikt.’
Het gezicht van de jonge rechercheur werd rood.
‘Heb je hem de hele toedracht verteld?’
De Cock knikte.
‘Zo oprecht mogelijk. Ik kan mij niet herinneren dat ik tijdens een onderzoek ooit zo openhartig tegen hem ben geweest.’ Hij zwaaide zijn handen hulpeloos uiteen. ‘Ik heb het idee dat hij de ernst niet onderkent… dat hij de zaak alleen maar grappig vindt… een amusant spelletje… stuivertje wisselen tussen leven en dood.’
Het klonk bitter.
Vledder keek de grijze speurder vragend aan.
‘Wat heeft het voor consequenties?’
‘Het weigeren van de exhumatie?’
‘Nee, dat… dat stuivertje wisselen, zoals jij dat noemt… tussen leven en dood.’
De Cock plukte nadenkend aan zijn onderlip.
‘Ik ken de motieven niet… noch van Kruisberg, noch van Strijdbaar en Van Assumburg. Ik weet niet waarom ze een officiële dood verkozen boven een officieel leven. Uiteraard zullen bij die keuze bepaalde belangen een rol hebben gespeeld. De status van dode is een afdoend middel om je aan een aardse rechter te onttrekken. Ik zei het je al eerder: de strafvervolging vervalt bij de dood.’
‘Is dat niet logisch?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Men kan iemand postuum huldigen, maar men zou hem ook postuum moeten kunnen straffen.’
‘Wat heeft dat voor zin?’
‘Voor de dode niet… maar denk eens aan de erven. Wanneer een rechter na de dood van de verdachte hem een enorme geldboete oplegt of zijn bezittingen verbeurd verklaart… bezittingen, die inmiddels als nalatenschap in handen van de erven zijn overgegaan… dan heeft dat zeker consequenties. Denk je eens in, dat een Nederlandse rechter plotseling zou oordelen dat Willem van Oranje destijds al zijn bezittingen onrechtmatig heeft verkregen, dan kon onze hele koninklijke familie nu wel naar Sociale Zaken.’
Vledder lachte hartelijk.
‘Dwaas.’
De Cock knikte met een ernstig gezicht.
‘Toch heeft men dergelijke grappen in het verleden wel uitgehaald. En ook recent…’ Hij maakte zijn zin niet af. Het onderwerp gleed uit zijn gedachten, maakte plaats voor de realiteit van zijn onderzoek.
Peinzend keek hij naar Vledder op. ‘Nu de commissaris toestemming voor exhumatie weigert, moeten we een reisorder zien te bemachtigen.’
‘Voor België?’
‘Precies… daar komen uiteindelijk die officiële doodstijdingen vandaan.’
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder boog zich iets naar voren en nam de hoorn op. Hij luisterde enige tijd en legde toen de hoorn op het toestel terug. Zijn jonge gezicht zag bleek.
De Cock keek hem gespannen aan.
‘Wat is er?’
‘In het water van het Rokin bij de Oude Turfmarkt drijft het lijk van een man.’
De Cock wuifde afwerend.
‘Dat is niet voor ons. Dat is een zaak voor het derde district, politiebureau Lijnbaansgracht.’
Vledder schudde zijn hoofd. Zijn onderlip trilde.
‘De jonge Ronald Kruisberg staat aan de wallenkant. Hij zegt dat het zijn vader is.’