Vledder lachte voluit.
‘Hij was je op alle fronten de baas. De manier waarop hij jouw denkbeelden, dat Richard Strijdbaar en Hendrik-Jan van Assumburg nog in leven waren, belachelijk maakte, was subtiel. Hij leek ook geen moment geschokt. Integendeel… hij acteerde volmaakt rustig… alsof hij jou en jouw beweringen niet au sérieux nam.’
De Cock blikte opzij.
‘En dat vond jij prachtig?’
De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Dat niet. Maar als die broeder Georgius inderdaad bij deze affaire is betrokken, dan hebben wij in hem een vervaarlijk tegenstander.’
‘Iemand die wij wel serieus moeten nemen.’
Vledder knikte ernstig. ‘Het zal niet meevallen om die tempel open te breken. Broeder Georgius voelt zich volkomen veilig. En terecht.’ Hij gebaarde heftig. ‘Wat hebben we voor aanwijzingen? Een warrig foldertje, gevonden bij Rickie van Apache Alie, en het feit dat een dode Ronald Kruisberg als Jan de Vries in de tempel aan de Burchtgracht zijn domicilie kiest. En verder?’
De Cock bleef staan. Stokstijf. Zijn benen iets uit elkaar. Zijn gezicht was als een stalen masker. Met een gebaar van ingehouden woede stak hij drie vingers van zijn rechterhand omhoog.
‘Drie,’ siste hij, ‘drie mannen… Kruisberg, Van Assumburg en Strijdbaar… hebben hier vertoefd… zijn lid geweest van het Heilig Verbond van de Stervenden… stierven en kwamen weer tot leven.’ Hij ademde diep. ‘Nu geef ik direct toe dat hieruit geen gram bewijs valt te tillen, dat zelfs de stomste advocaat ons honend de rechtszaal uitjaagt… maar één ding verzeker ik je… een vervaarlijke broeder Georgius of niet… De Hemelpoort zal ik ontsluiten.’
Ze liepen de Burchtgracht verder op, in de richting van het Vleeshuis. Achter gesloten vitrage lonkten een paar bedaagde hoertjes. Op de hoek van de Drie Hespenstraat stond een wat gezette man in de deuropening van het café Piaf.
De Cock slenterde naar hem toe.
‘Misschien kunt u ons helpen,’ loog hij beminnelijk. ‘We zoeken tempel De Hemelpoort.’
De man wees voor zich uit.
‘Daar moet u aan voorbij zijn gekomen.’
De Cock glimlachte.
‘Het is ons niet opgevallen.’ Hij weifelde even. ‘Komen er veel mensen naar de tempel?’
De man knikte bevestigend.
‘Het is er een komen en gaan. Het lijkt soms wel de zoete inval. Landlopers, zwervers, verslaafden… elk mens in nood is daar welkom.’
De Cock hield zijn hoofd scheef.
‘En als men niet behoort tot de… eh… categorieën, die u zo-even noemde?’
De man keek de beide rechercheurs voor zich schattend aan.
Toen trok hij zijn schouders op.
‘Dat deert de broeders niet,’ sprak hij achteloos. ‘Zij volgen de werken der barmhartigheid… de hongerigen voeden en de dorstigen laven.’
De rechercheurs bogen tot dank en liepen terug.
Vledder grinnikte.
‘Ik vrees,’ sprak hij spottend, ‘dat we onze mening over broeder Georgius nog moeten herzien.’
De Cock reageerde niet. Toen ze uit het zicht van de man bij café Piaf waren, schoven ze de Zakstraat in en zetten koers naar de Grote Markt.
Vledder snoof.
‘Ik kan niet zeggen,’ merkte hij somber op, ‘dat Antwerpen ons veel verder heeft gebracht.’
De Cock keek om zich heen. ‘We zoeken voor de nacht een hotelletje.’
‘Gaan we morgen terug naar Amsterdam?’
De Cock knikte.
‘Maar morgenochtend ga jij eerst even naar hoofdcommissaris Opdenbroecke om hem te vragen wat hij weet van ene Paulus Verhoeven, een man die vijf jaar geleden bij Sankt-Moritz in een ravijn stortte. We ontmoeten elkaar dan weer in het Centraal Station.’
Vledder blikte wat argwanend opzij.
‘En jij?’
De grijze speurder schoof zijn oude hoedje wat naar achteren. ‘Ik? Ik ga nog eens terug naar de Twaalfmaandenstraat.’
De Cock was geen man die zich in elke stad onmiddellijk thuisvoelde. Dat fenomeen miste hij. Voor de oude speurder had iedere stad haar eigen ondefinieerbare geluiden, geuren en kleuren in de zon. Het duurde meestal dagen voordat ook voor hem de straten dimensies kregen, de huizen een gezicht.
Maar in Antwerpen was dat anders. Met een zekerheid alsof hij al vele reïncarnaties in die stad had gewoond en geleefd, slenterde hij over de Grote Markt langs het stadhuis en bezag met welgevallen de imposante gevels van de oude gildehuizen.
Zonder na te denken vond hij zijn weg naar de Twaalfmaandenstraat en stapte de schippersbeurs binnen. Het was er druk, rokerig en rumoerig. In het midden, op schragen en lange latten, zaten en praatten schippers met gelooide gezichten. Zo nu en dan keken zij omhoog naar vrachtberichten in wit krijt op groene borden.
Tegen een hoge eikenhouten lambrisering leunden fraaie oude gotische kerkbanken, rechtop en smal, waarop het, naar traditie, pijnlijk was te zitten.
Vanachter een balie stevende een man op De Cock af. Hij had een bolle buik, gevangen in een geel en afschuwelijk lelijk T-shirt. Hij keek de grijze speurder onderzoekend aan. ‘Van welke onderneming zijt ge?’ vroeg hij met enige achterdocht.
De Cock trok zijn gezicht in een brede grijns.
‘Een onderneming,’ sprak hij spottend, ‘die, volgens sommigen ten onrechte, meent dat dieven, rovers en moordenaars dienen te worden gevangen en berecht.’ Hij zweeg even, monsterde het beteuterde gezicht voor hem en veranderde van toon. ‘De schipper van de Stella Maria,’ vroeg hij vriendelijk, ‘komt die hier ook wel eens?’
De man in het gele T-shirt knikte instemmend.
‘Zeker.’ Hij draaide zich half om en wees naar een lange, stille, eenzame figuur op een kerkbank verderop. ‘Daar zit hij.’
De Cock slenterde op de man toe en ging naast hem zitten.
‘Johannes van den Bosch?’ vroeg hij zacht.
De man lichtte zijn wenkbrauwen iets op.
‘Van den Bosch… ja, dat ben ik.’
‘Hollander?’
De schipper keek hem vragend aan.
‘Moet dat een aanbeveling zijn?’
De grijze speurder glimlachte.
‘Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa. Ik ben als rechercheur verbonden aan het politiebureau in de Warmoesstraat in Amsterdam.’
‘Ver van huis.’
De Cock maakte een hulpeloos gebaartje.
‘Ik ben ambtelijk betrokken bij twee moorden, die hier in Antwerpen zijn gepleegd. Volgens mijn inlichtingen heeft u in beide gevallen de lijken ontdekt.’
‘Dat klopt. Ze dreven in het dok.’
‘Ik ga ervan uit dat u de plaatselijke autoriteiten hier volledig hebt ingelicht,’ ging De Cock verder.
‘Uiteraard.’
De grijze speurder aarzelde even.
‘Is er misschien toch iets… iets, waarvan u achteraf zegt dat was vreemd… merkwaardig?’
De schipper trok zijn schouders op.
‘Ze lagen wat hoog in het water. Wanneer lijken van drenkelingen boven water komen, dan ziet men vaak niet meer dan de kruin. Bij deze twee lijken staken ook de ruggen bollend boven water.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Bij een normale drenkeling zit er ook geen lucht in de longen. Bij deze lijken was dat wel het geval.’
Van den Bosch staarde voor zich uit.
‘Dan was er iets,’ sprak hij peinzend, ‘dat ik mij pas later realiseerde.’
‘Dat was?’
De schipper verschoof iets op de bank.
‘Tussen de beide moorden lag een verschil van twee of drie dagen. Beide keren lag er een Nederlands jacht in het Bonapartedok.’
‘En die dagen daartussen niet?’
‘Nee.’
‘Herinnert u zich nog de naam van het jacht?’
‘Vita Nova. Ik interesseer mij voor zeewaardige jachten. Het is een soort hobby van mij. Een paar maanden geleden lag het jacht in de Sixhaven in Amsterdam. Ik heb er toen nog een tijdje bewonderend naar staan kijken. Het is een beauty.’
De Cock keek de schipper gespannen aan.
‘Weet u wie de eigenaar is?’
Van den Bosch knikte traag.
‘Ene Van Assumburg.’
Licht schokkend gleed de trein het Centraal Station van Antwerpen uit. De Cock leunde achterover en keek naar de huizen die aan hem voorbijgleden. Het gaf hem een weemoedig gevoel. De grijze speurder was in luttele uren van die stad gaan houden en wist dat hij eens zou terugkomen. Misschien om een rovershol te reinigen en de kooplieden uit de tempel te verdrijven, maar zeker om nog eens te slenteren over verstilde pleintjes en middeleeuwse straten en… om een koel Bolleke in een halfduister staminee.
Vledder verstoorde zijn overpeinzingen.
‘Hoofdcommissaris Opdenbroecke vroeg of wij nog iets hadden bereikt.’
‘Wat heb je hem gezegd?’
‘De waarheid. Dat we in feite door broeder Georgius waren vernederd.’
De Cock keek hem van opzij aan.
‘Voel je dat zo?’
‘Een beetje wel.’
De Cock trok gelaten zijn schouders op.
‘Hij was heel hoffelijk en beminnelijk. Ik kan niet anders zeggen. En verder zullen wij nog maar moeten bewijzen dat zijn tempel inderdaad een camouflage is voor duistere praktijken.’ Hij krabde zich achter in zijn nek.
‘Ik heb vanmorgen overigens een interessante ontmoeting gehad.’
‘Met wie?’
‘Met de schipper van de Stella Maria.’
‘Waar?’
‘In de schippersbeurs.’
Vledder lachte.
‘Daarom wilde je naar de Twaalfmaandenstraat.’
De Cock knikte.
‘En het was de moeite waard. Schipper Van den Bosch heeft een scherp oog voor mooie jachten.’
‘En?’
‘Hij heeft in het Bonapartedok tweemaal een prachtig jacht gezien… en beide malen dreef kort daarna een lijk langs de Stella Maria.’
Vledder keek zijn oude collega met grote ogen aan. ‘Waarom heeft men ons bij de Gerechtelijke Politie daar niets van gezegd?’
‘Dat wist Opdenbroecke niet… en dat weet hij nog niet. Het is een detail dat schipper Van den Bosch zich pas later realiseerde.’
‘Is dat jacht op te sporen?’
De Cock glimlachte.
‘Dat zal wel lukken. Het is een Nederlands jacht… de Vita Nova. De schipper van de Stella Maria kende het jacht en wist zelfs wie de eigenaar was.’ Hij zweeg even voor effect. ‘Ene heer Van Assumburg.’
Vledder gleed haast van de bank.
‘Wat?’ riep hij geschokt.
‘Schipper Van den Bosch had het jacht een paar maanden geleden nog in Amsterdam in de Sixhaven zien liggen.’
Vledder knikte nadenkend voor zich uit.
‘Dat kan best kloppen,’ sprak hij traag. ‘Van Assumburg had een zeewaardig jacht. De deftige Van Ravenswoud vertelde het ons toen hij aangifte kwam doen terzake oplichting en valsheid in geschrifte.’ De grijze speurder wreef met zijn vlakke hand over zijn gezicht. ‘Op de weg naar het station,’ verzuchtte hij, ‘heb ik overdacht hoe ik deze nieuwe ontwikkeling moest inpassen. Ik ben er nog niet uit. Wie voer er met het jacht? Was het de dode en weer tot leven gekomen Hendrik-Jan van Assumburg… of was het iemand anders?’
De trein raasde met hoge snelheid naar de Nederlandse grens. Een tijdlang zwegen beiden. Verzonken in gedachten. Na een poosje keek Vledder opzij.
‘Moeten we de Gerechtelijke Politie op de hoogte brengen?’
De Cock knikte.
‘Zeker. Dat mogen we hen niet onthouden. Wat wist de hoofdcommissaris overigens van die Paulus Verhoeven?’
Vledder grinnikte.
‘Dat moet een mooi heerschap zijn geweest. Bij de Gerechtelijke Politie in Antwerpen waren ze destijds blij dat ze van hem verlost waren.’
‘Hoezo?’
‘Die Paulus Verhoeven maakte er een gewoonte van om steeds opnieuw allerlei vreemde sektarische bewegingen op poten te zetten: Jeugd Voor Vrede, De Laatste Heiligen van het Avondland, Terug Naar Eenvoud…’
De Cock onderbrak Vledders opsomming.
‘En het Heilig Verbond van de Stervenden.’
‘Inderdaad.’
‘Een man met fantasie.’
Vledder knikte instemmend.
‘Het lukte hem ook steeds weer om mensen voor zijn vaak absurde ideeën te winnen. Als ze enthousiast waren geworden, liet hij hen geld inzamelen en voor een karige hap eten langdurig werken. Er waren zelfs mensen, die hem hun gehele bezit overdroegen.’
De Cock grijnsde.
‘En de heer Verhoeven leefde er goed van.’
‘Zeker. Toen de Gerechtelijke Politie hem te dicht op de hielen kwam, vluchtte hij met al zijn liquide middelen naar Zwitserland.’
‘En stortte bij Sankt-Moritz in een ravijn.’
‘Zo is het.’
De Cock wreef met zijn pink over de rug van zijn neus.
‘En weet je nog wie tante Evelien in Sankt-Moritz ontmoette?’ De mond van Vledder viel open.
‘Hendrik-Jan van Assumburg.’