De nieuwe dag begon met een schuchter zonnetje, dat vanachter het Centraal Station opdook en de rijp aan de bomen van de gracht omtoverde tot miljoenen oogverblindend glinsterende diamantjes.
De Cock keek ernaar en genoot. Hij hield van zijn stad. Het was een mateloze liefde, die zijn ziel klemvast in haar greep had. Amsterdam was in zijn ogen uniek en onvergelijkbaar. Volgens hem was er geen stad ter wereld die met haar kon wedijveren. Welke city kon bogen op zoveel schoonheid, zo’n opstandige en kosmopolitische bevolking en… zoveel misdaad?
Hij keek nog eens om zich heen en grinnikte. De eerlijkheid gebood hem te bekennen, dat hij buiten Amsterdam maar weinig steden kende. Reisdrift was hem vreemd. Het was een hartstocht die niet zo sterk in hem leefde. Het liefst was hij thuis, genoot van de culinaire hoogstandjes van zijn vrouw of slenterde door de oude binnenstad waar hij iedere stoep en iedere steen kende.
Hij blikte opzij naar Vledder, aan het stuur. De jonge rechercheur zag er bleek en vermoeid uit.
‘Slecht geslapen?’ vroeg De Cock bezorgd.
‘Ja, erg slecht. Ik werd steeds wakker.’
‘Waarom?’
Vledder reageerde nijdig.
‘Waarom?’ snauwde hij. ‘Waarom? Omdat jij de wonderlijke gave bezit om een mens steeds opnieuw in de problemen te brengen.’
De Cock keek zijn collega verwonderd aan.
‘Ik?’ riep hij verontwaardigd. ‘Ik bezorg jou geen problemen… ik leg jou geen raadseltjes voor… dat doen anderen.’
De jonge rechercheur snoof.
‘Waarom was jij gisterenavond zo verrukt toen Smalle Lowietje jou dat foldertje gaf?’
De Cock grinnikte smalend.
‘Was ik zo verrukt?’ vroeg hij ongelovig.
Vledder knikte heftig.
‘Ik ken je toch? Hoelang trek ik al met je op? Je was zo opgetogen, zo gefascineerd, dat het leek alsof je goud in je handen had.’
De Cock gebaarde achteloos.
‘Ik heb niet eens verder gekeken. De tekst op de omslag sprak mij aan. Kom tot ons. Wij verzorgen uw dood tot aan uw begrafenis.’ Hij keek schuin omhoog. ‘Intrigeert die tekst jou niet?’ Vledder schudde traag zijn hoofd.
‘Waarom?’ vroeg hij afwijzend. ‘Ik heb de folder gisterenavond voor ik naar bed ging nog eens uitgebreid bekeken. Ik kan er niets bijzonders aan ontdekken. Het is een uitgave van het HVS.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.
‘Het HVS?’
Vledder knikte.
‘Het Heilig Verbond van de Stervenden.’
De grijze speurder liet zijn mondhoeken zakken tot een droeve grijns. ‘Bestaat die?’
Vledder knikte opnieuw.
‘Zeker, die bestaat. Omdat jij blijkbaar waarde aan die folder hechtte, heb ik vanmorgen, nog voordat jij aan het bureau kwam, wat navraag gedaan.’
‘En?’
‘Het HVS is een soort sekte, een afgescheiden geloofsgemeenschap. Onafhankelijk. Middels dat foldertje tracht men leden te werven.’
‘Om te sterven?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Om te leven naar de dood toe.’
‘Dat begrijp ik niet.’
De jonge rechercheur zuchtte omstandig.
‘Het is helemaal niet zo moeilijk. Ik heb het mij laten uitleggen door die man.’
‘Welke man?’
‘De man, die ik aan de telefoon kreeg, toen ik het telefoonnummer draaide dat in het foldertje stond. Hij had liever een persoonlijk gesprek, maar toen ik aandrong, vertelde hij mij dat het HVS zich ten doel stelt om mensen de gelegenheid te bieden om zich onbekommerd, bevrijd van wereldse zorgen, voor te bereiden op de dood. Volgens mijn zegsman is de dood te onverbiddelijk, komt voor vele mensen te snel, te onverwachts, waardoor zij onvoldoende tijd hebben om met God en zichzelf in het reine te komen.’
‘Een edel streven,’ sprak De Cock bewonderend.’ Een streven dat steun verdient.’ Hij blikte opzij. ‘En waar is dat nobele genootschap gevestigd?’
Vledder antwoordde niet. Hij staarde onafgebroken op de weg. Star, ontoegankelijk.
‘Waar is dat genootschap gevestigd?’ herhaalde De Cock dwingend. De jonge rechercheur klemde zijn beide handen vaster om het stuur. Om zijn mond lag een onwillige trek.
‘Antwerpen.’
Vledder parkeerde de oude politie-Volkswagen tegen het hek van de begraafplaats. De beide rechercheurs stapten uit en slenterden over het brede toegangspad in de richting van de aula.
Het was beduidend minder koud dan tijdens hun vorige bezoek. Het was bijna windstil en de ontdooiende rijp kletterde van de bomen op het grind.
De Cock wurmde zijn sjaal wat losser. Toen ze de aula hadden bereikt, keek hij spiedend om zich heen. Onwennig, kennelijk in een geleende zwarte jas, ontwaarde hij Smalle Lowietje tussen een kluitje bekende penozekornuiten. Wat verderop herkende De Cock een paar belegen prostituees. Oude vakgenoten van Apache Alie. Er was ook een kleine vertegenwoordiging van het Leger des Heils. Hun sobere uniformen pasten in het decor. Dezelfde bejaarde begrafenisondernemer met hoge hoed en grijze handschoenen slofte met zijn pen en condoleanceregister langs de wachtenden.
De Cock stootte Vledder van opzij aan.
‘Ga vragen of je het na afloop mag lenen.’
Vledder reageerde nukkig.
‘Ik voel er feitelijk niet zoveel voor,’ sprak hij afwijzend. ‘Het geeft alleen maar moeilijkheden en veel werk.’
De grijze speurder keek hem van terzijde aan en stapte toen resoluut van hem weg. De jonge rechercheur hield hem glimlachend tegen. ‘Kalm aan,’ sprak hij spottend. ‘Ik wacht even tot zijn hoed afwaait.’
De Cock siste tussen zijn tanden.
‘Het is windstil.’
Vledder lachte om de reactie.
‘Ik begrijp overigens niet goed,’ sprak hij schouderophalend, ‘wat jij met dat register wil.’
De Cock gebaarde om zich heen.
‘Ik wil alleen weten of hier nu mensen zijn, die ook belangstelling toonden voor de begrafenis van Hendrik-Jan van Assumburg.’
Vledder keek hem verrast aan.
‘Verwacht je dat?’
‘Ja.’
‘Waarom?’
‘Omdat beide moorden dezelfde karakteristieken hebben.’
‘Wat?’
De Cock keek verstoord op.
‘Spreek ik Russisch?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Buiten het opmerkelijke feit dat beide heren in Antwerpen gewelddadig het leven lieten, zie ik geen enkele overeenkomst.’
‘Je vergeet een belangrijk facet.’
‘Welk?’
‘Beide heren stonden bekend als min of meer vermogende lieden, maar toen de dood plotseling toesloeg, bezaten ze geen cent meer.’
De jonge rechercheur keek naar De Cock.
‘De dood sloeg niet plotseling toe,’ sprak hij corrigerend. ‘Dat blijkt uit hun uitspraken. Beide heren wisten deksels goed dat hun dood naderbij was.’
‘En ook dat is een punt van overeenkomst,’ knikte De Cock.
Een brede, glanzende lijkwagen kroop over het grind van het toegangspad naderbij. Op enige afstand stopten de volgwagens. De deuren van de aula gleden open en de met een weelde aan bloemen bedekte baar werd uit de wagen getild.
Toen eenieder door de aula was opgeslokt, stapten De Cock en Vledder als laatsten naar binnen. De beide rechercheurs schoven naar de achterwand. Met hun rug leunend tegen de eikenhouten lambrizering, keken ze naar een deftig in het zwart geklede heer, die achter een kathedertje plaatsnam.
De heer rangschikte enige papieren voor zich en kuchte indrukwekkend. Daarna, in een theatraal gebaar, bracht hij zijn beide armen schuin naar voren.
‘God,’ sprak hij met grote stemverheffing, ‘schenke u Zijn zegen en geve u vrede. Amen.’ Hij liet zijn beide armen zakken en ging rustiger verder. ‘Ziende op de Heer, die gesproken heeft: Ik ben de opstanding en het leven, die in Mij gelooft zal leven; ook al is hij gestorven en eenieder, die leeft…’
De Cock liet de zalvende woorden van de prediker over zich heen daveren. Zijn scherpe blik gleed over de ruggen van de aanwezigen. Vooraan, als een koningin te midden van haar hofdames, zat Apache Alie met haar oude, vreemd uitgedoste vriendinnen. Pal achter haar, op de tweede rij, in donkere, te strakke pakken, zaten de paladijnen van de penoze broederlijk bijeen. In een milde beschouwing bedacht De Cock hoeveel jaren gevangenisstraf de heren gezamenlijk vertegenwoordigden en benaderde bij een snelle berekening bijna een kwart eeuw. Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door de spreker, die plotseling heftig gebaarde.
‘De mortuis nil nisi bene,’ riep hij pathetisch. ‘Over de dode… over de dode zult u van mij geen kwaad woord horen. Wij mensen hebben geen enkel recht om zijn gedrag te beoordelen. Wanneer zijn leven, naar welke maatstaven ook gemeten, niet juist was ingericht, dan zal hij nu wel reeds geoordeeld zijn door Hem, die alle facetten kent. Wij kennen die niet… en zullen die vermoedelijk ook nooit kennen.’ De spreker zweeg even en boog zijn hoofd. ‘Laten we samen bidden om Gods genade… ook voor zijn moordenaar.’
Terwijl het gebed van de spreker zachtjes voortkabbelde, keken de beide rechercheurs elkaar aan.
De grijze speurder knikte en fluisterde.
‘Dezelfde dominee… dezelfde toespraak.’
De Cock en Vledder sjokten langzaam terug naar de plek, waar ze hun oude Volkswagen hadden geparkeerd. De begrafenisplechtigheid was rustig verlopen. Buiten het moment dat Apache Alie zich gillend op de kist in de groeve had willen storten en daarvan door haar vriendinnen werd weerhouden, hadden zich geen bijzonderheden voorgedaan.
Dominee Sijbertsma had de traditie voortgezet en ook aan het open graf dezelfde woorden gesproken als enige dagen tevoren bij de teraardebestelling van Hendrik-Jan van Assumburg.
Vledder keek zijn oude collega van opzij aan.
‘Heb je nog uit de dood herrezen mensen gezien?’ vroeg hij met een lichte spot.
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het was een puur onderonsje van de penoze. Ik heb zelden zo’n bloemlezing bij elkaar gezien.’
Vledder glimlachte. ‘Ik heb er eens op gelet. Smalle Lowietje schijnt bij de jongens goed te liggen. Ik had echt het idee dat hij in hun kring volledig is opgenomen.’
De Cock knikte bedaard.
‘Dat klopt,’ sprak hij gelaten. ‘Toch is het mijn vriend.’
‘Wat denk je van onze dominee?’
‘Je bedoelt die toespraak?’
Vledder gniffelde. ‘Zou net als Hendrik-Jan van Assumburg ook Rickie hem van tevoren vriendelijk hebben verzocht om zijn begrafenis op-te-luisteren?’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit.
‘Het kan,’ sprak hij voorzichtig. ‘Ik heb soms het gevoel dat in deze zaak alles mogelijk is.’ Hij zuchtte. ‘Het lijkt mij niet waarschijnlijk. Toen wij die dominee bezochten heeft hij er niets van gezegd.’
‘Toch moet hij toen al hebben geweten, dat hij tijdens de teraardebestelling van Richard Strijdbaar het woord zou voeren.’
De Cock knikte.
‘Maar hoe kon dominee Sijbertsma weten dat wij ook belangstelling hadden voor de plotselinge dood van Rickie van Apache Alie?’
Hij glimlachte. ‘Ik denk eerder dat onze vriend Sijbertsma te lui is geweest om een nieuwe tekst te schrijven.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘En klakkeloos de toespraak herhaalde, die hij voor Van Assumburg op papier had gezet?’ In zijn stem trilde ongeloof.
De Cock spreidde zijn beide handen.
‘Waarom niet? Ik zie geen bezwaren. De tekst was even toepasselijk. Alleen het auditorium verschilde.’ Hij zweeg even en dacht na. ‘Toch moet je straks dominee Sijbertsma eens bellen en hem vragen wie dit keer zijn opdrachtgever was.’ Grinnikend schoof hij zijn oude hoedje naar voren en krabde zich achter in zijn nek. ‘Een keur van penozejongens onder het aandachtig gehoor van een hervormde dominee. Geloof me, het was voor mij een openbaring.’
Vledder bleef plotseling staan.
‘Antwerpen,’ sprak hij hees. ‘Misschien kwam die opdracht wel uit Antwerpen.’
‘Van wie?’
‘Het HVS.’
De grijze speurder blikte verrast naar zijn jonge collega op. Zijn hand tastte naar de vreemde folder die hij in de binnenzak van zijn colbert droeg. ‘Het Heilig Verbond der Stervenden.’