7

De Cock keek de eerwaarde heer Sijbertsma secondenlang aan. De gelaatstrekken van de oude rechercheur tekenden verwondering. ‘Hoe… hoe reageerde u?’ vroeg hij stamelend. ‘Het was toch op z’n minst een… een hoogst ongebruikelijk verzoek.’

De dominee leunde iets achterover en knikte.

‘Dat was het. Ik reageerde dan ook tamelijk verward en vroeg hem of hij mij wilde gebruiken voor een of andere practical joke, een misplaatste grap. Maar de heer Van Assumburg verzekerde mij plechtig, dat zijn woordkeus wellicht twijfels opriep, maar dat zijn verzoek beslist ernstig was gemeend.’

De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd.

‘En dat motiveerde hij?’

‘Ja. Naar mijn mening afdoende. Anders was ik niet op zijn verzoek ingegaan.’

De Cock trok zijn gezicht strak.

‘Hoeveel geld gaf hij u?’

Dominee Sijbertsma werd furieus.

‘Dat is een ongepaste opmerking,’ riep hij fel verontwaardigd.

‘Ik ben niet te koop.’

De Cock kneep zijn lippen opeen.

‘Hoeveel geld gaf hij u?’ herhaalde hij scherp.

Dominee Sijbertsma boog zich iets voorover.

‘Het gaat niet zo best met onze gemeente,’ sprak hij somber. ‘Overal, ook bij ons, neemt de ontkerkelijking toe. Dat betekent vermindering van inkomsten.’ Hij zuchtte. ‘De heer Van Assumburg heeft mij inderdaad een bedrag aan geld toegezegd.’ Zijn toon veranderde en werd emotioneler. ‘Maar dat was per se niet de reden dat ik op zijn verzoek inging.’

‘Wat was de reden?’

Dominee Sijbertsma maakte een weids gebaar.

‘Zoals ik al zei, zijn motivering. Hij bekende mij berouwvol dat hij niet steeds een vlekkeloos leven had geleid. In tegendeel.

Zijn bewogen levensverhaal kende vele zwarte bladzijden. Hij had, zo vertelde hij, zijn medemensen belogen en bedrogen en hen met valse schijn veel geld afhandig gemaakt.’

‘Een ordinaire oplichter.’

‘Ik ken uw terminologie niet.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘Hoe deed hij dat? Ik bedoel, welke praktijken hield hij erop na?’ Dominee Sijbertsma trok zijn schouders op.

‘Ik ben niet op bijzonderheden ingegaan.’

‘Waarom niet?’

‘Dat interesseerde mij niet.’

De Cock grijnsde.

‘Zijn vele slachtoffers lieten u dus onberoerd.’

Sijbertsma liet zijn hoofd iets zakken.

‘Ik moet u eerlijk bekennen dat ik op dat moment niet aan mogelijke slachtoffers heb gedacht. Ik had alleen maar een open oor en oog voor iemand die zijn zonden wilde belijden.’

‘En dat wilde Van Assumburg?’

Sijbertsma knikte nadrukkelijk.

‘Beslist. Ik bespeurde bij hem een duidelijke behoefte aan boetedoening. “Voor een wereldse rechter,” zei hij, “is het te laat. Zoveel tijd heb ik niet meer. Wat mij nog rest is een beroep op God.”’

‘Zijn barmhartigheid.’

‘Inderdaad.’

De Cock wuifde voor zich uit.

‘En hij koos u tot bemiddelaar.’

‘Zo zou men het kunnen noemen.’

De grijze speurder zweeg even en streek met zijn pink over de rug van zijn neus.

‘Hoe wist Hendrik-Jan van Assumburg dat hij “niet zoveel tijd” meer had?’

‘Dat heb ik hem gevraagd.’

‘En.’

‘Hij zei dat hij over aanwijzingen beschikte, dat zijn leven spoedig zou worden beëindigd.’

De Cock kneep zijn wenkbrauwen samen.

‘Kende hij zijn moordenaar?’

Dominee Sijbertsma schudde zijn hoofd.

‘Hij kende het uur van zijn dood.’

‘Heeft hij u dat uur genoemd?’

Dominee Sijbertsma antwoordde niet direct. Hij zag ineens lijkbleek en zijn handen trilden.

‘Dat niet,’ sprak hij hees. ‘Maar Van Assumburg bepaalde wel exact de dag van zijn begrafenis.’


De beide rechercheurs reden van de pastorie terug naar de Warmoesstraat. De woorden van dominee Sijbertsma dreunden na en verlamden voor lange tijd hun gedachten. Het was te fantastisch, te absurd en ontoegankelijk voor een verstandelijke benadering. Vledder verbrak het zwijgen. Het gezicht van de jonge rechercheur had een gespannen expressie.

‘Welke man,’ riep hij opgewonden, ‘bestelt “ter opluistering” een dominee voor zijn eigen begrafenis?’

De Cock grinnikte.

‘Dat heb je gehoord,’ sprak hij gelaten. ‘Ene Hendrik-Jan van Assumburg.’

Vledder blikte opzij.

‘Zou het aanvankelijke vermoeden van de dominee juist zijn… dat het toch een grap was?’

De Cock bromde.

‘Je kunt moord moeilijk een grap noemen.’

Vledder liet het stuur van de Volkswagen even los en zwaaide met zijn beide armen.

‘Maar als je weet dat je zult worden vermoord… zelfs het tijdstip kent… dan neem je toch maatregelen? Je waarschuwt de politie… vertrekt naar een ander land… doet iets.’

De Cock trok zijn schouders op.

Misschien heeft Van Assumburg wel in zijn lot berust… achtte hij zijn dood onafwendbaar.’

Vledder schudde geërgerd zijn hoofd.

‘Daar geloof ik niet in,’ sprak hij verbeten. ‘leder mens hangt aan het leven… klemt zich tot het laatst daaraan vast. En waarom zou Van Assumburg daarop een uitzondering vormen?’

De Cock liet zich wat onderuit zakken.

‘Wat weten we van die man?’ reageerde hij bedaard. ‘We kennen de omstandigheden waaronder hij leefde niet. Misschien hadden de vele slachtoffers van zijn zwendelpraktijken wel het doodvonnis over hem uitgesproken en kende hij hun oordeel.’

Vledder grijnsde met een scheve mond.

‘En ging hij als een schaap ter slachtbank?’

Het klonk spottend.

De Cock onderging de spot gelaten.

‘Misschien was hij wel levensmoe,’ filosofeerde hij verder. ‘Manisch depressief. Wie weet, leed hij aan een ongeneeslijke ziekte en beschouwde hij zijn dood als een verlossing.’

Ineens veerde Vledder op.

‘Dat is het,’ riep hij enthousiast.

‘Wat?’

De jonge rechercheur sloeg met zijn vuist op het stuur.

‘De dood als verlossing. Dat is het juiste antwoord, De Cock. Dat verklaart alles. Het was geen moord, maar zelfmoord. Begrijp je, bij zelfmoord had Hendrik-Jan van Assumburg alles zelf in de hand. Hij was dan inderdaad in staat om exact het tijdstip van zijn overlijden… en van zijn begraven te bepalen.’

De Cock keek naar zijn jonge collega op.

‘Dat is knap,’ sprak hij bewonderend, ‘heel knap. Zelfmoord geeft inderdaad het antwoord op vele vragen. Het kan ook de boetedoeningsdrang verklaren, die dominee Sijbertsma zo vertederde.’ Hij zweeg even. Zijn gezicht versomberde. ‘Het is alleen vreemd dat de Belgische politie van moord spreekt en ons daarom naar Zorgvlied dirigeerde.’

‘Misschien waren de omstandigheden, waaronder zij het lichaam van Van Assumburg aantroffen, niet zo duidelijk en heeft men het zekere voor het onzekere genomen en als uitgangspunt moord gekozen?’

De Cock reageerde niet direct. Na enige tijd knikte hij traag voor zich uit. ‘Ik ben het met je eens!’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan. ‘Waarmee?’

‘We moeten naar Antwerpen.’

Toen de beide rechercheurs de hal van het politiebureau aan de Warmoesstraat binnenstapten, brulde Meindert Post hen naderbij. De uit Urk afkomstige wachtcommandant brulde altijd. Hij had een stem als een gebarsten misthoorn. Wanneer hij zijn keel openzette, trilde het gebouw op zijn fundamenten.

De Cock liep gedwee op hem toe.

‘Is er wat, Meindert?’ vroeg hij liefjes.

De wachtcommandant stak een machtige arm omhoog.

‘Boven zit iemand op je te wachten.’

‘Wie?’

‘Een héér.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Een héér… in de Warmoesstraat?’

In zijn stem trilde ongeloof.

Meindert Post knikte overtuigend.

‘Zo ziet hij eruit. Ik bedoel, ik meen dat een heer er zo uit moet zien.’

‘Heb je zijn naam gevraagd?’

De wachtcommandant greep naar een kladje op zijn bureau.

‘Van Ravenswoud… Robert Antoine van Ravenswoud.’

De Cock grinnikte.

‘Zo’n naam verplicht een mens bijna om heer te zijn.’

Hij liep van Meindert en de balie weg en stormde de trap op. Vledder volgde in zijn kielzog.

Op de tweede etage, op de houten bank voor de recherchekamer, zat een man. De Cock keek vanuit de hoogte op hem neer en bekeek hem aandachtig. Meindert Post, zo concludeerde hij, had gelijk. De man had inderdaad het voorkomen van een heer. Hij toonde het beeld van een goed geconserveerde vijftiger in een onberispelijk grijs kostuum met een kleine rode, met zacht groen omkranste roos in het knoopsgat van zijn rechter revers. De grijze speurder herkende hem onmiddellijk als de statige heer met charmant grijs aan de slapen, die op de begraafplaats Zorgvlied zo teder en zorgzaam de zwartgesluierde vrouw had begeleid.

Wijdbeens bleef hij voor hem staan. ‘Meneer Van Ravenswoud?’ De man kwam onmiddellijk overeind.

‘Dat… eh, dat ben ik,’ reageerde hij verward. Even leek het alsof hij was geschrokken, maar hij had zich direct weer in bedwang. ‘En u bent de grote rechercheur De Cock?’

De grijze speurder grinnikte.

‘U mag “grote” best weglaten.’

De heer Van Ravenswoud liet zijn donkerbruine ogen glanzen. Onder zijn kleine snor danste een glimlach.

‘U wordt om uw schranderheid alom geprezen.’

De Cock wuifde de lof weg en besloot voor de heer Van Ravenswoud bijzonder op zijn hoede te zijn. Na een lichte buiging ging hij hem voor naar de recherchekamer en liet hem op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen.

‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’

Van Ravenswoud draaide zich naar hem toe. Zijn gebruind gelaat kreeg een ernstige expressie.

‘Ik kom namens Evelien. Ik bedoel, mevrouw de weduwe Van Assumburg. Ik behartig haar zaken.’

‘U bent advocaat?’

Van Ravenswoud schudde zijn hoofd.

‘Nee, nee, zeker niet. Ik ben hoofd van een paar ondernemingen. Maar Evelien, ik bedoel de weduwe Van Assumburg, heeft mij verzocht haar bij te staan. Het is voor een jonge vrouw in deze droevige omstandigheden uiteraard moeilijk om…’ Hij schraapte even zijn keel en ging verder. ‘De heer Van Assumburg was een vermogend man. Hij bezat een prachtig pand aan de Herengracht en een kapitale villa in het Gooi, waar het echtpaar overigens vrijwel nooit vertoefde. Bovendien had hij een zeewaardig jacht en een fors tegoed bij de IJsselsteinse Bank.’

De Cock luisterde aandachtig.

‘En?’ vroeg hij.

Van Ravenswoud trok een droevig gezicht.

‘Er is niets meer.’

‘Niets?’

‘Nee. Het jacht is weg en op beide huizen rust een zware hypotheek. Zo zwaar, dat Evelien niet in staat zal zijn om haar verplichtingen aan rente en aflossingen te voldoen. Bovendien is het banktegoed verdwenen.’

De Cock wuifde voor zich uit.

‘Misschien is Van Assumburg de laatste tijd wat wild met zijn financiën omgesprongen.’

Van Ravenswoud schudde krachtig zijn hoofd.

‘Ik ken Hendrik-Jan al jaren. Nog voor hij met Evelien in het huwelijk trad. Hij was geen man van vreemde sprongen. Integendeel. Hendrik-Jan ging altijd uiterst zorgvuldig te werk en nam… zeker op het financiële vlak… nooit onnodige risico’s.’

‘Waren de heer en mevrouw Van Assumburg in gemeenschap van goederen getrouwd?’

‘Zeker. Evelien wilde dat zo.’

‘En rustte er voordien geen hypotheek op het onroerend goed?’ Van Ravenswoud knikte.

‘Ik begrijp wat u zeggen wilt. Evelien moet van die hypotheken op de hoogte zijn geweest. Ze herinnert zich ook dat Hendrik-Jan haar ongeveer veertien dagen voor zijn dood een paar gewichtig uitziende documenten heeft laten ondertekenen.’ Hij maakte een wanhopig gebaar. ‘U weet hoe vrouwen soms zijn… niet terzake kundig, gemakzuchtig, onzorgvuldig. Ze weet bij God niet meer wat voor bescheiden het waren.’ Hij zuchtte diep. ‘Formeel zal het ook wel kloppen. Hypotheekbanken gaan in de regel niet over één nacht ijs. Ik vraag mij alleen af waar al dat geld is gebleven. Alleen de villa in het Gooi is al voor meer dan een miljoen belast.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Op begraafplaats Zorgvlied,’ sprak hij bedachtzaam, ‘in de aula, maakte de dominee een paar opmerkingen die mij de indruk gaven dat de heer Van Assumburg een… eh, nogal bewogen leven heeft geleid. Zou het mogelijk zijn dat hij… zijn dood naderbij voelende… besloot om al zijn aardse bezittingen aan charitatieve instellingen te schenken?’

Robert Antoine van Ravenswoud grijnsde. Een vreemde, valse grijns, die aan zijn knap uiterlijk een bijna duivelse expressie gaf. ‘Hendrik-Jan en liefdadigheid?’ riep hij ongelovig. ‘Beste rechercheur De Cock, een grotere tegenstelling is niet denkbaar.’

De grijze speurder produceerde een flauwe glimlach. ‘U zegt dat u de heer Van Assumburg al jaren kent,’ ging hij onverdroten verder, ‘hebt u enig idee waarvoor hij dat vele geld nodig had?’

‘Misschien werd hij gechanteerd.’

‘Door wie?’

‘Zijn moordenaar.’

De Cock knikte traag voor zich uit.

‘Is mevrouw Van Assumburg inzake de dood van haar man al door de Belgische autoriteiten verhoord?’

Van Ravenswoud schudde zijn hoofd.

‘Nog niet. Ze is daartoe wel vriendelijk uitgenodigd. Morgen reizen we naar Antwerpen.’ Hij tastte in de binnenzak van zijn colbert en overhandigde De Cock een brief. ‘Mevrouw Van Assumburg heeft mij gemachtigd om namens haar nu reeds aangifte te doen terzake valsheid in geschrifte.’

De Cock keek hem wat schuins aan. ‘Valsheid in geschrifte?’ De heer Van Ravenswoud knikte. ‘Valsheid in geschrifte,’ herhaalde hij, ‘in samenhang met oplichting. Al het banktegoed van de heer Van Assumburg werd opgenomen… een dag ná zijn dood.’

Загрузка...