De Cock stond op het ronde achterdek van een oude, roestige expeditieschuit en keek hoe twee onaandoenlijke broeders van de Geneeskundige Dienst het lijk van een man uit het troebele water visten. Omzichtig trokken ze het net met het lichaam omhoog. Het schuurde langs de met mos begroeide stenen beschoeiing.
De oude rechercheur wreef met de rug van zijn hand het zweet van zijn voorhoofd. Hij had na de melding rustig vanuit de Warmoesstraat naar de Oude Turfmarkt willen wandelen, maar de jonge Vledder had zich niet aan zijn bedaagd slentergangetje willen houden. In zijn enthousiasme had hij het tempo opgevoerd en De Cock tot grotere inspanningen genoopt.
De Cock pufte nog wat na. Hij schoof zijn oude hoedje naar achteren en knoopte zijn wollen sjaal los. Het ding kriebelde in zijn nek.
De broeders trokken het druipende net op de wallenkant en sleepten met een brancard. Voorzichtig tilden ze het lijk op het canvas.
De Cock wipte van het achterdek en slenterde naderbij. Om zijn vette regenjas niet verder te besmeuren, trok hij de panden in zijn schoot en hurkte bij de dode neer. Het druipende grachtwater stonk. De grijze speurder monsterde de gelaatstrekken. Ze waren hem vertrouwd. De lijnen waren alleen wat scherper dan in zijn herinnering. Hij voelde de hete adem van Vledder in zijn nek.
‘Is het ’m?’
De Cock knikte traag. Zijn blik gleed over een grote, gapende wond schuin rechts van het voorhoofd, enkele centimeters onder de haargrens. Het water had de wond schoongespoeld. Een stervormige breuk in het schedeldak was duidelijk zichtbaar.
‘Dodelijk,’ constateerde hij hardop.
Vledder achter hem hijgde.
‘Die wond?’
De Cock antwoordde niet. Pal bij de brancard ontdekte hij twee mannenvoeten. Ze stonden iets uit elkaar. Hij keek omhoog en ontmoette de blik van de jonge Ronald Kruisberg. Het was voor het eerst dat hij hem ter plekke opmerkte. De jongeman droeg dezelfde lange lammycoat als tijdens zijn bezoek aan het politiebureau in de Warmoesstraat.
De Cock kwam overeind, liep op hem toe en strekte zijn hand uit.
‘Gecondoleerd met het verlies van uw vader,’ sprak hij zacht. De jongeman drukte de hem toegestoken hand, week, slap, zonder kracht. Hij draaide zijn hoofd iets weg, ontweek de priemende blik van de oude rechercheur.
‘Ik was het niet,’ stamelde hij onzeker. ‘U moet mij geloven. Ik was het niet.’
Het klonk niet overtuigend.
De Cock wenkte Vledder naderbij.
‘Breng hem naar de Warmoesstraat.’
De jonge rechercheur trok zijn wenkbrauwen op.
‘Inboeken?’
De Cock aarzelde een moment. Over het hoofd van de jongeman heen zag hij hoe in een pand aan de Oude Turfmarkt, op een tweede etage, het gordijn achter een raam even bewoog. Toen knikte hij voor zich uit.
‘Terzake moord.’
Dokter Den Koninghe stapte uit een kring nieuwsgierigen op De Cock toe en lichtte als groet zijn garibaldi. Vanachter zijn dikke brillenglazen keek hij naar de grijze speurder op.
‘Het spijt me,’ sprak hij verontschuldigend, ‘dat ik je zo lang heb laten wachten. Dat is niet mijn gewoonte, maar de eerste melding sprak van een gewone drenkeling. Pas later kwam bij ons het bericht door dat het een moord betrof.’
Hij wuifde naar de beide geüniformeerde broeders bij de brancard.
‘Ik was anders direct met hen meegereden.’
De Cock verwerkte de verontschuldiging met een brede glimlach om zijn mond. Hij kende de excentrieke lijkschouwer al vele jaren en was erg op hem gesteld. ‘Ik heb niet zo erg veel haast meer,’ reageerde hij gelaten. ‘De vermoedelijke dader heb ik al laten afvoeren.’
In de ogen van Den Koninghe glansde verwondering.
‘Nu al? Je bent anders nooit zo vlug. Heb je al een bekentenis?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Dat niet,’ antwoordde hij. ‘Maar gezien de plaats van de moord… de geuite bedreigingen, dat gevoegd bij een aanvaardbaar motief… alles bijeen… redelijke gronden voor een arrestatie.’
Den Koninghe maakte een schouderbeweging.
‘Ik behoef jou niets meer te leren, je bent oud en wijs genoeg, maar haastige spoed is zelden goed en de eerste indruk is niet altijd de juiste.’
Zijn woorden klonken vermanend met een bezorgde ondertoon.
Hij liep langs de grijze speurder en sjokte naar het lijk op de brancard. Voorzichtig, de vouwen van zijn pantalon tussen duim en wijsvinger, trok hij de pijpen iets omhoog en hurkte bij de dode neer. Met grote aandacht bekeek hij de hoofdwond onder de haargrens. Hij blikte even omhoog en wees met zijn vinger.
‘Geen first blow… geen eerste slag.’
De lijkschouwer lichtte de oogleden op, bezag de pupillen en knoopte vervolgens de dikke winterjas van de dode los. Tastend gleed zijn hand tussen de kleding.
Pas na vele minuten kwam hij zuchtend overeind. Zijn stramme oude botten kraakten.
De grijze speurder had de verrichtingen van de lijkschouwer aandachtig gadegeslagen.
‘De man is dood… neem ik aan?’
Den Koninghe vatte zijn witte pochet uit de borstzak van zijn jacquet, nam zijn bril af en veegde zorgvuldig de glazen.
‘Dood… ja… als een pier.’
Het klonk haast spottend.
‘Bijzonderheden?’
Dokter Den Koninghe zette zijn bril weer op en duwde de pochet in zijn borstzak terug.
‘Zoals ik al zei: geen first blow. De eerste slag kan wel dodelijk zijn geweest, maar er is meerdere malen in dezelfde wond geslagen.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Er is bloed uit de wond gespat.’
‘Precies… met kracht.’
‘Het wapen?’
De lijkschouwer dacht na.
‘Ik denk,’ sprak hij voorzichtig, ‘aan een hamer met een klein slagvlak. Er zijn geen uitlopers. De schedelbreuken zijn nogal geconcentreerd. Maar dokter Rusteloos kan je daar morgen beslist meer van zeggen.’
De Cock staarde nadenkend voor zich uit.
‘En verder?’
Den Koninghe antwoordde niet direct. Zijn blik rustte op het gezicht van de dode. Daarna keek hij omhoog.
‘Wat dacht je zelf?’
De Cock gebaarde wat onzeker.
‘Dat… eh, dat de man hier, op de Oude Turfmarkt, onverhoeds is neergeslagen en onmiddellijk daarna in het water is gegooid.’
De oude lijkschouwer schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Voorbarig,’ riep hij bestraffend. ‘Een uiterst voorbarige conclusie.’ Hij strekte zijn arm naar de brancard.
‘De man is al meer dan een etmaal dood… maar lag nog slechts enkele uren in het water.’
‘Wat?’
Den Koninghe knikte nadrukkelijk.
‘De papieren in zijn portefeuille zijn nog droog.’
Met een zware witgouden ring met diamanten, een goedkoop Japans polshorloge, wat kleingeld en een zwart leren portefeuille in een geleende plastic zak sjokte De Cock naar de Warmoesstraat terug. Hij had een paar dienders verzocht om de Oude Turfmarkt op bloedsporen af te zoeken. Maar veel overtuiging dat ze iets zouden vinden, had hij niet. Toen de ambulance van de Geneeskundige Dienst was weggereden en ook dokter Den Koninghe van het toneel was verdwenen, had hij in het pandje de trap beklommen naar de tweede etage. De Duitse herder had hem onvriendelijk grommend begroet. Ook Jenny Klebach toonde zich met zijn bezoek niet erg ingenomen, maar had hem toch toegestaan om alle kamers te inspecteren. Hij had even de tijd genomen om van het uitzicht op de Munttoren te genieten en was daarna op zoek gegaan naar bloedspatten. Ze waren er niet.
Na de uiteenzetting van de lijkschouwer had hij ze ook niet verwacht. Het was hem allengs duidelijk geworden, dat de oude Ronald Kruisberg ergens anders was vermoord en daarna bij de Oude Turfmarkt in het water van het Rokin was gegooid.
Met de plastic zak bungelend aan zijn hand sjokte hij mijmerend verder.
Dat zou erop duiden, dacht hij, dat de jonge Ronald Kruisberg onschuldig was aan de dood van zijn vader. Maar dat betekende tevens dat de werkelijke moordenaar wist van de bedreigingen die de jongeman had uitgesproken en daarom het dode lichaam van de oude Ronald Kruisberg vrijwel voor de deur van de woning van zijn zoon had gelegd. Een vorm van pure misleiding.
De grijze speurder grinnikte. Het was een uiting van trieste zelfspot. Als een beginneling in het recherchevak was hij in de val gelopen en had vrijwel zonder nadenken de jonge Ronald Kruisberg gearresteerd.
Als een ontlading van ingehouden woede schopte hij tegen een rijwielwrak, dat op het Beurspleintje tegen een lantaarnpaal leunde. Het ellendige was dat hij er nog steeds weinig van begreep.
Wat had de oude Ronald Kruisberg gewild? Waarom had hij zich na zijn officiële dood zo nadrukkelijk gemanifesteerd… zich zo duidelijk aan zijn vrouw en zoon laten zien? Wilde hij terug naar het leven? Welk leven? En wie waren er nog meer op de hoogte van het feit dat hij niet werkelijk in Antwerpen was gestorven? Een van de mensen die hij vroeger met Spanish Enterprising had bedrogen?
Want als hij er nu van uitging dat de jonge Kruisberg niet de dader was… wie had de oude Kruisberg dan vermoord? En waarom?
Vanaf het Damrak slenterde De Cock via de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat. Nog nadenkend, zonder te groeten, sjokte hij aan de wachtcommandant voorbij en klom de trap op.
Toen hij op de tweede etage de grote recherchekamer binnenstapte, liep Vledder gehaast op hem toe.
‘Hij zit te huilen.’
‘Wie?’
Vledder duimde over zijn schouder.
‘De jonge Ronald Kruisberg. Ik heb met hem te doen. Als een lam ging hij met mij mee. Het leek alsof zijn vonnis al was geveld.’
De jonge rechercheur. zweeg even en staarde voor zich uit. ‘Het is een… een aandoenlijk gezicht om zo’n grote sterke kerel zachtjes in zijn cel te zien janken.’
De Cock keek naar hem op.
‘Heeft hij nog iets gezegd?’
‘Over de moord op zijn vader?’
‘Ja.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik heb hem ook niets gevraagd. Expres niet. Ik laat zijn verhoor liever aan jou over.’
De Cock knikte begrijpend. Hij zwiepte zijn oude hoedje naar een haak van de kapstok… en miste. Kreunend bukte hij zich, raapte zijn trouwe hoofddeksel op en trok zijn vette regenjas uit. Daarna slenterde hij naar zijn bureau, schudde de inhoud van de plastic zak daar op uit en ging zitten.
Plotseling, met een van pijn verwrongen gezicht, schoof hij zijn stoel achteruit en streek met beide handen langs zijn kuiten.
Vledder keek hem zorgelijk aan.
‘Moeie voeten?’
De Cock knikte met een zucht.
‘Het is weer zover,’ zei hij smartelijk. ‘Ik voelde het al opkomen toen ik naar het bureau sjokte. Een duivelse pijn. En er is niets aan te doen. Het is psychisch, zegt mijn dokter.’
Vledder glimlachte.
‘Het verbaast mij niets.’
‘Wat niet?’
‘Jouw moeie voeten.’
Nog wrijvend over zijn kuiten keek De Cock omhoog. ‘Je bedoelt,’ vroeg hij met een zweem van argwaan, ‘dat er psychisch iets met mij aan de hand is?’
Vledder beet op zijn onderlip.
‘Denk je werkelijk dat de jonge Ronald Kruisberg zijn vader heeft vermoord?’
De Cock antwoordde niet. Hij staakte het wrijven, schoof de pijpen van zijn pantalon weer over zijn kuiten en schoof zijn stoel naar het bureau.
Terwijl de pijn van zijn gezicht gleed, pakte hij de zwartleren portefeuille en deed hem open.
Dokter Den Koninghe had gelijk. De bescheiden in de portefeuille van de oude Ronald Kruisberg waren slechts gedeeltelijk door het grachtwater aangetast. Voorzichtig vouwde De Cock ze uiteen en drapeerde ze behoedzaam op het blad van zijn bureau.
‘Jan de Vries,’ las hij hardop.
Vledder monsterde het gezicht van De Cock. Hij vroeg zich af of hij met zijn opmerkingen de oude rechercheur had gekwetst. Maar om de mond van de grijze speurder plooiden de lijnen zich alweer in vrolijke accolades. Opgelucht schoof de jonge rechercheur een stoel bij en ging er omgekeerd op zitten.
‘Jan de Vries?’ herhaalde hij vragend.
De Cock knikte.
‘Dat staat op zijn papieren.’
Vledder grinnikte.
‘Een mooie schuilnaam. Ik denk dat ongeveer de helft van de Nederlandse mannen Jan de Vries heet.’
De Cock las onverstoorbaar verder.
‘Geboren in Kerkrade. Zonder vaste woon- of verblijfplaats. Domicilie kiezende in tempel De Hemelpoort aan de Burchtgracht in Antwerpen.’
Vledder kwam geschrokken overeind.
‘Tempel De Hemelpoort…’ riep hij hees, ‘dat is het tehuis van het Heilig Verbond van de Stervenden.’