Op het terras van een klein, lief en intiem besloten pleintje genoten de beide Amsterdamse rechercheurs van een koffie-filtre. Het aanbod van de hoofdcommissaris om hen door een van zijn mensen te laten vergezellen, had De Cock vriendelijk maar beslist afgewezen. Met alleen Vledder als trouwe assistent aan zijn zijde, voelde hij zich het best op zijn gemak.
De koffie smaakte de oude rechercheur als thuis en zijn oog ging strelend langs de barokke gevel van de Sint-Carolus Borromeuskerk, dwaalde langs de muren van de oude Stadsbibliotheek en bleef rusten op een bronzen beeld van een beroemd Vlaams schrijver, Hendrik Conscience, van wie teder wordt gezegd dat hij zijn volk leerde lezen. Aan de bronzen voeten van de grote romancier ontdekte De Cock een klein bekken met een bordje, waarop de twijfelachtige tekst: geen drinkwater. De grijze speurder glimlachte en nam zekerheidshalve aan dat de tekst niets met het werk van Hendrik Conscience van doen had.
Vledder verbrak zijn overpeinzingen.
‘Ben je nog wat van plan?’
‘Hoe bedoel je?’
De jonge rechercheur schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Wij zijn hier niet met vakantie.’
De Cock negeerde de opmerking. Hij tastte in de binnenzak van zijn colbert en diepte daaruit een kaartje op met aan de voorzijde de afbeelding van een schilderij. Hij draaide het om en las hardop: ‘Het vermoeide model.’
Vledder keek hem raadselachtig aan.
‘Een model?’
De Cock knikte.
‘Een model van een taveerne… een heerlijk restaurant. Volgens dit kaartje en enkelen van mijn vrienden… een lieve lust, een culinaire zaligheid… kortom… we gaan eerst eten.’
Vanaf de Lijnwaadmarkt sjokten de beide rechercheurs via de Grote Markt en Suikerrui naar de oevers van de Schelde. Een passagiersboot van de Flandria gleed als een witte zwaan naderbij. Links lag een Russisch vrachtschip met een hamer en sikkel op de schoorsteen. Rechts, met fraaie trapgevels, torens en kantelen, lag een wondermooi gerestaureerde burcht.
Vledder wees ernaar.
‘Is dat Het Steen, die oude gevangenis?’
‘Dat neem ik aan.’
‘Dat moet de Bloedberg niet ver zijn.’
Langs de bomen op het Steenplein slenterden ze in de richting van de burcht. Op de Jordaenskaai raasde het verkeer over de kasseien.
Voorbij de burcht zagen ze rechts van de kaai een reeks smalle straten, die schuin omhoog voerden naar een bijna sprookjesachtig kasteel.
De Cock schoof zijn oude hoedje iets naar achteren.
‘En zoiets moois,’ mompelde hij verbijsterd, ‘noemt men in Antwerpen heel prozaïsch… een vleeshuis.’
Met ware doodsverachting staken ze de Jordaenskaai over. Op het veilige trottoir bleef de grijze speurder nahijgend staan en keek naar een naamplaatje aan de muur.
‘Burchtgracht,’ las hij. Zijn stem trilde een beetje ‘Hier moet het zijn.’
Omzichtig, alsof iemand hen bespiedde, liepen ze verder de straat in. Tegenover de Peterseliestraat staarden ze naar de gevel van een gebouw. Het zag er oud en vervallen uit. Rode bakstenen staken als open schaafwonden door afgevallen brokken pleisterwerk.
Tem el De Hemelpoort, stond er in strakke blauwe letters. De ‘p’ van tempel was met het pleisterwerk weggevallen.
Vledder gleed met zijn tong langs zijn droge lippen.
‘Ik had mij de hemelpoort anders voorgesteld,’ zei hij wat ontgoocheld.
De Cock knikte instemmend.
‘Dit is een aardse versie.’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
‘Dat moet wel,’ reageerde hij schamper. ‘Er is weinig hemels aan te ontdekken.’
Ze stonden besluiteloos naast elkaar. Slechts enkele seconden. Toen stapte De Cock resoluut naar de groene toegangsdeur en trok aan een smeedijzeren klepel.
Ergens in het inwendige van het gebouw klonk het bronzen geluid van een zware klok.
Nog voordat het geluid geheel was verklonken, werd met gerammel van vele kettingen en grendels de deur gedeeltelijk geopend.
In de kier stond een kalende man in een langs paars gewaad.
Zijn blik gleed van De Cock naar Vledder en terug.
‘Zijt gij waarlijk vermoeid,’ vroeg hij met hoog opgetrokken wenkbrauwen.
Om een flauwe glimlach te verbergen, liet De Cock zijn hoofd iets zakken. ‘Waarlijk,’ sprak hij op plechtige toon. ‘Waarlijk vermoeid.’
De man knikte en hield de deur verder open.
‘Kom binnen… broeders… buiten deze muren valt het sterven zwaar.’
Via het portaal kwamen ze in een grote, met zwart marmer beklede hal.
De oude rechercheur achtte het niet raadzaam om de komedie langer voort te zetten.
‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij zakelijk, ‘met ceeooceekaa. En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van politie uit Amsterdam.’
De kalende man glimlachte breed.
‘Dat behoeft gij u echt niet aan te trekken,’ reageerde hij beminnelijk. ‘Dat is toch niet zo erg?’ Hij legde vertrouwelijk zijn hand op De Cocks schouder. ‘Ook u bent van harte welkom.’
De grijze speurder slikte iets weg.
‘Wij zijn hier voor een onderzoek,’ verklaarde hij. ‘Wij zouden graag de… eh, de leider spreken.’
Het gezicht van de man klaarde op.
‘Broeder Georgius,’ galmde hij blij. ‘Gaat u maar mee.’
Op zijn open sandalen wipte hij voor De Cock en Vledder uit een lange gang in.
Aan het einde van de gang, voor een monumentale deur, bleef hij staan en beduidde de rechercheurs even te wachten. Hij gleed de deur binnen. Al na enkele minuten kwam hij terug en boog.
‘Broeder Georgius,’ sprak hij gedragen, ‘is bereid u te ontvangen.’
Op een zetel als een troon zat een oude grijze heer. Hij droeg een paars gewaad van dezelfde snit als de kalende man. Alleen hing om zijn heupen ter versiering een gouden koord. Minzaam wenkte hij de rechercheurs naderbij.
‘Ik heb van onze broeder Simplicius… die naam hebben wij hem gegeven om de nobele eenvoud van zijn geest… begrepen, dat uw bezoek geen sollicitatie in persoon betreft, maar dat u beiden door ambtelijke motieven wordt gedreven.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaartje.
‘Wij zijn slaven van recht en gerechtigheid.’
Hij zweeg even.
Zijn scherpe blik gleed tastend over de gelaatstrekken van broeder Georgius.
‘Wanneer wij niet ambtelijk waren gekomen… welke sollicitatie hadden wij dan bij u in persoon kunnen doen?’
‘Het verlangen uit te spreken om lid te worden van ons Heilig Verbond.’
‘Het Heilig Verbond der Stervenden?’
De ogen van broeder Georgius lichtten op.
‘U heeft van ons gehoord?’
De Cock knikte.
‘Zeker.’
Hij nam de folder met de dwarrelende herfstbladeren uit een zijzak van zijn colbert en hield die omhoog.
‘Dit heeft in Amsterdam onze ambtelijke nieuwsgierigheid gewekt.’
Broeder Georgius toonde verbazing.
‘Een simpele folder?’
‘Inderdaad… een simpele folder… maar met een intrigerende tekst: Kom tot ons. Wij verzorgen uw dood tot aan uw begrafenis.’
Broeder Georgius glimlachte.
‘Dat is juist. Verder willen wij ook niet gaan. De teraardebestelling of crematie is een zaak van wereldlijke ondernemingen. Wij verzorgen en begeleiden de stervenden tot de dood is ingetreden.’
‘Stervensbegeleiding?’
Broeder Georgius tuitte zijn lippen.
‘Niet in de betekenis die men daar gewoonlijk aan hecht. Onze opvatting over sterven wijkt sterk af van de gangbare mening. Sterven is voor ons niet het einde, maar het begin.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.
‘Dat begrijp ik niet.’
Broeder Georgius zuchtte.
‘Het sterven begint al bij de geboorte. Wat u leven noemt, is in feite een weg naar de dood. Leven is een stervensproces. Wij zijn allen stervelingen… met andere woorden… bezig om te sterven.’
De Cock trok een droevig gezicht.
‘Het spijt me,’ sprak hij verontschuldigend, ‘maar ik vind uw opvattingen weinig opwekkend.’
Hij zwaaide met het foldertje.
‘Ik denk dat deze oproep om tot u te komen weinig gehoor zal vinden.’
Broeder Georgius stak zijn rechterwijsvinger omhoog.
‘U vergist zich. Als de toeloop zo blijft, zullen wij binnenkort een tweede tempel moeten openen.’ Hij wuifde om zich heen.
‘Dit hier wordt te klein.’
Met opgeheven armen liet hij de wijde mouwen van zijn paars gewaad iets terugvallen. Daarna spreidde hij zijn handen en drukte de vingertoppen tegen elkaar.
‘In deze jachtige tijden,’ ging hij verklarend verder, ‘zijn de meeste mensen zo intensief met léven bezig, dat zij zichzelf geen tijd gunnen om te stérven. Het lezen van onze folder is voor mensen vaak een keerpunt. Het brengt ze aan het denken… denken over zichzelf en hun bestaan. In vele gevallen is dat een ontluisterende bezigheid.’
De Cock boog zich iets naar voren.
‘U bedoelt,’ sprak hij traag, ‘dat mensen door het lezen van uw folder beseffen dat ze met hun huidige bestaan niet tevreden zijn?’
Broeder Georgius knikte.
‘Precies… het gevolg van een verkeerde denkwijze… niet leven is belangrijk, maar sterven.’
‘En daar wilt u ze bij helpen?’
Broeder Georgius staarde met een hemelse blik naar het plafond.
Dat is onze opgave,’ sprak hij gedragen. ‘Wij willen behulpzaam zijn… wij willen de dwalenden opvangen, verzorgen en begeleiden.’
‘Tot de dood volgt.’
Broeder Georgius keek De Cock vriendelijk aan.
‘Dood is niet verschrikkelijk, afschuwelijk of weerzinwekkend. Integendeel… dood is de vervulling van het sterven.’
De Cock borg de folder weer in de zijzak van zijn colbert en klemde zijn lippen op elkaar. De verwarrende uiteenzetting van broeder Georgius had het doel van zijn bezoek niet uit zijn gedachten gedrongen.
‘Hoe lang bestaat het Heilig Verbond?’
‘Ruim zeven jaar.’
‘Heeft de tempel altijd hier op de Bloedberg gestaan?’
‘Ons eerste tehuis stond in Kerkrade. Maar dat heeft niet lang geduurd. Voor onze doelstellingen leek een havenstad ons beter.’
‘De keuze viel op Antwerpen.’
‘Precies. We hebben nog aan Amsterdam gedacht, maar daar vindt men weinig geloof meer.’
‘Is het Verbond door u gesticht?’
Broeder Georgius schudde zijn hoofd.
‘De stichter is Paulus Verhoeven, een edel… nobel man… een man die meende dat men naastenliefde niet alleen met de mond moest belijden.’
‘Leeft hij niet meer?’
Het gezicht van broeder Georgius toonde droefenis.
‘Tijdens een wintersportvakantie in Sankt-Moritz is hij in een ravijn gestort en verongelukt.’
‘Wanneer was dat?’
‘Vijf jaar geleden.’
‘U nam zijn werk over?’
Broeder Georgius vouwde devoot zijn handen.
‘In de geest van Paulus Verhoeven.’
De Cock onderdrukte een neiging om ‘amen’ te roepen.
‘Hoe financiert u uw tempel?’
‘Donaties… donaties van de stervenden.’
Nadenkend plukte De Cock aan het puntje van zijn neus.
‘Hoe hoog,’ vroeg hij achteloos, ‘was de donatie van de heer Strijdbaar?’
Broeder Georgius glimlachte fijntjes.
‘Broeder Sodomius… wij noemden hem zo in verband met zijn vroegere praktijken in de rosse buurt van Amsterdam… was zeer genereus. Hij heeft het voortbestaan van onze tempel voor langere tijd verzekerd.’
De Cock voelde hoe het ritme van zijn hartslag langzaam opliep.
De zalvende, vaak wat neerbuigende toon van broeder Georgius ergerde hem.
‘Broeder Sodomius werd vermoord,’ reageerde hij fel.
Broeder Georgius knikte bedaard.
‘En bent u daarvoor van zover gekomen?’
‘Onder meer.’
Broeder Georgius toonde een lichte verbazing.
‘Ik dacht dat de Gerechtelijke Politie die affaire al bevredigend had afgewikkeld.’
De Cock brieste.
‘Bevredigend… voor wie?’
‘Broeder Sodomius… ik heb vernomen dat hij in Amsterdam heel keurig ter aarde is besteld.’
De Cock probeerde een opkomende woede te bedwingen. Het lukte niet.
‘Broeder Sodomius,’ schreeuwde hij wild, ‘zat op het moment van zijn ter-aar-de-be-stel-ling hier in Antwerpen heel genoeglijk achter een groot glas bier.’
Broeder Georgius keek langzaam op. Om zijn dunne lippen zweefde een zoete glimlach.
‘Een Bolleke… daar hield hij van.’