Toen de deftig geklede heer Van Ravenswoud uit de recherchekamer was vertrokken, wees Vledder naar de uitgewerkte aangifte op het bureau van De Cock.
‘Wat doen we daarmee?’
De grijze speurder reageerde snel.
‘Onderzoeken en behandelen.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Waarom? We kunnen die aangifte toch gewoon naar de politie in Antwerpen sturen. Zij hebben de moord op Van Assumburg in behandeling.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het geld is hier in Nederland van een Nederlandse bank gehaald. Die oplichting c.q. valsheid in geschrifte is een puur Nederlandse zaak.’
Vledder reageerde heftig.
‘Het is toch alles een uitvloeisel van die moord,’ sprak hij opgewonden. ‘Zonder die moord was er van valsheid in geschrifte geen sprake. De moordenaar zal zich geld, bankbescheiden en andere documenten van zijn slachtoffer eigen hebben gemaakt. Daarop kwam ongetwijfeld de handtekening van Hendrik-Jan van Assumburg voor. Hij behoefde maar even op die handtekening te oefenen. De rest was kinderspel.’
‘Vind je?’
Vledder knikte nadrukkelijk. ‘Dat blijkt toch. Al het geld van Van Assumburg is van de bank verdwenen.’
De Cock drukte zijn tanden in zijn onderlip en schudde zijn hoofd. ‘Zo eenvoudig is het niet,’ sprak hij nadenkend. ‘De moordenaar liep grote risico’s door zich als Van Assumburg te presenteren. Het was helemaal niet denkbeeldig dat een van de bankemployés bij wie hij zich vervoegde, Van Assumburg in persoon had gekend. En als men zijn frauduleus handelen had doorzien, dan was hij tevens als moordenaar gekenmerkt.’
‘Hoe bedoel je dat?’
De Cock wuifde voor zich uit.
‘Hij zou dan toch duidelijk hebben moeten maken hoe hij aan de bescheiden van de vermoorde Van Assumburg kwam. Ik weet dat geld mensen verblindt, maar voor een moordenaar, die zijn daad reeds ver van tevoren heeft overwogen en gepland…’ Vledder onderbrak hem.
‘Hoe weet je dat?’
De Cock keek verrast op.
‘Van Assumburg wist toch dat hij zou worden vermoord. Hij kon dat alleen weten als daartoe plannen waren… plannen die waren uitgelekt of waarmee men hem had bedreigd.’
‘Je laat mijn zelfmoordtheorie los?’
De grijze speurder trok zijn schouders op.
‘Het innen van het banktegoed ná de dood van Van Assumburg heeft die zelfmoordtheorie, naar mijn gevoel, wat aan het wankelen gebracht.’ Hij zweeg even, krabde zich achter in zijn nek. ‘Ik vraag mij nu toch, zoals Van Ravenswoud, af waar dat vele geld van de hypotheken is gebleven.’
‘Naar zijn chanteur.’
‘Tevens zijn moordenaar?’
‘Ja.’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘In het algemeen slacht een chanteur geen kip met gouden eieren. Daar komt nog bij dat ik niet aan chantage geloof. Van Assumburg leefde zelf van de misdaad. Vrij openlijk. Zo’n man laat zich niet makkelijk chanteren.’
Vledder stak zijn beide armen omhoog.
‘Maar wat dan?’ riep hij vertwijfeld.
De Cock reageerde niet direct. Hij steunde met zijn beide ellebogen op zijn bureau en liet zijn hoofd in het kommetje van zijn handen rusten.
‘Het klopt allemaal niet,’ sprak hij geprikkeld. ‘De lijn ontbreekt. Er zijn te veel hiaten. Bovendien mist het elke logica. Wat is er gebeurd? Veertien dagen voor zijn dood bestelt Hendrik-Jan van Assumburg ter opluistering van zijn begrafenis een dominee. Hij laat zijn vrouw heimelijk een paar documenten tekenen en neemt een grote hypotheek op zijn bezittingen. Dan stapt hij opgewekt naar zijn moordenaar, die vervolgens nog even zijn tegoed van de banken haalt.’ Hij schudde langdurig zijn hoofd. ‘Dick Vledder… dat stinkt.’
Hij kwam traag van zijn stoel overeind. ‘Morgen gaan we samen naar de IJsselsteinse Bank. We hebben daar nogal wat contacten uit het verleden.[3] Misschien kan iemand ons vertellen hoe de moordenaar bij het innen van het banktegoed te werk is gegaan.’
Vledder knikte gedwee.
‘Dat is morgen… wat doen we nu?’
De Cock keek omhoog naar de grote klok in de recherchekamer. Het was bijna kwart over elf. Ineens danste om zijn mond een zoete grijns.
‘Wat dacht je van een cognackie?’
Smalle Lowietje keek verrast op toen hij de beide rechercheurs zijn schemerig intiem lokaaltje zag binnenstappen. Verbouwereerd vergat hij zijn smoezelige handjes aan zijn morsig vest af te vegen. Met opgetrokken wenkbrauwen liep hij op De Cock toe.
‘Je bent toch niet ziek?’ vroeg hij bezorgd.
De grijze speurder glimlachte.
‘Hoezo, Lowie?’
De caféhouder gebaarde met zijn beide handen. ‘Tweemaal in één week een bezoek aan mijn etablissement. Dat heb ik in jaren niet van je meegemaakt. Hoe is het aan de Kit? Is er geen werk meer in de misdaad? Is de penoze in staking?’
De Cock grinnikte.
‘Was het maar waar. Dan konden wij ook eens een paar dagen uitblazen. Persoonlijk hoop ik innig dat ze spoedig een bond oprichten.’
‘Je bedoelt een heuse vakbond… compleet met een voorzitter en bestuur?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Zeker. En dat is hard nodig. De penoze is de enige bedrijfstak zonder een CAO en zonder ATV.’
Lowietje keek verward naar hem op.
‘Wat betekent ATV?’
‘Arbeids-tijd-verkorting.’
De Smalle gniffelde.
‘Ik zal het de jongens eens voorstellen.’ Hij hield spottend zijn rechterhand op. ‘Mag ik vast een kleine donatie voor de stakingskas?’
De Cock negeerde de hand lachend. Hij hees zich naast Vledder op een kruk aan de bar en Lowietje vervulde het ceremonieel van de bolle glazen en cognac.
‘Proost,’ riep hij, ‘op een lang en misdadig leven.’
De Cock hief zijn glas op.
‘Maar dan wel met een vakbond.’
De caféhouder nam voorzichtig een slok van zijn cognac en zette zijn glas weer op de bar. Hij boog zich iets naar De Cock toe. Zijn vriendelijk muizensmoeltje versomberde.
‘Ga je morgen ook naar de begrafenis?’
‘Van wie?’
‘Rickie. Ze hebben hem naar Amsterdam laten overbrengen. Morgenochtend om elf uur wordt hij op Zorgvlied begraven. Ik ben uitgenodigd.’
De Cock tikte op zijn borst.
‘Ik ook.’
‘Door Apache Alie?’
De grijze speurder schudde zijn hoofd.
‘Door de Belgische politie.’
Smalle Lowietje keek hem verwonderd aan.
‘Verwachten ze narigheid?’
De Cock trok achteloos zijn schouders op.
‘Het is min of meer gebruikelijk,’ legde hij uit, ‘dat de recherche bij de teraardebestelling van een slachtoffer van moord op de begraafplaats rondkijkt wie er zo al belangstelling toont. Sommige moordenaars bezitten de onbedwingbare drang om de begrafenis van hun slachtoffer bij te wonen.’
‘Idioot.’
De Cock schommelde het cognacglas in zijn hand.
‘Heb je nog iets horen fluisteren?’
‘Over de moord op Rickie?’
‘Ja.’
De caféhouder blikte wat schichtig om zich heen.
‘Rickie was totaal bankroet.’
De Cock trok een vies gezicht.
‘Rickie,’ sprak hij ongelovig, ‘bankroet?’
Smalle Lowietje knikte nadrukkelijk. Zijn levendig muizensmoeltje stond ernstig.
‘Ik hoorde het van Apache Alie. Zoals je weet, is Rickie nooit getrouwd geweest. Hij had kind noch kraai. Apache Alie is zijn enige erfgename. Ze is eens gaan informeren hoe de vlag erbij hing.’
‘En?’
De caféhouder trok zijn duim van onder zijn kin.
‘Noppes. Uit het kadaster bleek dat de vijf pandjes die Rickie op de gracht bezat, kort voor zijn dood in andere handen waren overgegaan. Apache Alie heeft toen de hele woning van Rickie overhoop gehaald op zoek naar bewijzen van een giro- of bankrekening. Ze kon ze niet vinden.’
‘Een testament?’
‘Was er ook niet.’
‘Geld in contanten?’
‘Geen stuiver.’
De Cock grinnikte vreugdeloos.
‘Hoe kan dat? Volgens mij heeft Rickie, vooral de laatste jaren, schatten verdiend.’
Smalle Lowietje spreidde zijn beide handjes.
‘Daar is in ieder geval niets van te vinden. Volgens Apache Alie lagen bij hem thuis brieven van schuldeisers en stapels onbetaalde rekeningen.’
De Cock trok een grimas.
‘Niet, dat het mij spijt voor Apache Alie, die is genoeg aan haar trekken gekomen, maar het is alles bijeen toch een vreemde zaak.’
De caféhouder mompelde instemmend.
‘Ik heb diverse jongens van de penoze gepolst, maar niemand die er iets van begrijpt. Volgens Apache Alie hebben ze Rickie eerst kaal geplukt en toen vermoord. Ze dacht aan een oude vete. Rickie heeft in zijn leven wel een paar vijanden gemaakt.’
‘Heeft ze namen genoemd?’
De Smalle schudde zijn hoofd.
‘Ik weet dat ze een paar jongens heeft gevraagd om haar bij te staan.’
‘Voor een eventuele strafexpeditie?’
Lowietje grinnikte.
‘Noem het gerechtigheid.’
De Cock keek de caféhouder onderzoekend aan.
‘Heeft ze enig idee in welke richting ze moet zoeken?’
Lowietje trok een scheef smoeltje.
‘Dat denk ik,’ sprak hij voorzichtig. ‘Antwerpen is een stad met een levendige handel in diamanten en Rickie was in die handel erg actief.’
De Cock plooide zijn lippen in een tuitje. Hij kon de gedachtegang van Apache Alie wel volgen.
‘Kwam Rickie veel in Antwerpen?’
‘Zeker éénmaal in de week. Hij heeft ook voor mij wel eens een paar steentjes meegenomen.’
De Cock glimlachte.
‘Ik wist niet dat jij ook in diamanten handelde.’
De Smalle grijnsde vriendelijk.
‘Ik handel overal in… als het maar geld oplevert.’
De Cock geeuwde en keek op zijn horloge. Het was bijna middernacht. Hij dronk zijn glas leeg en liet zich langzaam van zijn kruk glijden.
‘Ajuus,’ zwaaide hij vermoeid. ‘Ik zoek nog een paar uur mijn bed op.’
Lowietje stak zijn hand omhoog.
‘Wacht even. Voor ik het vergeet.’ Hij draaide zich om en pakte tussen een paar flessen een langwerpige folder uit, waarop dwarrelende herfstbladeren in glanzend geel en rood. De tekst was in stijlvolle gotische letters. ‘Dit heeft Apache Alie in de woning van Rickie gevonden. Als je De Cock ziet, geef het hem, vroeg ze me.’
De grijze speurder nam de folder mee. De vermoeide expressie van zijn gelaat veranderde plotseling in een strak masker.
‘Kom tot ons.’ las hij hardop. ‘Wij verzorgen uw dood tot aan uw begrafenis.’
Rechts onder die tekst stond in potlood met grillige hanenpoten in een ovaal kringetje het woordje Ik met een vraagteken.
De Cock wees ernaar en Smalle Lowietje knikte.
‘Het handschrift van Rickie.’