De Cock en Vledder slenterden zij aan zij vanuit het politiebureau door de Warmoesstraat naar de Lange Niezel.
Het jaargetijde en het bar koude weer in aanmerking genomen, was het er erg druk. Voor de helverlichte etalages van de seks-shops verdrongen zich groepjes giechelende tieners en voor de kassa’s van de piepkleine sekstheaters stonden sombere mannen zwijgend in de rij.
Ook de vele hoertjes op en rond de Wallen hadden over belangstelling niet te klagen. Een leger van behoeftigen paradeerde in niet aflatende ijver langs tientallen ramen met aanlokkelijk uitgedoste dames, poserend in barmhartig zachtroze licht.
De Cock keek gelaten om zich heen, groette in het voorbijgaan joviaal een paar reeds wat belegen hoertjes en wuifde afwerend naar een hem onbekende jonge tippelaarster, die zich wervend aan hem opdrong. De grijze speurder kende het spel, de code, en was vertrouwd met al het wel en wee achter die niet eens zo onvriendelijk ogende façade van het dagelijkse Amsterdamse seksgebeuren.
Op de hoek van de Achterburgwal en de Barndesteeg schoven de beide rechercheurs huiverend het café van Smalle Lowietje binnen. In tegenstelling tot buiten, was het opvallend stil in het schemerig intieme lokaaltje, dat door de tengere caféhouder steevast als zijn ‘etablissement’ werd betiteld.
Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang altijd Smalle Lowietje genoemd, veegde zijn handjes langs zijn morsig vest en begroette de rechercheurs hartelijk. Zijn vriendelijk muizensmoeltje glom van pure genegenheid.
‘Een tijd niet gezien,’ kirde hij. ‘Konden jullie de weg nog wel vinden? Zeker druk bij jullie aan de Kit?’
De Cock hees zich op een kruk.
‘Zolang de misdaad loont,’ sprak hij somber, ‘kennen wij geen malaise.’
‘En… loont de misdaad?’
De Cock trok een grimas.
‘Als nooit tevoren.’
Smalle Lowietje lachte.
‘Hetzelfde recept?’
Zonder op een antwoord te wachten, dook de tengere caféhouder onder de tapkast en kwam weer te voorschijn met een fles verrukkelijke Franse cognac Napoleon, die hij met een gebaar van intense voldaanheid voor zich op de bar zette. Zijn vingertjes streelden de hals.
‘Ik hoop tot op mijn sterfdag zo’n zalige fles voor jou in voorraad te hebben.’
In zijn stem trilde genegenheid.
De Cock keek naar hem op.
‘Lowie,’ sprak hij plechtig, ‘je ontroert me.’
Met een reeks routinegebaren zette de caféhouder drie diepbolle glazen op de bar en schonk klokkend in.
De Cock keek ernaar en genoot. Hij vertoefde graag in het café van Smalle Lowietje, een man die hij om zijn deugden, maar misschien nog meer om zijn ondeugden, als zijn vriend beschouwde.
Toen de caféhouder zijn ceremonie had voltooid, nam de grijze speurder het bolle glas op en warmde de cognac schommelend in de kom van zijn hand. Met gesloten ogen snoof hij de prikkelende geur en liet, met op zijn grof gezicht een expressie van opperste verrukking, het gouden vocht door zijn keel glijden.
‘Dit nu,’ sprak hij hoofdknikkend, ‘zijn voor een dorstige ziel lavende momenten.’
Lowietje glunderde.
‘De Cock,’ sprak hij prijzend, ‘je bent een dichter.’
De oude rechercheur negeerde de lof. Hij zette zijn glas neer, draaide zich op zijn kruk om en keek om zich heen. ‘Waar is iedereen?’ riep hij verwonderd. ‘Ik heb het bij jou nog nooit zo stil gezien.’
De tengere caféhouder spreidde zijn handjes.
‘Ik denk dat de halve penoze thuis bezig is zijn verdriet te verdrinken.’
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
‘Verdriet?’
De Smalle knikte nadrukkelijk.
‘Rickie is dood.’
De Cock kneep zijn ogen iets samen.
‘Rickie van Apache Alie?’
Het vriendelijke muizensmoeltje van de caféhouder vergleed in een uitdrukking van diepe droefheid.
‘Ik hoorde het vanmiddag van een van zijn jongens. Het schijnt dat ze zijn lijk in Antwerpen uit een kanaal hebben gevist.’
‘Vermoord?’
Smalle Lowietje liet zijn hoofd iets zakken.
‘Vergiftigd.’
Ze sjokten over de Walletjes terug naar de Kit. Het was minder druk. Achter enkele ramen was het roze licht al gedoofd en waren de hoertjes verdwenen.
Vledder blikte opzij.
‘Wie is Rickie van Apache Alie?’
De Cock zwaaide om zich heen.
‘Een man, die hier in de buurt is opgegroeid. Zijn moeder heet Alie. Vroeger leende ze de meisjes geld tegen een kwartje van de gulden.’
‘Een rente van vijfentwintig procent?’
De Cock knikte.
‘Niet per jaar… maar per maand.’
De jonge rechercheur grinnikte.
‘Dat is… dat is,’ stamelde hij, ‘pure woeker.’
De Cock tilde de kraag van zijn jas omhoog en trok zijn sjaal vaster om zijn nek. De gloed van de cognac begon te verminderen.
‘Toen ze genoeg had verdiend, kocht ze op de Zeedijk een café dat ze Apache Alie noemde.’
Vledder knikte begrijpend.
‘Rickie van Apache Alie.’ Hij proefde de naam op zijn tong. ‘Het klinkt als een adellijke titel.’
De Cock gniffelde.
‘Penozeadel.’
‘Wat deed hij voor de kost?’
De grijze speurder maakte een droef gebaartje.
‘Van alles… alles wat God verboden heeft… stelen, helen, chanteren, gokken, smokkelen, handel in vrouwen, meisjes, verdovende middelen… noem maar op. Rickie draaide nergens zijn hand voor om. Er werd gefluisterd dat hij er ook niet voor terugschrok iemand om zeep te helpen.’
‘Een lekkere jongen.’
‘Mag je zeggen.’
‘Oud?’
‘Tegen de vijftig. Maar hij is nog nooit met de politie of justitie in aanraking geweest.’
Vledder reageerde verrast.
‘Hoe kan dat?’
De Cock glimlachte.
‘Rickie is een handige jongen, laat anderen het vuile werk opknappen.’
‘En strijkt zelf de centen op.’
‘Precies. Hij heeft de mentaliteit van zijn moeder geërfd: profiteren van de ellende van anderen.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Het blijkt toch dat men niet alles ongestraft kan doen,’ sprak hij peinzend. ‘Dat zie je. Ze hebben Rickie nu toch mooi te pakken.’
‘Het lijkt erop.’
De jonge rechercheur glimlachte.
‘Ik ben toch blij dat hij niet uit de Keizersgracht is gevist. Dan hadden wij met de ellende gezeten.’
De Cock reageerde niet. Vanuit de Oude Kennissteeg stapte hij met versnelde pas over de brug naar het Oudekerksplein en sloeg daar links de Sint Annendwarsstraat in.
Vledder liep hem verwonderd na.
‘Moet je niet naar de Kit?’
De grijze speurder wees omhoog naar een verlicht raam op de eerste etage.
‘Ze is nog wakker.’
‘Wie?’
‘Apache Alie.’
De Cock liep toe op een diepgroen geschilderde deur, drukte die open en hees zijn negentig kilo langs een smalle trap omhoog. De treden kraakten onder zijn gewicht. Vledder volgde gedwee.
Boven, op het enge portaaltje, was het aardedonker. Alleen van onder een deur rechts kroop een streep gelig licht. De grijze speurder klopte, maar nog voor er werd gereageerd, duwde hij de klink naar beneden en stapte de kamer binnen.
Aan een tafel bij het raam zat een oude vrouw in een versleten zijden kimono. Voor haar op het roodpluchen tafelkleed, lag het portret van een man, in een brede zilveren lijst.
De vrouw keek naar de rechercheurs op. Toen ze De Cock herkende, draaide ze het portret om. In haar kleine groene ogen vonkte een kwaadaardig vuur.
‘Wat kom jij doen?’ snauwde ze.
De grijze speurder nam zijn hoedje af en liet zijn kin tot op zijn borst zakken. ‘Ik heb net van Smalle Lowietje gehoord wat er met Rickie is gebeurd,’ sprak hij somber.
Apache Alie legde beverig haar linkerhand op het omgekeerde portret.
‘En?’ Het klonk als een uitdaging.
De Cock maakte een onzeker gebaartje.
‘Ik… eh, ik zag nog licht bij je branden,’ sprak hij schuchter. ‘Toen dacht ik… ik dacht… het is haar zoon… laat ik haar even gaan condoleren.’
Aarzelend stak hij haar zijn hand toe.
Apache Alie haalde haar kin omhoog.
‘Je denkt toch niet dat ik jou een klauw geef,’ krijste ze strijdlustig. ‘En je hoeft er ook niet zo’n treurig ponem bij te zetten… alsof het je spijt dat hij dood is.’ Ze snoof verachtelijk. ‘Je wilt mij toch niet komen vertellen dat mijn Rickie jouw vriend was?’
De Cock trok zijn hand terug en schudde zijn hoofd.
‘Nee… Rickie was mijn vriend niet… zeker niet.’ Hij trok zijn schouders iets op. ‘Maar ik heb hem nooit een strobreed in de weg gelegd.’
Apache Alie trok haar oude rimpelige mond iets scheef.
‘Daar heb je nooit de kans voor gekregen,’ reageerde ze fel. Met een kromme vinger tikte ze tegen de zijkant van haar hoofd. ‘Mijn Rickie had sjoege… hersens… daar kon jij met je botte politiekop niet aankomen.’
De Cock krabde zich achter in zijn nek. Hij begreep de bitterheid van de oude vrouw. Hij pakte een stoel en ging tegenover haar aan tafel zitten. Toen ze even haar hand wegnam, pakte hij het portret, draaide het om en schoof het naar zich toe.
‘Heb je verdriet, Alie?’ In zijn stem trilde medeleven.
Er schoten tranen in haar ogen.
‘Zie je dat dan niet?’ Ze vloekte hartgrondig. ‘Mag een oud mens geen verdriet hebben?’
De Cock knikte traag. ‘Het mag,’ reageerde hij gelaten.
Lange tijd staarde hij naar het portret. De gelaatstrekken van de man waren hem vertrouwd. Hij had hem een paar maal benaderd in verband met anonieme telefoontjes en vage, ongefundeerde klachten. Hij keek van het portret op. ‘Hoe oud is Rickie geworden?’
‘Achtenveertig.’
‘Te jong om te sterven.’
Apache Alie slikte.
‘Ze hebben hem vergif gegeven.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Vergif, laaghartiger kan het niet.’ Met de rug van haar hand veegde ze in haar betraande ogen. ‘Rickie was niet zo slecht… niet zo slecht als de mensen zeiden. Ze schilderden hem af als een beest… een onmens. Maar zo was hij niet… echt niet. Een moeder weet dat toch van haar eigen kind?’
De Cock schoof het portret weer naar haar toe.
‘Een moeder weet dat,’ beaamde hij vriendelijk.
Apache Alie wees naar het portret op tafel.
‘Weet je dat mijn jongen veel geld aan het Leger des Heils gaf?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Dat wist ik niet.’
‘Rickie was diep in zijn hart erg gelovig. Toen hij klein was en ik nog in mijn wilde jaren leefde, is hij een tijdje bij de nonnetjes geweest. Daar hebben ze hem verteld van God en zo… van Maria… en Onze Lieve Heer. Dat heeft hem nooit meer losgelaten.’
De Cock kuchte. De grijze speurder wist niet goed hoe hij op de mededeling moest reageren. Rickie van Apache Alie als een godvruchtig man was een fenomeen dat hij niet direct geestelijk kon verwerken.
‘Voelde Rickie zich de laatste tijd bedreigd,’ vroeg hij puur zakelijk.
Apache Alie vouwde haar handen voor zich op tafel en wiegde haar hoofd. ‘Dat niet,’ sprak ze zacht. ‘Maar hij wist wel wat er met hem ging gebeuren.’
De Cock keek haar onderzoekend aan.
‘Rickie wist dat?’ In zijn stem trilde ongeloof.
Apache Alie knikte.
‘Voordat hij wegging, vorige week, kwam hij nog even bij mij langs. Rickie was wat nerveus… niet in zijn gewone doen.’ Ze keek op. ‘Hij zat daar… waar jij nu zit. Een beetje in elkaar… ineengedoken. Zo kende ik hem niet. Ik zei tegen hem: “Jongen, is er wat?” Hij pakte toen mijn handen en zei: “Moeder, schrik niet als ik ben gestorven. En vooral… treur er niet om.”’
De Cock ademde diep.
‘Zei hij dat, Alie?’
Haar hoofd bewoog, nauwelijks merkbaar.
‘Het waren voor mij zijn laatste woorden.’