De jongeman die de recherchekamer binnenstapte, was groot, breed en krachtig. De lange, dikke lammycoat, die hij droeg, gaf aan die indruk extra accenten.
Toen hij het bureau van De Cock naderde, nam hij zijn bontmuts af en duwde met beide handen zijn blonde haren wat in model.
Om zijn mond gleed een glimlach.
‘U bent rechercheur De Cock?’
De grijze speurder knikte.
‘Met ceeooceekaa,’ reageerde hij haast automatisch. Met een brede armzwaai bood hij de jongeman de stoel naast zijn bureau aan. Onderwijl tastte zijn scherpe blik de gelaatstrekken af, zocht naar tekenen van gelijkenis, maar vond die niet.
‘U… eh, u bent Ronald Kruisberg?’
In zijn stem trilde een lichte twijfel.
De jongeman nam plaats en knikte.
‘Ronald Kruisberg,’ herhaalde hij effen.
De Cock herkende hem vaag als een van de belangstellenden op de begraafplaats.
‘Hoe oud bent u?’
‘Vierentwintig jaar.’
‘Gehuwd?’
De jongeman glimlachte.
‘Ik heb een vriendin.’
‘Waar woont u?’
‘Op de Oude Turfmarkt met uitzicht op de Munttoren.’
‘Samen met uw vriendin?’
Ronald Kruisberg keek geamuseerd op. Zijn lippen krulden.
‘Dat mag toch?’
De Cock trok zijn mond iets scheef.
‘Het zijn de zeden van de tijd,’ sprak hij wat somber. ‘Mijn oude moeder zou het mij verboden hebben.’
De jongeman lachte. ‘Mijn moeder vindt het prachtig.’
‘Leeft ze nog?’
‘Zeker.’
‘En vader?’
Ronald Kruisberg liet zijn hoofd iets zakken.
‘Vader is dood. Twee jaar geleden kwam hij bij een verkeersongeval om het leven.’
De Cock hield zijn hoofd wat schuin.
‘U bewaart dierbare herinneringen aan uw vader?’
De jongeman trok zijn schouders op.
‘Nauwelijks. Ik zag hem vrijwel nooit. Hij was altijd op pad. Voor zaken. Meestal vertoefde hij in het buitenland.’ Om zijn mond zweefde een grijns. ‘Veel tijd heeft hij niet aan mij besteed.’
Het klonk wat bitter.
De Cock plukte aan zijn onderlip.
‘U was vanmorgen op begraafplaats Zorgvlied?’
‘Ja.’
‘En u hebt daar het condoleanceregister getekend?’
‘Inderdaad.’
‘Waarom?’
Ronald Kruisberg keek verrast op.
‘Die man van de begrafenisonderneming duwde mij een pen in mijn hand en hield het register onder mijn neus. Hij zei dat ik mijn naam ook in blokletters moest zetten.’
De Cock glimlachte.
‘Ik bedoel… waarom woonde u de begrafenis van de heer Hendrik-Jan van Assumburg bij?’
‘De heer Van Assumburg is… was mijn oom. Hij was de echtgenoot van de jongste zuster van mijn moeder.’
De Cock knikte begrijpend.
‘U onderhield goede contacten met hem.. ik bedoel, contacten, die verder reikten dan de gebruikelijke oom-neefrelatie?’
Ronald Kruisberg schudde zijn hoofd.
‘Ik zag oom Hendrik-Jan alleen op verjaardagen. Hij was in mijn ogen een vreemde, wat in zichzelf gekeerde man, die zich vrijwel met niemand bemoeide. Ik heb de indruk dat tante Evelien niet erg gelukkig met hem was.’
De Cock wreef over zijn kin.
‘Hebt u enig idee waarom uw oom in België om het leven is gebracht?’
Ronald Kruisberg maakte een hulpeloos gebaartje. ‘De familie begrijpt er totaal niets van.’
‘Wat deed uw oom?’
‘Zaken.’
De Cock grinnikte.
‘Dat is een ruim begrip.’
Op het gezicht van Ronald Kruisberg kwam een verdrietige trek. ‘Ik denk,’ sprak hij droevig, ‘dat het net zulke duistere zaken waren als die waarmee mijn vader zich gewoonlijk bezighield.’
De Cock veinsde verbazing.
‘Hield uw vader zich met duistere zaken bezig?’
De jongeman knikte traag.
‘Dat neem ik aan. Ik herinner mij dat wij vroeger om de haverklap moesten verhuizen, omdat er steeds luitjes aan de deur kwamen die geld van ons te vorderen hadden. Ik heb de stellige overtuiging dat vader de mensen bedroog.’
De Cock spreidde zijn beide handen en imiteerde de dominee uit de aula. ‘De mortuis nil nisi bene,’ sprak hij luid, ‘of in meer begrijpelijk Nederlands: Over de doden niets dan goeds.’
Ronald Kruisberg staarde voor zich uit maar reageerde verder niet.
De Cock leunde behaaglijk achterover in zijn stoel en pauzeerde vele seconden. Daarna kwam hij weer naar voren, schoof de mouw van zijn colbert terug en keek demonstratief op zijn horloge.
‘U zit nu al meer dan een halfuur naast mij op die stoel.’ In zijn stem trilde pure verwondering. ‘ En nog ken ik de reden van uw komst niet.’
Ronald Kruisberg keek naar hem op. De beminnelijke onnozelheid was van zijn gezicht verdwenen. Om zijn mond plooiden zich harde lijnen.
‘Van het begin af hebt u in ons gesprek het initiatief genomen,’ reageerde hij scherp. ‘U hebt mij geen enkele kans gegeven om tot mijn onderwerp te komen.’
De Cock boog beschaamd zijn hoofd.
‘Mijn verontschuldigingen… recherche is bepaald geen beroep dat de beleefdheid stimuleert.’ Hij keek op. ‘Ik neem aan dat u tot ons bent gekomen, omdat u iets op het hart heeft?’
Ronald Kruisberg knikte met een ernstig gezicht.
‘Toen wij allen om de groeve stonden en de dominee het woord had, liep er plotseling een man weg en u rende achter hem aan.’
‘Ja.’
‘Wie was die man?’
Vledder keek De Cock verbaasd aan.
‘Waarom?’ riep hij verward en opgewonden. ‘Waarom beweerde je zo pertinent dat je de man die wegliep niet kende… dat je alleen maar achter hem aan ging, omdat je dacht dat hij bezig was om van iemand een portefeuille te rollen. Een vreemd en dwaas verhaal. Je kon aan het gezicht van de jonge Ronald Kruisberg zien, dat hij je niet geloofde.’
De Cock hoorde de kritiek gelaten aan.
‘Zo vreemd en dwaas was mijn verhaal niet,’ verweerde hij zich zwakjes. ‘Ook op begraafplaatsen wordt zakkenrollerij gepleegd. Geloof me. Ik ken luitjes die daar zeer bedreven in zijn.’
Vledder schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Ik blijf erbij dat het niet goed was, niet tactisch. Jouw reactie was verkeerd. Volgens mij heb je een unieke kans laten liggen.’
‘Welke kans?’
De jonge rechercheur zwaaide emotioneel.
‘Je had simpel tegen die jongeman moeten zeggen: “Die man, die wegliep… dat was je vader.”’
‘Die uit de dood is opgestaan.’
Vledder knikte heftig.
‘Zoiets… ja. Dan had je direct tot de kern van de zaak kunnen komen, een val kunnen zetten en het mysterie van de uit de dood herrezen Ronald Kruisberg in de kortst mogelijke tijd kunnen oplossen.’
De Cock boog zich iets naar voren, steunde met zijn ellebogen op zijn bureau en vouwde zijn handen. Zijn gezicht was een en al bereidwilligheid.
‘Laten we nu eens,’ begon hij vriendelijk, geduldig, ‘het verhaal van de jonge Ronald Kruisberg analyseren. Waarom wilde hij zo graag weten wie die weglopende man op de begraafplaats was?’
Vledder trok zijn gezicht strak.
‘Omdat hij al een paar maal had gemerkt dat de man een ongewone belangstelling voor hem toonde. De man had hem in de stad enige malen nagelopen, had uren om zijn woning aan de Oude Turfmarkt rondgehangen en manifesteerde zich nu weer op begraafplaats Zorgvlied. Je zult moeten toegeven dat zoiets intrigeert.’
De Cock knikte.
‘Als de man,’ sprak hij bedaard, ‘een onbekende was.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Maar dat is hij toch?’
‘Weet je dat zeker?’
De jonge rechercheur grinnikte vreugdeloos.
‘Waarom komt hij dan hier om te vragen of jij hem kent?’
De Cock antwoordde niet rechtstreeks.
‘Als ik,’ sprak hij docerend, ‘de edele gelaatstrekken van de oude Ronald Kruisberg na ruim twaalf jaar nog herken… zou dan zijn vierentwintigjarige zoon hem na twee jaar niet meer herkennen?’ De grijze speurder gniffelde. ‘En denk eens aan mevrouw Kruisberg. Ik heb haar op de begraafplaats gezien. Verwacht je niet dat ze gillend in onmacht zou vallen als zij aan de open groeve van haar zwager Van Assumburg plotseling haar eigen overleden man zag staan?’
De strijdlust op het gezicht van Vledder ebde weg.
‘Misschien heeft ze hem niet gezien.’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Ze zag hem,’ reageerde hij beslist. ‘Ze stond naast zoon Ronald aan het graf.’
Vledder slikte..
‘Dat komt er dus op neer,’ concludeerde hij aarzelend, ‘dat de gehele familie weet dat Ronald Kruisberg niet werkelijk is gestorven.’
De Cock knikte traag.
‘De familie is nu alleen maar ongerust of ik de oude… de dode Ronald Kruisberg heb herkend.’ Hij grijnsde een tikkeltje vals. ‘En in die ongerustheid wil ik ze nog een poosje laten voortleven.’
De jonge rechercheur zweeg, hij verzonk in gepeins. Eerst na een poosje keek hij op.
‘Heeft sterven zin?’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Is dat een filosofische vraagstelling?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Een juridische. Als de oude Ronald Kruisberg werkelijk leeft en niet per vergissing… ambtelijke vergissing is gestorven… welk belang had hij bij zijn dood?’
De Cock grijnsde.
‘Denk eens aan zijn vele schuldeisers… aan de strafzaak die tegen hem liep. Soms is sterven een uitkomst. Bij de dood eindigt de wereldse aansprakelijkheid voor een slecht verleden. Er rest de oude Ronald Kruisberg in feite maar één ding.’
‘En dat is?’
‘Oprecht dood te blijven.’