Vledder veegde met zijn mouw wat fijne sneeuw van de voorruit van de oude Volkswagen. Daarna stapte hij in, startte de motor en reed van de begraafplaats weg.
De Cock zat onderuitgezakt naast hem. De grijze speurder had de kraag van zijn duffelse jas weer omlaag geduwd en zijn wollen sjaal wat losser van zijn hals getrokken. Onder zijn Harris-tweed colbert broeide de eigengebreide pullover, die zijn zorgzame vrouw hem dwong te dragen zolang er een ‘r’ in de maand was. Hij schudde zijn hoofd en pufte omstandig na.
‘Twee vermoeiende sprintjes in nog geen drie kwartier… dat is te veel voor een rechercheur op leeftijd.’
Vledder keek hem van terzijde aan.
‘Waarom heb je mij niet gewaarschuwd? Misschien had ik hem wel ingehaald.’
De Cock zwaaide wat geagiteerd.
‘Wat had ik dan moeten roepen? “Vledder, aan de andere kant van het graf staat een dode man in de rij… pak hem even?” ’ Hij snoof. ‘Een opmerkelijke kreet tijdens een begrafenisplechtigheid.’ Hij zweeg even en om zijn mond danste een zoete grijns. ‘Bovendien zou mijn oude moeder het mij nooit vergeven, wanneer ik een dominee in zijn zegenrijke arbeid had gestoord.’
De jonge rechercheur lachte.
‘Het gaf anders opschudding genoeg. Ik denk dat niemand meer naar het Onze Vader heeft geluisterd.’
‘Dat spijt me.’
Vledder boog zich iets over het stuur.
‘Weet je het zeker?’
‘Wat?’
‘Dat die Ronald Kruisberg dood is?’
De Cock drukte zich wat omhoog.
‘Jaren geleden, nog vóór ik met jou optrok, heb ik eens een oplichtingszaak behandeld. Die Kruisberg was daarin verdachte.
Hij had een BV’tje opgericht en aan tientallen mensen voor veel geld kaveltjes grond in Spanje verkocht met het doel daarop in de toekomst schitterende bungalows te bouwen. Toen een paar argwanend geworden kopers eens ter plekke gingen kijken, bleken de kavels ver van de bewoonde wereld te liggen, op een ruw, rotsachtig terrein, waarmee niets te beginnen was. De grond was nog geen fractie waard van hetgeen de bedrogen kopers ervoor hadden betaald.’
‘Kreeg je de zaak rond?’
De Cock knikte heftig.
‘Zeker. Ik heb in die tijd ook ettelijke gesprekken met Ronald Kruisberg gevoerd. Een vriendelijk en innemend man. Maar toen ik eindelijk van de officier van justitie toestemming kreeg om hem terzake fraude te arresteren, bleek de vogel gevlogen.’ Vledder knikte begrijpend.
‘Met al het geld.’
‘Precies.’
‘Hoe kom je erbij dat hij dood is?’
De Cock ademde diep.
‘Toen Ronald Kruisberg ondanks al mijn inspanningen toch spoorloos bleef, heb ik een uitgebreid telexbericht verzonden met een dringend verzoek tot opsporing, aanhouding en voorgeleiding. Ongeveer een jaar of twee geleden, las ik in de krant een overlijdensadvertentie van hem. Ronald Kruisberg, zo stond er, was bij een tragisch verkeersongeval om het leven gekomen. Ik heb toen onmiddellijk bij de Burgerlijke Stand geïnformeerd en daar zei men mij, dat hij inderdaad in het register van overlijden was opgenomen.’
Vledder begreep het.
‘En jij liet het opsporingsbericht vervallen.’
‘Uiteraard. Het had geen zin meer om dat bericht te handhaven. Strafvordering, zo staat in de wet, vervalt bij de dood van de verdachte.’
Vledder reed door het rode licht. Toen ze veilig over de kruising waren gekomen, ploegde een dwarse denkrimpel in het voorhoofd van de jonge rechercheur.
‘Kun je je niet vergissen?’
De Cock keek naar hem op.
‘Je bedoelt dat de man op de begraafplaats níét Ronald Kruisberg was?’
‘Ja… een ander… iemand die sterk op hem lijkt. Een tweelingbroer, ik noem maar iets.’
De Cock wreef zich nadenkend achter in zijn nek.
‘Ik had het idee dat hij ook wist wie ik was. Begrijp je, er was zo’n subtiele reactie van herkenning. Ik kan mij daar moeilijk in vergissen. Bovendien… als hij niet Ronald Kruisberg was… waarom ging hij dan voor mij op de vlucht?’
Vledder grijnsde.
‘Als ik jou dravend op mij af zag komen, zou ik ook maken dat ik wegkwam.’
De Cock lachte.
‘Heb jij een slecht geweten?’
De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Jij realiseert je niet hoe vervaarlijk jij er dravend uitziet.’
De Cock negeerde het grapje. Hij kneep zijn ogen half dicht en bracht het beeld op de begraafplaats in zijn herinnering terug.
‘Volgens mij,’ sprak hij traag, ‘sloeg hij op de vlucht, op het moment dat hij zich realiseerde dat ik hem als Ronald Kruisberg had herkend.’ Vledder kneep zijn lippen samen. Het idee dat een man uit het rijk der doden was teruggekeerd, kon in zijn gedachten geen ingang vinden. Een tijdlang staarde hij voor zich op de weg.
‘Hoe lang is het geleden dat jij die Ronald Kruisberg in leven zag?’ De Cock keek op zijn horloge.
‘Een goed halfuur.’
De jonge rechercheur zwaaide afwerend.
‘Vóór dat moment.’
‘Een jaar of twaalf.’
Vledder knikte peinzend.
‘In twaalf jaar tijd kan het uiterlijk van een mens sterk veranderen.’
De Cock wreef over zijn kin.
‘Mogelijk… Toch zijn er indrukken, gelaatsexpressies, die niet veranderen, die het aanzien van een mens bepalen. Zo is het ook met Ronald Kruisberg.’ Hij zweeg even. ‘Weet je wat ik mij afvraag?’
‘Nou?’
‘Waarom nam hij het risico om op de begrafenis van die Hendrik-Jan van Assumburg te verschijnen? Dat was in zijn positie uiterst gevaarlijk. Hij liep alle kans om herkend te worden.’
Vledder keek zijn oude collega schattend aan. Hij voelde dat de grijze speurder bezield raakte van het idee dat de dode Ronald Kruisberg nog leefde en dat in hem de bereidheid groeide om zich opnieuw in een avontuur te storten. Hij liet het stuur even los en zwaaide wild met beide handen.
‘Wat praat je nu over “risico” en “kans” om herkend te worden,’ riep hij geprikkeld. ‘Waarom ga je er niet gewoon van uit dat je op Zorgvlied een verkeerde waarneming hebt gedaan. Daar behoef je je niet voor te schamen. Dat is heel menselijk. Het is mij diverse malen gebeurd dat ik oprecht meende dat ik iemand ergens had gezien, terwijl dat achteraf helemaal niet juist bleek.’ De Cock schudde zijn hoofd.
‘Er mankeert niets aan mijn waarneming.’
Het klonk wat stug.
Vledder zuchtte zwaar.
‘Als die Ronald Kruisberg dood is,’ sprak hij geduldig, ‘dan is hij dood en was hij niet op de begrafenis. Zo simpel is dat.’
De Cock stak theatraal zijn beide armen omhoog.
‘Dood of niet dood… hij was er.’
De jonge rechercheur rilde. De woede over zoveel halsstarrigheid werd hem te veel.
‘Dat is toch waanzin?’
De grijze speurder keek zijn jonge collega van terzijde aan en herkende de opwinding.
‘Oké,’ sprak hij zacht en sussend. ‘Je hebt gelijk. Het is waanzin… in strijd met elke logica. Dat realiseer ik mij best. Dood is dood… en de dood is onherroepelijk.’ Hij stak zijn kin iets omhoog. Op zijn breed gezicht kwam een verbeten trek. Hij klapte met zijn vuist voor zich op het dashboard. ‘Ik lijd niet aan hallucinaties… ik heb een levende Ronald Kruisberg gezien. En als die man, op welke wijze dan ook, uit de dood is herrezen, dan heb ik ergens onder in de lade van mijn bureau nog een dossier vol bedrogen mensen, die ook nu nog graag willen weten, waar destijds hun kostelijke spaarcentjes zijn gebleven.’
Vledder boog zich over het stuur. Hij besefte dat De Cock zich reeds in het probleem had vastgebeten. Behendig manoeuvreerde hij de Volkswagen door de stad. Er was minder verkeer dan gewoonlijk. Het leek alsof de strenge vorst de mensen in hun verwarmde huizen gevangen hield.
Op het Rokin, dicht bij de Dam, raakten ze in een lange file achter een vrachtwagen, die onbeschaamd midden op de rijbaan werd gelost. De jonge rechercheur trok de handrem aan en draaide zich naar De Cock. ‘Als die… die Ronald Kruisberg,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘werkelijk nog leeft… wie ligt er dan in zijn graf?’
Het gezicht van de grijze speurder fleurde op. Hij klapte zijn handen in elkaar.
‘Dick,’ sprak hij bewonderend, ‘dat is de eerste verstandige opmerking die ik vandaag van je hoor.’
De Cock had zijn stoel iets opzij geschoven en zat op zijn knieen bij de uitgetrokken onderste lade van zijn bureau.
Vledder keek vanuit de hoogte op hem neer.
‘Wat ben je aan het doen?’
De Cock blikte omhoog.
‘Ik zoek het oude dossier van Spanish Enterprising.’
‘Heette die BV van Kruisberg zo?’
De Cock knikte.
‘Ik had die stukken allang in het archief moeten laten opbergen, maar op een of andere manier heb ik er nooit afstand van kunnen doen. Ik herinner mij nog een daverende ruzie met de officier van justitie omdat hij zo traag had gereageerd. Ik had hem gewaarschuwd dat “gevaar voor vlucht” aanwezig was.’
Vledder knikte begrijpend.
‘Is de zaak nu niet verjaard?’
‘Strafrechtelijk wel. Voor die oplichtingen kun je Kruisberg niet meer voor een rechter brengen. Maar de civiele vorderingen blijven bestaan.’
Vledder grinnikte.
‘Dat geldt alleen als Ronald Kruisberg werkelijk leeft… en geld heeft.’
‘Inderdaad.’
Adjudant Kamphuis kwam de recherchekamer binnen, liep op De Cock toe en wierp een grote grijze enveloppe op zijn bureau.
‘Dat heeft zojuist een kraai voor je gebracht.’
‘Bedankt.’
Vledder bekeek de enveloppe met een nieuwsgierige blik.
‘Wat is dat?’
De Cock kwam overeind en scheurde de enveloppe open.
‘Het condoleanceregister van Hendrik-Jan van Assumburg met, naar ik hoop, de namen van alle belangstellenden in blokletters.’
‘Had je daarom gevraagd?’
De grijze speurder grinnikte.
‘Je denkt toch niet dat ik voor niets achter de hoge hoed van een kraai aan ren?’ Hij reikte het condoleanceregister aan Vledder over. ‘Maak afdrukken van alle beschreven bladzijden. Tweemaal. Dan sturen we ook een stel naar onze collega’s in Antwerpen… en ook een rapport over de begrafenis.’
‘Wat moet er in dat rapport?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Van Assumburg begraven… geen bijzonderheden.’
‘Meer niet?’
‘Nee.’
‘En dat register?’
‘Dat moet zo snel mogelijk terug naar de begrafenisondernemer. Ik mocht het even van hem lenen, voor hij het aan de familie overhandigde.’
Vledder ging aan zijn bureau zitten en bladerde het register door. Plotseling keek hij op.
‘Hij staat erin.’
‘Wie?’
‘Kruisberg.’
De Cock kwam opmerkelijk snel achter zijn bureau vandaan. ‘Waar?’ hijgde hij.
De jonge rechercheur wees naar een schuin vakje op de vierde pagina, rechts bovenaan.
‘Hier… Ronald Kruisberg… in blokletters.’
Over de schouder van Vledder keek De Cock naar het condoleanceregister. De naam was snel, raffelend neer gepend, maar toch duidelijk leesbaar. Verbijsterd schudde hij zijn hoofd.
‘Dat kan toch niet waar zijn?’ riep hij geschokt. ‘Ongelooflijk.’ Vledder keek verward naar hem op.
‘Waarom nu ongelooflijk?’ riep hij met een zweem van verbazing. ‘Jij beweert toch steeds dat je hem hebt gezien? Wel, dat klopt dan. Hij heeft als belangstellende heel netjes het condoleanceregister getekend.’
De grijze speurder liep bij Vledder weg en liet zich verslagen in de stoel achter zijn bureau zakken.
‘Begrijp je het dan niet,’ sprak hij vermoeid. ‘Ronald Kruisberg is officieel dood en begraven. Hij kan dan toch onmogelijk nog zijn eigen naam gebruiken.’
Vledder klopte op het register.
‘Jij had zijn naam hierin niet verwacht?’
De Cock greep met beide handen naar zijn hoofd.
‘Niet de naam Kruisberg,’ riep hij vertwijfeld. ‘Ik had gehoopt om via dat register achter de naam te komen, die Kruisberg nu voert. Dan was het misschien mogelijk geweest hem op te sporen.’
Vledder schudde mismoedigd zijn hoofd.
‘Misschien is er helemaal niets aan de hand en heeft die Ronald Kruisberg de afgelopen twaalf jaar gewoon geleefd en leeft hij nog… en heb jij destijds een slordig foutje gemaakt.’
‘Hoe?’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Weet ik veel. Misschien gold die overlijdensadvertentie wel iemand anders en heb je ook bij de Burgerlijke Stand naar een verkeerde naam gevraagd.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Zo seniel ben ik nog niet,’ reageerde hij scherp. Hij zweeg even. ‘Maar het lijkt mij een goed idee. Morgen gaan we samen naar de Burgerlijke Stand en controleren alles nog eens nauwkeurig. Er moet bij de akte nog een verklaring van overlijden zijn van een of andere arts… of een dokter van de doodschouw. Mogelijk zegt het iets over de wijze waarop Ronald Kruisberg uit dit tranendal stapte.’ De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder nam de hoorn op en luisterde. Zijn oude collega zag hoe het gezicht van Vledder betrok.
‘Wat is er?’ vroeg hij gespannen.
Vledder legde de hoorn op het toestel terug.
‘Hij… eh, hij staat beneden aan de balie.’
‘Wie?’
Vledder slikte.
‘Ronald Kruisberg.’