15

In het Centraal Station van Antwerpen kwam de trein knarsend tot stilstand. Met verkrampte knieën stapten de rechercheurs uit. Vledder keek speurend om zich heen.

‘Worden we niet opgewacht?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat wilde ik niet.’

‘Waarom niet?’

‘Het leek mij beter om eerst op eigen houtje de stad een beetje te verkennen. Vanmiddag om drie uur heb ik een afspraak met de hoofdcommissaris van de Gerechtelijke Politie.’ Hij glimlachte. ‘Dan zal ik hem mijn geloofsbrieven overhandigen.’

‘Waar?’

‘In het Paleis van Justitie.’

‘Weet je dat te vinden?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Ik moet je tot mijn grote schande bekennen dat ik nog nooit in Antwerpen ben geweest. Dit is mijn eerste bezoek aan de stad.’

Vledder grinnikte ongelovig.

‘Was je nog nooit op een zondag op de Vogeltjesmarkt… heb je nog nooit een Bolleke gedronken?’

De Cock reageerde wat triest.

‘De reisdrift is een hartstocht die niet zo sterk in mij leeft en als in deze zaak het spoor niet zo duidelijk naar Antwerpen had geleid, dan was ik in het mij vertrouwde Amsterdam gebleven.’ Hij zweeg even en keek op. ‘Wat is een Bolleke?’

Vledder lachte voluit.

‘Het zaligste bier dat ik ooit heb gedronken. Daar is een cognackie bij jouw Smalle Lowietje gewoon niet mee te vergelijken.’ De Cock schoof zijn onderlip vooruit.

‘Dan moet het nogal wat zijn.’

Vledder knikte nadrukkelijk.

‘Ik kan je uit betrouwbare bron melden dat het door engeltjes wordt gebrouwen en dat alleen de Vlamingen de kunst verstaan om het hemels te tappen.’

‘En die Vlamingen wonen in Antwerpen?’

‘Beslist.’

De Cock gniffelde.

‘Dan moet ik straks… hoe heet dat?’

‘Een Bolleke.’

Via fraaie monumentale trappen daalden de beide rechercheurs van het perron in een immense hal. Beneden staarde De Cock vol verbijstering omhoog naar bogen en ramen die tot in de wolken reikten. ‘Een station als een kathedraal,’ riep hij enthousiast. ‘Een rustpunt voor pelgrims naar de eeuwigheid.’

Vledder keek hem niet begrijpend aan.

‘Wie zijn “pelgrims naar de eeuwigheid?” ’ vroeg hij met verbazing in zijn stem.

De Cock zwaaide enthousiast om zich heen.

‘Wij… wij allen… dolende reizigers op een voortrazende planeet.’ In een opgewekte, bijna uitgelaten stemming stapte hij het Centraal Station uit. Vledder volgde hem schoorvoetend. Het buitensporige gedrag van zijn collega baarde hem enige zorgen. Zo kende hij zijn oude mentor niet.

Buiten keek de grijze speurder nog even om. ‘Middenstatie,’ las hij en besefte ineens bitter dat België een taalstrijd kende.

Vanuit het Centraal Station lag De Keyserlei uitnodigend open. Een brede, vrolijke boulevard van allure. Voor hen uit, onverzettelijk, massaal, dominant als het Empire State Building, torende het Groot Handelsgebouw in nevelige hoogten.

De Cock blikte bewonderend om zich heen. Voor een man die bijna een mensenleven lang in de oude Amsterdamse binnenstad had rondgezworven, was Antwerpen een verademing. Schone straten. Geen opruiende leuzen of discriminerende teksten op muren en schuttingen. Geen smerige sporen van graffiti.

‘Gekken en dwazen,’ sprak hij lachend, ‘schrijven hun namen op deuren en glazen.’

Vledder keek hem van terzijde aan.

‘Zei je wat?’

De Cock knikte.

‘Een kreet van mijn oude moeder,’ sprak hij vrolijk.

‘Al hadden we vroeger geen viltstiften… ze heeft mij voor vele dwaasheden behoed.’ Hij zweeg even en zwaaide met zijn beide armen. ‘Valt je niets op?’

Vledder trok zijn rechterschouder iets omhoog.

‘Kleine schoolmeisjes in blauwe truitjes en grijze rokjes,’ sprak hij mokkend. ‘Donkerbaardige orthodoxe joden in traditioneel zwart.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat bedoel ik niet. Kijk naar al die etalages… lokkend… open… geen luiken… geen barricaden tegen crimineel geweld. De middenstand schijnt hier nog in vrede en vrijheid te kunnen leven.’

Vledder bleef geërgerd staan. De opgewekte toon van De Cock, de verholen kritiek op hun eigen stad, hinderde hem. ‘Ik geloof,’ sprak hij schamper, ‘dat je even vergeet waarom we hier zijn… een reeks koelbloedige moorden met uitlopers naar Amsterdam.’

De Cock reageerde niet. Hij slenterde op zijn gemak bij Vledder vandaan, vastbesloten om zich het plezier van Antwerpen niet te laten ontnemen. Blij, als een toerist, genoot hij met volle teugen van de sinjorenstad.

Zonder op zijn jonge collega te letten, liep hij van de Meir de Twaalfmaandenstraat in en belandde tot zijn verbazing in een oud verlaten gebouw.

Vledder kwam achter hem aan.

‘Wat ben je in godsnaam toch aan het doen?’ riep hij duidelijk geprikkeld.

De Cock glimlachte beminnelijk.

‘Antwerpen verkennen.’ Hij wuifde om zich heen. ‘En wat is dit?’

Vledder trok een zuur gezicht.

‘De oude handelsbeurs,’ antwoordde hij wat nukkig. ‘Maar zover ik weet, is het gebouw als zodanig al lang niet meer in gebruik.’

De Cock keek om zich heen.

‘Het lijkt veel meer op een kerk waar een beeldenstorm door heeft geraasd.’

Hij gebaarde naar links, waar vanuit een gesloten ruimte een kakofonie van geluiden galmde.

‘Daar is nog wat gaande?’

Vledder zuchtte omstandig.

‘Dat is de schippersbeurs. Daar komen de schippers nog om hun vracht.’

De Cock knikte begrijpend.

Nog even keek hij rond. Toen slenterde hij met een ongedurige Vledder op zijn hielen het gebouw uit. Daarna wandelde hij bijkans doelloos door smalle middeleeuwse straten, bezag aandoenlijk oude geveltjes en onderging de charme en zoete pracht van de vele marktpleinen. Voor de duistere ingang van een staminee bleef hij staan en keek zijn jonge collega aan.

‘Trakteer jij?’

Vledder knikte en stapte voor hem uit naar binnen.

Het was er stil, intiem en gezellig. Uit hoge ramen met glas-inlood in geel en groen viel gedempt licht op brede ruwhouten banken en tafels. De Cock zocht zich een plekje bij het knapperend haardvuur. Vledder nam tegenover hem plaats. Toen een struise jonge vrouw vragend op hen toeliep, bestelde hij twee Bollekes.

‘Hoelang wil je nog blijven rondlopen?’ vroeg hij daarna aan De Cock.

De grijze speurder schoof de mouw van zijn colbert iets terug op zijn horloge. ‘Het is bijna twee uur. We laten ons straks door een taxi naar het Paleis van Justitie rijden.’

De jonge struise vrouw kwam weer naderbij en serveerde donker bier in twee bolle glazen op een hoge poot. Aan de voet plaatste ze schaaltjes met goudbruine pinda’s.

De Cock blikte naar haar op.

‘Is het ver van hier naar de Burchtgracht?’

‘De Bloedberg?’

De Cock reageerde wat verward.

‘Een tempel… De Hemelpoort.’

De jonge vrouw schudde haar hoofd. Om haar volle rode lippen danste een geheimzinnige glimlach.

‘Geen poort naar de hemel… maar een weg naar de hel.’


De heer H.J.M. Opdenbroecke, de kleine, parmantige hoofdcommissaris van de Gerechtelijke Politie in Antwerpen, knikte met een ernstig gezicht. ‘Ik kan de reactie van de jonge vrouw in het kroegje, waar u uw Bolleke dronk, best begrijpen. Het is een typische hoerenbuurt. Wel niet te vergelijken met de Walletjes bij u in Amsterdam, maar toch…’

De Cock onderbrak hem.

‘Ik heb de naam Bloedberg op geen enkele kaart van de stad Antwerpen kunnen ontdekken.’

De heer Opdenbroecke glimlachte.

‘Het is ook geen officiële naam, maar iedere rechtgeaarde Antwerpenaar weet waar de Bloedberg is.’ Er kwam een kleine twinkeling in zijn ogen. ‘En velen van uw landgenoten is de weg daarheen niet onbekend.’

De Cock lachte om de formulering.

‘Waar komt de naam vandaan?’

De hoofdcommissaris maakte een lichte schouderbeweging.

‘Boven op de Bloedberg staat ons fraaie Vleeshuis, nu museum, maar in de late middeleeuwen slachthuis en raadskamer van het vleeshouwersgilde. Men kan slachten met bloed associëren, maar volgens mij is de naam Bloedberg veel ouder dan ons Vleeshuis, pal bij is Het Steen, een aloude burcht die in vroegere tijden als gevangenis diende. Op de hoogte bij Het Steen werden gerechtelijke vonnissen voltrokken en dat heeft… impliciet… alles met bloed te maken.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Vandaar… Bloedberg.’ Hij keek naar de hoofdcommissaris op. ‘Heeft u ambtelijk wel eens iets met het Heilig Verbond van de Stervenden te maken gehad?’

De Heer Opdenbroecke schudde zijn hoofd.

‘Wij weten uiteraard dat de sekte op de Burchtgracht haar tempel heeft, maar het gedrag van de leden heeft tot nu geen aanleiding gegeven om onze interesse uit te breiden.’

De Cock beet even op zijn onderlip.

‘Op uw verzoek,’ sprak hij voorzichtig, ‘hebben mijn collega Vledder en ik recentelijk in Amsterdam de begrafenis bijgewoond van de heren Van Assumburg en Strijdbaar. Ten aanzien van beide personen hebben wij aanwijzingen dat ze in werkelijkheid nog in leven zijn.’

Hoofdcommissaris Opdenbroecke glimlachte beleefd.

‘Wij hebben zoiets vernomen. Het komt ons hoogst onwaarschijnlijk voor. De identificatie van de beide slachtoffers geschiedde uiterst zorgvuldig. Op beiden werden passende legitimatiebescheiden aangetroffen. Van onze zijde… geen twijfels. Niettemin… u kunt bij uw onderzoek van ons alle medewerking verwachten om uw eigen vermoedens uit te bouwen.’

De Cock boog licht zijn hoofd.

‘Daarvoor ben ik u zeer erkentelijk,’ reageerde hij vriendelijk. ‘We hopen er slechts een bescheiden gebruik van te hoeven te maken.’ De grijze speurder raadpleegde de rapporten, die hij vanuit Amsterdam had meegenomen. ‘Uit uw telexbericht lees ik, dat het lichaam van de heer Strijdbaar uit het Bonapartedok werd gevist. En het lijk van de heer Van Assumburg?’

‘Uit hetzelfde dok.’

‘Vergiftigd?’

‘Inderdaad.’

‘Wat was de directe aanleiding om inzake deze beide drenkelingen aan misdaad te denken?’

De heer Opdenbroecke leunde in zijn zetel achterover.

‘Verwondingen aan het hoofd. In beide gevallen waren gedeelten van het gezicht weggeslagen… vermoedelijk door een klap van een schroef van een of ander vaartuig. Op bevel van de onderzoeksrechter zijn de lichamen door de wetsdokter onderzocht. De verwondingen bleken geen doodsoorzaak. Wel bleek dat de longen geen water bevatten… hetgeen, zo u weet… betekent dat beiden reeds overleden waren voor zij in het water terechtkwamen. In het laboratorium voor wetenschappelijke politie is toen toxicologisch onderzoek gedaan met als conclusie: dood door vergiftiging.’

‘Welk vergif?’

‘Curare.’

De Cock boog zich met een ruk naar voren.

‘Curare,’ herhaalde hij verrast, ‘dat oude Indiaanse pijlgif?’

De hoofdcommissaris knikte bedaard.

‘Maar dan een nieuwe variant… curarine… niet uit de Zuid-Amerikaanse jungle, maar uit een ultramoderne farmaceutische fabriek in Holland.’ Hij spreidde zijn beide handen in een berustend gebaar. ‘Met overigens dezelfde werking… een snelle dood door verlamming van de ademhalingsorganen.’ Hij zuchtte. ‘Ik heb mij laten influisteren dat er tegenwoordig doktoren zijn, die het voor euthanasie gebruiken.’

De Cock zette het raderwerk van zijn denken in de hoogste versnelling. Curare… curarine… hij was het in zijn lange rechercheloopbaan nog nooit tegengekomen. Hoe rangschikte hij dat vreemde vergif in het beeld van het geheel. Bood het mogelijkheden voor een bewijs? En hoe was dat te leveren?

‘Wie ontdekte de lijken?’ vroeg hij plotseling.

‘Een Johannes van den Bosch, eigenaar en schipper van het vrachtschip de Stella Maria.’

‘Beide keren?’

‘Ja.’

‘Betrouwbaar?’

Opdenbroecke glimlachte.

‘Het is een Hollander.’

De Cock wreef zich achter in zijn nek. De geslepen hoofdcommissaris toonde zich een waardig… medestander… tegenstander? De man was moeilijk te peilen. Weifelend keek hij naar hem op.

‘Hoe… hoe ligt dat Bonapartedok ten opzichte van de Burchtgracht?’

Opdenbroecke antwoordde niet direct. Voor het eerst toonde hij enige onzekerheid.

‘U bedoelt ten opzichte van die tempel?’

‘Ja.’

‘Praktisch om de hoek.’

Загрузка...