5

Rechercheur De Cock zat de volgende morgen zacht dommelend in de tram. In tegenstelling tot zijn gewoonte, had hij die nacht niet zo best geslapen. Het beeld van dat bleke smalle gezicht in de buitenste rij om de groeve, had zijn gedachten zo gedomineerd, dat de zoete sluimer waarin hij meestal vergleed, niet wilde komen. Woelend had hij zich afgevraagd of Vledder misschien toch gelijk had en dat zijn waarnemingen niet juist waren geweest. Men ontmoette niet elke dag een man die uit de dood was herrezen. Toen hij uiteindelijk zichzelf ervan had overtuigd dat hij zich niet had vergist, dat hij wel degelijk de oude Ronald Kruisberg had gezien, was hij ronkend in slaap gesukkeld.

Op de halte Rozengracht-Marnixstraat plofte een gezette vrouw naast hem op de bank. Ze leunde met zoveel gewicht tegen hem aan, dat hij in de bochten bijkans werd gemangeld. De oude rechercheur keek wat verstoord op. Schuin tegenover hem zat een man met een krant. De elfstedentocht, zo las hij, ging weer eens niet door.

Toen de tram eindelijk het Centraal Station had bereikt, onderging De Cock dat als een bevrijding. Opgelucht stond hij op en stapte uit. Nadat hij met een paar gymnastische bewegingen zijn gedeukte ledematen weer wat in fatsoen had gebracht, zette hij koers naar de Warmoesstraat. Op weg naar het Damrak ontdekte hij voor zich uit de schommelende gestalte van de gezette vrouw. De grijze speurder hield zijn pas in, schoof zijn oude hoedje iets naar voren en nam een andere route naar de Kit.

De korte wandeling dreef de laatste slaapresten uit zijn hoofd. Vrolijk fluitend, een tikkeltje vals, danste hij de twee trappen op naar de recherchekamer.

Vledder zat al aan zijn bureau achter zijn nieuwe elektrische schrijfmachine. Rap gleden zijn vingers over de toetsen.

De Cock hing zijn jas en hoed aan de kapstok en liep op de jonge rechercheur toe.

‘Nu al ijverig?’ vroeg hij vriendelijk.

Vledder keek naar hem op.

‘Ik zal wel moeten,’ antwoordde hij somber. ‘Commissaris Buitendam stond vanmorgen al op mij te wachten. Hij vond ons rapport over de begrafenis van Hendrik-Jan van Assumburg veel te summier. Hij wenst een uitgebreid verslag.’

De Cock grinnikte.

‘Met een paars rouwrandje.’

Vledder reageerde niet op het grapje.

‘Je hebt wat uitgehaald,’ bromde hij, ‘met dat ellendige condoleanceregister.’

De Cock keek hem niet-begrijpend aan.

‘Hoezo?’

Vledder zwaaide wild.

‘De commissaris wil,’ sprak hij geëmotioneerd, ‘dat wij de antecedenten natrekken van alle mensen die het register hebben getekend… hoe ze in hun omgeving bekend staan… of ze wel eens met de politie in aanraking zijn geweest.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Waarom?’

Vledder maakte een hulpeloos gebaartje.

‘Hij vindt dat onze Belgische collega’s in Antwerpen er recht op hebben om zo uitgebreid mogelijk te worden geïnformeerd.’ De Cock grinnikte dor.

‘Hoe kan die man dat nu zeggen?’ riep hij vertwijfeld. ‘Hoeveel namen staan er wel niet in dat register? Veertig? Vijftig? Zo’n omvangrijk antecedentenonderzoek is toch veel te tijdrovend. Als je het goed wilt doen, kost het maanden.’ Hij spreidde zijn beide handen. ‘En wat levert het op?’

Vledder schoof de schrijfmachine van zich af.

‘Achteraf,’ pruilde hij, ‘had je beter niet naar dat register kunnen vragen.’

De Cock reageerde verwonderd.

‘Dat is onzin. Het is een Antwerpse moord. Het onderzoek is in handen van de Belgen. Maar als ik met die moord was belast, dan zou ik willen weten wie er belangstelling toonde voor de begrafenis van het slachtoffer.’

Vledder knikte instemmend.

‘Jij had er ook niet op gerekend dat wij dat antecedentenonderzoek zouden moeten doen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Het is ongebruikelijk, onnodig en dwaas. Als onze Belgische collega’s in dat condoleanceregister iemand aantreffen voor wie ze belangstelling hebben, dan kunnen wij naar die betreffende man of vrouw hier naspeuringen doen. Maar om zonder enige aanleiding het hele register na te pluizen…’ Hij maakte zijn zin niet af maar zweeg even.

‘Heb je de commissaris ook van die oude Ronald Kruisberg verteld?’

‘Ja.’

‘En?’

Vledder draaide zijn hoofd iets weg.

‘Hij gelooft het niet.’

‘Wat niet?’

De jonge rechercheur wees voor zich uit.

‘Dat jij op de begrafenis van die Van Assumburg een dode Ronald Kruisberg in leven hebt gezien. Hij keek mij even wat vreemd aan en zei toen dat hij van een dergelijke onzin niets wilde weten.’

De Cock slikte.

‘Niets wilde weten?’ herhaalde hij kwaad.

Vledder knikte.

‘Toen ik hem vertelde dat jij absoluut overtuigd was… dat je zelfs achter hem aan was gerend.. zei hij zacht grijnzend, dat het niet ongewoon was dat het gezichtsvermogen van mannen op jouw leeftijd verminderde.’

De Cock kneep zijn lippen samen. Hij voelde hoe een onbeheerste woede in zijn aderen kroop en zijn bloed deed bruisen. Met een ruk draaide hij zich om en dreunde de kamer af.

Vledder kwam bliksemsnel achter zijn bureau vandaan en rende hem na. Hij kwam te laat.

Noot van schrijver:

Uit ethische, morele, educatieve en nog een reeks andere overwegingen heb ik het gesprek tussen rechercheur De Cock en commissaris Buitendam niet woordelijk weergegeven. Voor de voortgang van het verhaal was dat niet nodig en waarom zou ik u, lieve lezer, belasten met onwelvoeglijke taal?

Ik wil slechts vermelden dat het gesprek in een emotionele sfeer verliep en dat een mogelijk wat gebrekkig functioneren van hersenen en zintuigen in een bepaalde levensfase centraal ter discussie stond. Toen De Cock tot slot fijntjes informeerde of de commissaris het niet opmerkelijk vond, dat het Amsterdamse rechercheapparaat, ondanks een falende leiding, toch tot uitzonderlijke prestaties kwam, eindigde het onderhoud op traditionele wijze. Een briesende, rood aangelopen commissaris strekte woedend zijn hand naar de deur.

‘Eruit!’

En De Cock ging.


Vledder keek zijn oude collega verwijtend aan.

‘Je leert het nooit,’ sprak hij bestraffend. ‘De politie is een semimilitaire organisatie met een hiërarchiek verband. En in dat hiërarchieke verband ben jij als rechercheur ondergeschikt aan de commissaris en ben je eraan gehouden zijn aanwijzingen en bevelen op te volgen. Zo is dat.’

De Cock knikte met een nors gezicht.

‘Alles goed en wel,’ sprak hij grommend, ‘maar bij mijn weten is Buitendam nog steeds niet tot bedrijfsarts gebombardeerd.’

Vledder lachte.

‘Mag de commissaris in dit bijzondere geval oprecht twijfelen aan jouw waarnemingen?’ vroeg hij onnozel. ‘Ik moet je zeggen dat ook ik er nog steeds de grootste moeite mee heb.’

De Cock keek zijn jonge collega secondenlang aan. Daarna strekte hij zijn hand naar hem uit.

‘Jij gaat straks naar de Burgerlijke Stand en kijkt het register van overlijden na.’ Het klonk wat bars en autoritair. ‘Ik wil ook een afschrift van de verklaring die de arts van de doodschouw na het overlijden van Ronald Kruisberg heeft afgegeven.’

Vledder knikte.

‘Moet ik nog in onze administratie kijken?’

‘Waarnaar?’

‘Foto’s, vingerafdrukken?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Die zijn er niet,’ sprak hij somber. ‘Zover heeft hij het niet laten komen. Als destijds de officier van justitie…’ Hij maakte zijn zin niet af maar sjokte naar de kapstok en wurmde zich in zijn duffelse jas. Vledder liep hem na.

‘Wat ga jij doen?’

De Cock draaide zich half om.

‘Aan de weduwe Kruisberg vragen of ze wel eens spoken ziet.’


Via de Linnaeusstraat, de Middenweg en de Hartveldsebrug reed De Cock met de oude Volkswagen in de richting van Diemen. Het had hem nogal wat moeite gekost om de vele adreswijzigingen van mevrouw Kruisberg in de loop der jaren te volgen. Blijkens de meest recente gegevens woonde ze thans in het zuidelijk van Diemen gelegen Polderland.

Na enige malen vragen en een slingertocht door tal van straatjes met tweemaal een bijna-aanrijding, had De Cock Polderland bereikt. Het bleek een nieuw, intiem laagbouwwijkje van lichtgele baksteen. De huisjes deden vriendelijk aan.

De oude rechercheur zette de Volkswagen in een kleine parkeerhaven en slenterde op zijn gemak langs propere gordijntjes naar nummer 723.

Toen hij het huisnummer had bereikt, ontdekte hij dat op en nabij de toegangsdeur een naamplaatje ontbrak. Hij treuzelde even en belde. De deur werd geopend door een lange statige dame in een strakke zwarte japon. De grijze speurder schatte haar op ver achter in de veertig. Haar wat hoekig gezicht toonde scherpe trekken en rimpels. In het donkere haar glinsterde veel grijs. In antwoord op haar vragende blik, maakte de oude rechercheur een lichte buiging.

‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij vriendelijk, ‘met ceeooceekaa. Ik ben rechercheur, verbonden aan het politiebureau Warmoesstraat in Amsterdam. Ongeveer twaalf jaar geleden, heb ik een zaak tegen uw man in behandeling gehad, terzake fraude.’

Mevrouw Kruisberg reageerde opstandig.

‘Mijn man is dood,’ snauwde ze afwerend en deed een poging om de deur weer te sluiten.

De Cock hield de deur tegen en knikte bedaard.

‘Ik heb het vernomen… dat uw man dood is. Ik wilde alleen even met u praten.’

Mevrouw Kruisberg schudde haar hoofd. ‘Ik heb er geen enkele behoefte aan om met iemand te praten,’ sprak ze kil. ‘Ook met u niet.’

De Cock keek haar scherp aan.

‘Over uw zoon.’

De uitdrukking op haar gezicht veranderde.

‘Wat is er met mijn zoon?’

‘Hij was bij mij.’

‘Waarvoor?’

‘Om met mij te praten… over een vreemde man, die hem voortdurend gadeslaat… achtervolgt.’

Mevrouw Kruisberg keek hem onderzoekend aan. Na enige aarzeling deed ze de deur verder open en beduidde De Cock dat hij binnen kon komen.

De woonkamer was gezellig ingericht. Om een ronde tafel stonden vier bescheiden, lichtblauwe fauteuils met witte gehaakte kleedjes over de rugleuningen. Het dressoirtje was volgepropt met peuterige prulletjes en aan de wanden hingen zonnige landschappen in lichte okers.

De grijze speurder keek verrast rond. Het warme interieur paste niet bij de afstandelijke koelheid die de vrouw uitstraalde. Hij liet zich in een fauteuil zakken en legde zijn hoedje naast zich op het tapijt.

‘U bent nogal vaak verhuisd,’ opende hij het gesprek met verwondering.

Mevrouw Kruisberg nam tegenover hem plaats. Rond haar mond speelde een wrange glimlach. ‘Het was een vlucht… een voortdurende vlucht voor schimmen uit het verleden.’

‘Welk verleden?’

‘Dat van mijn man. Toen ik met hem trouwde, wist ik niet met wat voor zaken hij zich bezighield. Ik dacht dat ik een keurige zakenman als echtgenoot had getroffen… het bleek een zwendelaar.’

De Cock keek haar wat schuins aan.

‘Dat klinkt bitter.’

Mevrouw Kruisberg knikte instemmend.

‘Dat was het ook… bitter. Misschien was het beter geweest dat ik een scheiding had aangevraagd op het moment dat ik achter zijn praktijken kwam. Maar daar had ik de moed niet toe.’

‘U bleef bij hem?’

Ze liet haar hoofd iets zakken.

‘Onze koperen bruiloft hebben we nog gevierd. Toen… misschien mede door uw toedoen… werd de grond hier te heet onder zijn voeten. Hij vluchtte naar het buitenland.’ Ze zuchtte diep. ‘Mij liet hij achter met een berg schulden en een moeilijk hanteerbare jongen.’

‘Uw zoon Ronald?’

‘Ja.’

‘Hoorde u niets meer van uw man?’

Mevrouw Kruisberg schudde haar hoofd.

‘De eerste jaren… taal noch teken. Aanvankelijk durfde ik niet te verhuizen. Ik dacht… als de storm wat is geluwd… komt hij wel weer terug en dan moet hij toch weten waar hij mij kan vinden. Maar de jaren verstreken en de druk die de schuldeisers op mij uitoefenden, nam ondraaglijke vormen aan. De mensen dachten dat ik medeschuldig was aan de praktijken van mijn man en dat ik nog steeds relaties met hem onderhield. Ze wilden dat ik hen betaalde.’ Ze gebaarde hulpeloos. ‘Betalen… waarvan? Ik had niets. Bij Sociale Zaken durfde ik niet aan te kloppen. Toch moest ik leven. Om in het onderhoud van mij en mijn zoon te voorzien, nam ik een baantje als secretaresse op een handelskantoor. Ik ben toen ook verhuisd… verschillende malen… tot de vele schuldeisers het spoor wat bijster raakten.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Wanneer hoorde u weer van uw man?’

‘Een jaar of vijf geleden.’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Hoe ging dat in zijn werk? Ik bedoel, door die vele verhuizingen moet het hem toch moeilijk gevallen zijn om u te vinden?’ Mevrouw Kruisberg schudde haar hoofd.

‘Hij vond mij niet.’

De Cock keek haar verbaasd aan.

‘Hij vond u niet?’ herhaalde hij vragend. Ze bracht weer die wrange glimlach.

‘Ik hoorde dat hij nog leefde.’

‘Van wie?’

Mevrouw Kruisberg antwoordde niet direct. Ze verschoof iets in haar fauteuil.

‘Tijdens een skivakantie in Sankt-Moritz in Zwitserland leerde Evelien… dat is mijn jongste zuster… een man kennen… een zakenman, die over ruime financiële middelen scheen te beschikken. Hoewel hij bijna twintig jaar ouder was dan zij, voelde Evelien zich sterk tot hem aangetrokken en binnen een halfjaar na de kennismaking trouwde zij met hem.’

De Cock keek naar haar op.

‘Hendrik-Jan van Assumburg?’

Mevrouw Kruisberg knikte.

‘Hendrik-Jan.’

‘De man die gisteren werd begraven?’

‘Inderdaad.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘En die man zei dat Ronald Kruisberg nog leefde?’

Mevrouw Kruisberg knikte opnieuw.

‘Ze zijn in Zwitserland getrouwd. Na hun huwelijksreis kwam Evelien bij mij om Hendrik-Jan aan mij voor te stellen. Tijdens de kennismaking viel uiteraard de naam Kruisberg. Hendrik-Jan zei toen dat hij ene Ronald Kruisberg kende. Hij had die man in Antwerpen ontmoet als lid van een of andere sekte.’ Ze zweeg even. ‘Ik raakte er niet opgewonden van. De naam Kruisberg is wijd verbreid. Bovendien kwam het idee dat mijn man lid was van een of andere sekte, mij ongeloofwaardig voor. Maar voor alle zekerheid liet ik aan Hendrik-Jan van Assumburg een foto van Ronald zien.’

‘En?’

Mevrouw Kruisberg maakte een schouderbeweging.

‘Volgens Hendrik-Jan van Assumburg bestond er geen enkele twijfel. De man die hij in Antwerpen had ontmoet, was de man met wie ik was getrouwd en die mij zeven jaren tevoren had verlaten.’

‘Bent u toen naar Antwerpen gereisd?’

Mevrouw Kruisberg schudde langzaam haar hoofd.

‘Ik wilde niet,’ sprak ze gelaten. ‘Ik voelde niet de minste behoefte om na al die jaren de draad weer op te pakken. De gedachte opnieuw met die man samen te leven, stond mij zo tegen, dat ik geen stap ondernam om weer met hem in contact te komen.’ Ze bracht haar beide handen naar haar hoofd en zuchtte diep. ‘Toen ik twee jaar geleden uit België het bericht kreeg dat Ronald bij een auto-ongeval om het leven was gekomen, onderging ik dat als een bevrijding… alsof ineens een loden last van mij afviel.’

‘Waar werd Ronald begraven?’

‘Hier op Zorgvlied… dat was zijn wens.’

‘In de nabijheid van waar Hendrik-Jan van Assumburg nu ook ligt?’

Mevrouw Kruisberg gebaarde traag voor zich uit.

‘De graven,’ sprak ze zacht, ‘liggen nog geen honderd meter van elkaar.’

De Cock wreef nadenkend over zijn brede kin.

‘Wie was die galante heer, die uw zuster Evelien tijdens de begrafenis van haar man zoveel… steun gaf?’

‘Een vriend.’

‘Van wie?’

‘Hendrik-Jan en Evelien.’

‘Een huisvriend.’

‘Zoiets.’

De Cock vroeg niet verder. Ze zwegen beiden. Geruime tijd.

Op de schoorsteenmantel tikte een pendule de seconden weg. Buiten, in de tuin, fladderde een koolmezenpaar om een zaadbol aan een draadje. Plotseling boog De Cock zich naar haar toe. ‘Mevrouw Kruisberg,’ sprak hij fluisterend, ‘ziet u wel eens spoken?’

Ze keek geschrokken naar hem op.

‘Spoken?’ herhaalde ze.

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Geestverschijningen… alsof iemand die al jaren dood is, ineens weer is opgestaan.’

Mevrouw Kruisberg reageerde verward en haar onderlip begon te trillen. ‘Wie… wie is opgestaan?’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin en lette op elke beweging van haar huid, ogen en mond.

‘Ronald Kruisberg… uw man.’

Ze keek hem met grote verschrikte ogen aan. Plotseling begon haar lichaam te schokken. Heftig. Ongecontroleerd.

Zwaaiend met beide armen begon ze te schreeuwen: ‘Ik wil niet… ik wil niet, dat hij leeft… ik wil niet, dat hij leeft… ik wil…’

Ze herhaalde het als een echo.

Загрузка...