Hoofdstuk 10

Met gemengde gevoelens verlieten de beide rechercheurs de woning van Michael Zand. Dat ze een tweede telefoonnummer hadden gevonden was prettig, maar ze moesten nog maar afwachten of het nummer ook daadwerkelijk in gebruik was.

Peter van Opperdoes stond al bij de auto, toen hij uit zijn ooghoeken zag dat de voordeur naast die van Zand langzaam openging, en er een charmante oudere dame verscheen. Ze droeg haar sleutels in de ene hand en trok met de andere moeizaam een boodschappenkarretje over de drempel.

Van Opperdoes liep naar haar toe en hielp galant. Een dankbare glimlach was zijn deel, voordat de dame hem onderzoekend aankeek.

‘U was hier gisteren ook al, is het niet?’

‘Hebt u ons gezien?’ glimlachte Van Opperdoes.

Ze keek samenzweerderig. ‘Is er wat met hem aan de hand?’

Van Opperdoes trok een onschuldig gezicht. ‘Met wie?’

Ze wees naar boven, de sleutels nog steeds in haar hand. ‘Die jongen boven. Michael.’

‘U kent hem?’

Ze haalde haar broze schouders op. ‘Een beetje.’

‘Wanneer hebt u hem voor het laatst gezien?’

‘Gezien?’ Peinzend legde ze haar vinger langs haar neus. ‘Oei, dan moet ik even nadenken. Dat is wel een paar dagen geleden, dat ik hem heb gezien.’

Van Opperdoes hield zijn hoofd wat schuin. ‘Weet u misschien nog wanneer dat precies was?’

Ze schudde haar hoofd. Haar grijze haar golfde heen en weer, waardoor er een zachtpaarse gloed op verscheen.

‘Ik moet even goed nadenken. Dat was dus een dag of… ach, wat zal het zijn… drie, vier geleden. Toen heb ik hem gezien, hè!’ Ze stak haar vinger waarschuwend op.

‘Maar gehoord… dat is iets anders. Ik heb iemand in het huis gehoord. Het zijn wel mooie woningen, meneer, maar het is toch gehorig. Ik hoorde iemand heen en weer lopen. Ik ben wel oud, maar nog niet doof, hoor.’

‘Wanneer was dat?’

‘Vannacht. Om drie uur. Ik slaap nogal slecht, weet u. Dan wil ik wel slapen… maar lukt het gewoon niet. Soms zit ik de halve nacht tv te kijken. Bevalt me niks. Allemaal blote meiden, die een beetje dom in de camera kijken. Het zal je kind maar zijn, meneer. Ik moet er niet aan denken. Probeer je ze goed op te voeden, eindigen ze in zo’n ranzig televisieprogramma waar vieze mannetjes ’s nachts naar zitten te kijken.’

Ze keek Van Opperdoes vriendelijk aan.

‘U bent van de politie, toch? Recherche zeker?’

‘Dat ben ik, mevrouw.’

Ze zette bedachtzaam haar boodschappenkarretje neer en begon haar sleutels op te bergen.

‘Ik heb niks tegen de politie. Integendeel. Toen er ingebroken was, verleden jaar, hebben jullie het horloge van mijn overleden man teruggevonden.’ Ze keek hem met warme ogen aan.

‘Dat heb ik altijd bij me, sindsdien.’

‘Heel verstandig. Maar even over vannacht…’

‘Drie uur was het.’

‘Drie uur. U hoorde iemand.’

‘Voetstappen. Hoor ik wel vaker.’

Van Opperdoes knikte begrijpend. ‘Maar u weet niet wie het was.’

Ze keek Van Opperdoes schalks aan. ‘Zodra ik door plafonds heen kan kijken, bent u de eerste die het hoort, dat beloof ik.’

‘Ik kan niet wachten.’

‘Misschien was het Michael wel, maar misschien was het iemand anders. Ik ben niet zo’n nieuwsgierig mens die dan voor het raam gaat kijken of er iemand naar buiten komt. Ik zat lekker in mijn luie stoeltje naar die stomme tv te kijken.’

‘En verder is u ook niets opgevallen, de laatste tijd?’

Ze aarzelde.

‘Het was wel druk altijd. Mensen die ’s nachts aanbelden. Dat soort dingen.’

Van Opperdoes en Jacob keken elkaar even aan. ‘Junks?’

‘Zijn dat van die schichtige, magere, onverzorgde types? Nee… dit waren geen junks. Maar wel jongens voor wie ik de vitrage een beetje dichtdeed.’

Jacob boog iets naar voren. ‘Wat voor jongens? Criminelen?’

‘Snelle schoenen, snelle auto’s. Dure auto’s ook. Dat soort jongens. En maar sjouwen met spullen.’

Ineens viel het kwartje bij Van Opperdoes. Tijdens hun eerste bezoek aan de woning had hij al een vreemd gevoel gehad dat er iets niet klopte. Nu wist hij wat het was.

Michael was een jonge man, die jonge vrienden had. Dat was hem opgevallen; de woning zag er te netjes uit. Alsof het een soort hotelkamer was, die elke dag weer in dezelfde staat wordt teruggebracht.

‘Was hij er elke dag?’

Ze schikte wat aan haar grijze haar. ‘Nou ja, ook wel vaak niet, hoor. Maar u denkt dat ik iemand ben die de hele dag mensen in de gaten houdt. Zo ben ik helemaal niet.’

Van Opperdoes glimlachte begrijpend. ‘Natuurlijk niet.’

Ze wees naar de Middenweg. ‘En nu moet u ophouden met vragen stellen, want ik ga boodschappen halen. Koekjes bij de banketbakker, en misschien wat nootjes naast Schep. Mijn kleindochter komt vanmiddag op bezoek, weet u.’

‘U boft er maar mee.’

‘Noem dat maar boffen. Ik heb acht van die kleinkinderen. Heerlijk hoor, het is elke keer een feest. Maar weet je wel wat die koekjes kosten?’

Ze gaf een knipoog en schuifelde langzaam in de richting van de Middenweg. Haar boodschappenkarretje had iets weg van een onwillig hondje, dat ze tegen zijn zin achter zich meetrok.


IJsselstein, de digitale rechercheur, keek op van het scherm en drukte op een pauzeknop. Hij schudde met zijn hoofd en veegde vermoeid in zijn ogen.

‘Weet je dat ik hier gek van word? Uren achter elkaar mensen die langslopen, en maar kijken of iemand iets in de vuilnisbak gooit.’

Peter van Opperdoes klopte hem goedkeurend op de schouder. ‘Nog niets gezien?’

IJsselstein wees op het scherm. ‘Mensen genoeg die troep in de prullenbak gooien. Het probleem is dat ze op dat moment zo’n beetje met hun rug naar de camera staan. Dat heeft twee nadelen…’

Van Opperdoes dacht mee. ‘Dat je niet ziet wat ze weggooien… en dat je hun gezicht niet ziet.’

IJsselsteins gezicht betrok. ‘Jij zou rechercheur moeten worden, weet je dat?’

‘Ik weet het. Maar je moet toch doorgaan met kijken. Misschien hebben we geluk.’

De digitale rechercheur hield zijn horloge omhoog. ‘Ik vind het best, straks gaat mijn overwerk in.’

Jacob legde de envelop van de telefoonmaatschappij op tafel.

‘Volgens deze rekening heeft de vermiste nog een telefoon. Kun jij kijken of die nog actief is?’

IJsselstein fronste en nam de rekening uit de envelop. ‘Mmm… redelijk recent. Ik zal eens kijken. Wat wil je ermee?’

Van Opperdoes begon te lachen. ‘Als ik je vertel wat ik wil, ga je me weer hard uitlachen, omdat ik dan allemaal dingen wil die niet kunnen.’

‘Natuurlijk. Maar daarom mag je het me wel vragen. Ik kan wel wat humor gebruiken. Dus, nou… wat wil je?’

‘Ik ga het je gewoon vragen. Ik wil weten waar die telefoon nu is.’

De behoedzame uitdrukking van de oude rechercheur deed IJsselstein in luid gelach uitbarsten. ‘Je zou je gezicht moeten zien. Nou, dat kan.’

Ook Jacob moest lachen. ‘Laat hem nou maar. Hij weet nou eenmaal niet veel van de laatste snufjes.’

Van Opperdoes bromde. ‘Daar heb ik anderen voor, die dat voor me bijhouden. Ik ben weer goed in andere dingen.’

‘Tuurlijk. Wat wil je dat ik met die beelden doe?’

Op het computerscherm was het stilstaande beeld van de Westerstraat zichtbaar. Het was schemerig en er liepen weinig mensen. De vuilnisbak waar de telefoon in was gegooid, stond er eenzaam bij.

Van Opperdoes keek ernaar en zuchtte diep, voor hij een beslissing nam. ‘We kunnen maar één ding tegelijk. Die telefoon is nu even belangrijker.’

Opgetogen klikte IJsselstein de computer uit. ‘Kom straks maar terug, dan weet ik meer.’


Peter van Opperdoes beklom langzaam de trappen van het bureau. Zijn knieën speelden nog steeds op, een teken dat hij nog niet op de goede weg was. Hij opende de deur naar het balkon van het bureau, hoog boven het water van de Singelgracht. Hij nam een paar diepe teugen van de heldere avondlucht. Ver beneden zich zag hij Jacob wegrijden, op weg naar een speciaal adresje om eten te halen. Als het op eten aankwam, kenden rechercheurs moeiteloos de beste plekjes van Amsterdam.

‘Kom je eruit?’ vroeg zijn vrouw.

Van Opperdoes leunde tegen de kantelen van het gebouw, die de Raampoort de uitstraling van een oud kasteel gaven.

‘Het is lastig. Ik word van links naar rechts geduwd, en ik heb geen idee welk spel er wordt gespeeld.’

‘Net een schaakspel…’

‘Zoiets, ja. En de tegenstander is me steeds even voor. Het lijkt erop dat ik hem ook niet kan inhalen, want iedere keer zet hij nieuwe pionnen op het bord. Steeds weer nieuwe informatie.’

Zijn vrouw glimlachte. ‘Zoals dat ding in de Westerstraat, met die balletjes. Steeds meer balletjes op het bord.’

Van Opperdoes zag het voor zich. ‘En die rollen van het ene vakje naar het andere… en de vakjes veranderen steeds van kleur.’

‘Dat is inderdaad lastig,’ vond zijn vrouw.

Er viel een stilte, waarin allerlei gedachten door het hoofd van Van Opperdoes schoten. Als balletjes over een schaakbord, bedacht hij, maar geen een die blijft liggen in het juiste vakje. Hij werd er kriegelig van.

‘Het komt wel,’ suste zijn vrouw. ‘Wacht nou maar af.’

Van Opperdoes keek naar de wolken. De belofte van weer een mooie, nieuwe dag hing in de lucht. Hij ademde nog eens diep in en voelde zich rustiger worden.

Alsof de balletjes in zijn geest steeds langzamer bewogen.

Zachtjes ging de deur naar het balkon open en het hoofd van Jacob verscheen. ‘Kom je?’

Van Opperdoes knipperde verward met zijn ogen. Hoe lang had hij hier gestaan?


Jacob had borden en bestek uit de kantine meegenomen. Uit een witte plastic zak haalde hij twee bakken met eten.

Peter van Opperdoes haalde het dekseltje eraf en bekeek het eten van alle kanten. ‘Wat is het?’

‘Nieuw adresje. Niet nieuw in de zin van dat het een nieuw restaurant is… maar ik kende het nog niet. Dat bedoel ik.’

De oude rechercheur snoof genoeglijk boven het eten. ‘Tjonge…’

Jacob nam een smakelijke hap. ‘En het is bij jou om de hoek. Zijstraatje van de Lindengracht.’

Het bakje was tot aan de rand gevuld met bami, groenten, vlees en een eitje, dat er door de kleur vervaarlijk pittig uitzag.

‘Dit is geen Chinees.’

Jacob keek hem bestraffend aan. ‘Dat moet jij toch weten. Chinees haal je alleen op de Dijk.’

Dat was waar, dacht Van Opperdoes. De beste Chinezen zitten op de Zeedijk, in onooglijke tentjes met fel tl-licht en plastic kleedjes op tafel.

‘Indisch. Tweede Lindendwarsstraat. Terang Boelan.’

Jacob kreeg het er tussen twee happen door met moeite uit.

Van Opperdoes kauwde bedachtzaam op het boterzachte vlees. Het was het beste wat hij in lange tijd had gegeten. Vaak lijken de smaken in zo’n bakje op elkaar, maar ieder verschillend gerecht was perfect van smaak. Dit was een van de grootste charmes van het recherchewerk, vond hij. Hard werken, snel even iets goeds te eten halen, en dat gewoon met z’n tweeën of met een hele groep uit bakjes aan je bureau opeten. Het was een rustmoment tijdens een onderzoek, waarin niet over de zaak werd gesproken en meestal veel werd gelachen.

Er werd pas weer gesproken toen de twee bakjes op waren. Jacob leunde voldaan achterover. ‘Zo zeg… dat was goed.’

Er klonk gestommel in de hal en IJsselstein kwam de recherchekamer in. ‘Wat…’

Hij stokte en wees beschuldigend naar de lege bakjes.

‘En niet even aan mij vragen of ik wat wil eten?’

‘Jij zegt toch altijd nee.’

IJsselstein sputterde. ‘Maar dan kun je het toch nog wel vragen?’

Jacob wees met zijn vork.

‘Ik heb het je al duizend keer gevraagd de afgelopen jaren. Ik blijf niet aan de gang.’

Mokkend legde de digitaal rechercheur een paar velletjes papier neer.

‘Het nummer is nog in gebruik. Ik weet natuurlijk niet bij wie, maar wel dat het gewoon in de lucht is.’

Van Opperdoes schoof energiek naar voren. ‘Waar is de telefoon?’

IJsselstein haalde zijn schouders op. ‘Dat weet ik uiteraard nog niet. Daar hebben we machtigingen voor nodig van de rechter-commissaris. Ik weet alleen dat de telefoon het nog doet.’

De oude rechercheur trok de telefoon op zijn bureau naar zich toe. Hij bladerde door zijn notitieboekje vol telefoonnummers en toetste het piketnummer van de officier van justitie in.

‘Met Hansen.’

‘Meneer Hansen, met Peter van Opperdoes van de recherche aan bureau Raampoort. Hebt u even?’

‘Zegt u het maar.’

De stem van Hansen klonk oppervlakkig, bijna op het ongeïnteresseerde af. Vermoedelijk is dat professionele afstand, bedacht de oude rechercheur. Hij kende de naam Hansen niet. Normaal gesproken belde hij regelmatig met officieren van justitie, maar die zaten ingedeeld in een apart team, het team Centrum-Zuid. ’s Avonds en ’s nachts was het altijd maar afwachten wie je kreeg. Het piket rouleerde onder alle officieren van het parket, en dat waren er nogal wat.

Van Opperdoes haalde diep adem, en begon.

‘Het gaat om de vermissing van ene Michael Zand. Zijn telefoon is gevonden in een vuilnisbak.’

Vreemd genoeg leek het alsof de stilte aan de andere kant van de telefoon plotseling veranderde nu Van Opperdoes liet weten waar het om ging. De oude rechercheur zweeg even.

‘Gaat u verder…’ klonk het, en ook de toon was nu volkomen anders.

‘U kent de zaak?’ wilde Van Opperdoes weten.

‘Ik heb erover gehoord,’ was het diplomatieke antwoord.

‘Michael Zand is nog steeds spoorloos. Maar we hebben een tweede telefoonnummer gevonden, dat mogelijk bij hem in gebruik is. Dat willen we graag tappen, om hem te traceren.’

‘Wat is het nummer?’

Van Opperdoes las het voor. Hij kreeg geen hoogte van deze officier.

‘En waar bent u nu?’ De officier vroeg het terloops, maar Van Opperdoes fronste. Wat had dat ermee te maken?

‘In bureau Raampoort.’

Het bleef enkele seconden stil. ‘Ik ga de rechter-commissaris bellen. U kunt vast het een en ander in werking stellen. Ik kom naar u toe.’

Van Opperdoes moest dat even verwerken. Dit had hij in al die jaren nog nooit meegemaakt. ‘U komt naar ons toe?’

De officier liet geen ruimte voor misverstanden. ‘Ik ben met vijftien minuten bij u.’

Langzaam legde hij de hoorn neer. ‘We kunnen de boel opstarten, en de officier komt naar het bureau.’

Jacob blikte van IJsselstein naar Van Opperdoes. ‘Waarom in vredesnaam?’

Van Opperdoes wist het ook niet.

Загрузка...