Hoofdstuk 19

Hugo Pastoor, de leider van de technische recherche, keek rond in de woonkamer van Menno Post. ‘Wat wil je, moet dit als een moord plaats delict worden behandeld?’

Van Opperdoes wees naar de tafel. ‘Ja. Maar eerst wil ik dat je vingerafdrukken neemt van dat paspoort en van die portemonnee. En van die zak met pillen.’

Ton van Maan, de collega van Hugo, reageerde verbaasd. ‘Vingerafdrukken? Alleen dat? Wil je geen dna?’

Van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘Als je dna afneemt, zijn we maanden verder. Ik verwacht eigenlijk meer van de afdrukken, en ik wil dat resultaat snel hebben. Heel snel.’

‘Jij bent de baas, Van Opperdoes. Wat jij wil…’

Hij hief zijn armen omhoog en liep naar de gang om zijn koffer op te halen.

De twee geüniformeerde agenten doorzochten de woning, terwijl Hugo Pastoor en Ton van Maan druk in de weer gingen met microscopisch fijn poeder en dassenharen kwasten. Omdat het een kleine bovenwoning was, moesten Van Opperdoes en Jacob regelmatig opzij stappen om niet in de weg te lopen van de technisch rechercheurs.

De rechter-commissaris was tegelijk met de technische recherche aangekomen, was de woning rondgelopen en kwam nu bij de rechercheurs staan. ‘Ik open de zoeking. En als jullie klaar zijn, hoor ik het wel. Dan sluit ik de zoeking weer. Zo doen we dat.’

Vervolgens liep hij de woning uit en ging op het Staringplein zitten, met een pakje brood en een thermosfles koffie die hij uit een ouderwetse schooltas haalde.

Hugo deed zijn masker af en kwam naar Van Opperdoes gelopen. ‘Wij zijn nog wel even bezig. Je kunt wat mij betreft ook naar het bureau gaan. Komen wij na afloop daar wel naartoe. Weet je al iets meer over die Durim Bilota?’

‘Nog niet. Het staat uit bij de Criminele Inlichtingen Eenheid en Interpol. Als er iets bekend is, dan horen wij het meteen.’

Na een korte groet daalde Van Opperdoes traag de trap af. Buiten passeerden ze de rechter-commissaris, die net een hap nam van zijn brood.

‘Zijn jullie eigenlijk van de Nationale Recherche?’ vroeg hij.

Van Opperdoes reageerde ontkennend. ‘Nee, wij zijn van de recherche van bureau Raampoort.’

De rechter-commissaris hield even op met kauwen. ‘O, oké. Prima.’

Maar de interesse van Van Opperdoes was gewekt. ‘Waarom vraagt u dat?’

‘Gewoon, omdat het me intrigeerde dat Hansen mij vroeg om dit te doen. Hansen is bezig met wat… grote zaken, zeg maar. Daar past een zoeking voor wat pillen niet echt bij.’

‘Het zijn niet alleen pillen. Het gaat ook om een moord.’

De rechter-commissaris nam weer een hap van zijn brood. ‘Hm, ja, dat komt al meer in de buurt. Blijft een beetje vreemd, maar goed. Zo is het leven. Dag, heren.’


Peter van Opperdoes keek op zijn horloge. Het was al bijna negen uur. ‘Nog twee uur.’

‘En dan?’ vroeg Jacob en draaide de trambaan op naar de Rozengracht.

Van Opperdoes keek uit het raam. ‘Elf uur. Menno Post. Ben je het vergeten?’

Jacob maakte een schamper geluid. ‘Ha! Denk je dat hij komt dan?’

‘Waarom niet?’

‘Kom op. We hebben net bewijs gevonden dat hij… nou ja, op zijn minst betrokken is bij de moord. Hij heeft de spullen van de dode man in zijn huis. Denk je nou echt dat hij zich zo komt aangeven?’

Van Opperdoes keek Jacob bestraffend aan.

‘Hij komt zich niet aangeven. Hij heeft toegezegd dat hij met ons wilde praten, om ons te overtuigen dat hij niets met de moord te maken heeft. Oog in oog. Weet je nog?’

‘Maar we hebben bewijs dat hij er wel mee te maken heeft!’

Van Opperdoes kreeg kleine pretlichtjes in zijn ogen.

‘Dan heeft hij des te meer uit te leggen, denk je niet?’


Jacob parkeerde voor de Raampoort. ‘Zie je dat? Er brandt licht op onze kamer.’

Peter van Opperdoes stapte uit en keek omhoog. Op hun verdieping zag hij zwak licht uit de ramen komen.

‘Misschien vergeten uit te doen?’

‘Welnee, joh. We zijn weggegaan toen het buiten licht was. Er brandde niks toen wij weggingen.’

Jacob liep naar binnen, en stoof snel en zachtjes de trap op.

Van Opperdoes volgde hem langzaam. ‘Ik heb vandaag al trappen genoeg gezien…’ mompelde hij in zichzelf.

Toen Jacob bovenkwam en de recherchekamer in kwam lopen, zag hij een man aan het bureau van Van Opperdoes zitten, met een dossier voor zich waar hij schijnbaar achteloos in zat te bladeren.

‘Officier van justitie Hansen?’

Hij liep iets door naar het bureau van Van Opperdoes en zag Hansen net de map met aantekeningen sluiten. Het was het dossier van de moord in de kelder.

De officier keek Jacob vol verwachting aan. ‘En?’

Jacob was even uit het veld geslagen door de onverwachte vraag en de brutaliteit van de officier. Kennelijk had iemand hem binnengelaten, maar dan nog ga je niet zonder aanleiding aan iemands bureau zitten en in dossierstukken neuzen.

Maar kennelijk was deze officier anders gewend.

Achter Jacob kwam nu ook Van Opperdoes binnen. In de deuropening bleef hij even staan, om de situatie goed tot zich door te laten dringen. Net als Jacob was de oude rechercheur hogelijk verbaasd. Zat Hansen daar? Met zíjn stukken voor zich?

‘Wat doet u hier?’ Zijn stem klonk onbewogen.

Met een innemende glimlach stond Hansen op. ‘Dit is uw plek, zeker?’

Van Opperdoes trok zijn jas uit. ‘Dit is onze kamer.’

Hansen moest beseffen dat zijn handelen niet op prijs werd gesteld, maar hij liet er niets van merken. Luchtig leunde hij tegen de muur en negeerde de koele blikken van Van Opperdoes.

‘Nog schokkende vondsten in de woning van Menno Post?’

‘Vooralsnog niet, behalve de pillen en het paspoort. En de portemonnee van het slachtoffer.’

Hansen reageerde verrast. ‘Ook de portemonnee? Dat wist ik nog niet. Mooi… mooi… des te beter.’

Van Opperdoes schoof het dossier waar Hansen in had zitten bladeren opzij en ging achter zijn bureau zitten.

‘En nu…?’ vroeg Hansen langzaam. ‘Wat is uw tactiek?’

De oude rechercheur haalde zijn schouders op. ‘We gaan alles op alles zetten om Menno Post op te sporen en aan te houden.’

‘Dat lijkt me vrij logisch,’ vond Hansen. ‘Maar hoe bent u van plan om dat te doen?’

Van Opperdoes keek de officier beheerst aan. ‘Laat u dat maar aan ons over, zou ik zeggen.’

Hansen kwam met een lichte glimlach los van de muur.

‘Natuurlijk. Ik heb alle vertrouwen in uw kunnen. Uw reputatie is ook bij het Openbaar Ministerie bekend. Boevenvanger bij uitstek.’

Hij pakte zijn jas en trok die aan. ‘Ik verwacht alleen wel dat u mij op de hoogte houdt van alle ontwikkelingen. Kan dat?’

Van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘Als ik denk dat ze voor u van belang zijn.’

De glimlach was niet van het gezicht van Hansen te krijgen, maar hij was bepaald vreugdeloos.

‘Het was niet echt een vraag. Ook uw reputatie in het omgaan met superieuren is bij ons bekend.’

Met een korte knik verdween Hansen van de recherchekamer.

Meteen schoof Van Opperdoes het dossier voor zich en keek erin.

Jacob zag met enige ongerustheid hoe gespannen het gezicht van Van Opperdoes stond.

‘Wat is er met je?’

‘Dit…’

De oude rechercheur wees naar zijn bureau en het dossier. ‘Wat doet die man hier? Hoe haalt hij het in zijn hoofd om hier naar binnen te wandelen en in onze spullen te neuzen? Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.’

‘Misschien is dat normaal voor ZwaCri-officieren? Die werken toch veel met de units op het hoofdbureau? En met de Nationale Recherche?’

Van Opperdoes keek spottend. ‘Nu je het zegt… daar past hij inderdaad goed bij. Die komen ook overal binnen met een houding van “hier zijn we, kijk ons eens”.’

Van Opperdoes schudde geïrriteerd zijn hoofd. Het was inderdaad precies die arrogantie waar hij slecht tegen kon.

‘En ondertussen wel de ene na de andere zaak verprutsen…’

Jacob moest glimlachen. De Nationale Recherche was onlangs diep door het stof gegaan, toen er zo ongeveer onder hun ogen een liquidatie had plaatsgevonden en de moordenaars gewoon ongezien waren weggereden. Het had tot veel hilariteit onder de Amsterdamse recherche geleid, juist vanwege de arrogante houding van sommige rechercheurs van de Nationale Recherche.

‘Gods eigen rechercheurs…’

Van Opperdoes keek verbaasd op. ‘Noemen ze zichzelf zo?’

‘Welnee… ik moest alleen even denken aan hoe de marechaussee zich noemt. Stel je voor dat de Nationale Recherche die geuzennaam gaat gebruiken.’

Van Opperdoes grinnikte. ‘Hou nou maar op. Die jongens doen ook goed werk. Ze zijn niet allemaal zo.’

Dat moest Jacob toegeven. ‘Klopt. Die grote liquidatiezaak… daar hebben ze best succes mee.’

Van Opperdoes knikte beamend. ‘Maar dat verklaart nog niet wat Hansen hier nou eigenlijk deed.’

Jacob keek ernstig. ‘Je hebt hem ook niet verteld over de ontmoeting met Menno Post, zo meteen.’

‘Waarom zou hij dat moeten weten?’

‘Omdat hij de leider van het onderzoek is.’

Van Opperdoes keek hem bestraffend aan. ‘O, ja? In naam, misschien.’

Jacob glimlachte. ‘Natuurlijk. Jij bent de enige echte leider van het onderzoek en niemand anders.’

Van Opperdoes knikte tevreden. ‘Dat wou ik even horen. En dat is precies de reden waarom ik het niet heb verteld.’

‘Je blijft een stout kind, had ik zoiets al niet eerder gezegd?’

‘Vast wel. Ik zie dat ook als een geuzennaam.’

Jacobs telefoon rinkelde. Hij nam het gesprek aan.

Een bescheiden klop klonk en Hugo Pastoor stak zijn hoofd om de deur. ‘Mag ik binnenkomen?’

‘Jij altijd.’

Hugo en Ton, die achter hem bleek te staan, kwamen binnen, terwijl Jacob even de gang op liep om zijn gesprek rustig te kunnen voeren.

De twee technisch rechercheurs legden een aantal foto’s op het bureau.

Van Opperdoes bekeek afdrukken en zag de portemonnee, het paspoort en een aantal overzichtsfoto’s van de kamer van Menno Post.

‘En?’

‘Niets schokkends. Menno Post woont daar inderdaad. We hebben overal vingerafdrukken van hem gevonden. Tot op de wc aan toe.’

Van Opperdoes tikte met zijn vinger op de foto. ‘En op het paspoort?’

‘Niks. Geen vingerafdrukken. Van het bloed op het paspoort hebben we monsters genomen, dat zal het nfi bekijken. Maar tien tegen een dat het van het slachtoffer is.’

‘Heb je het goed bekeken?’

Hugo fronste. ‘Er zit een mooi plastic beschermhoesje omheen. Geloof me, als er vingers op hadden gezeten, waren ze opgevallen als een zwarte kat in de sneeuw.’

‘Jammer.’

‘Het maakt toch niet zoveel uit? Aangetroffen in de woning van verdachte numero uno. Wat wil je nog meer?’

Van Opperdoes zweeg. Hij keek naar de foto van het paspoort, en op dat moment kwam Jacob binnen.

‘Weet je wie die de dode man in de kelder is?’

Van Opperdoes trok zijn wenkbrauwen op. ‘Nee, maar jij nu vast wel.’

‘Dat was Interpol, die terugbelde. Durim Bilota wordt gezocht in Albanië. Lid van de maffia daar, en wordt gezien als een van de betere huurmoordenaars. Laatste nieuws was dat hij in Nederland was en werkte.’

‘Dat klopt dan in ieder geval,’ zei Van Opperdoes droog.

Daarna pakte hij de foto van de kamer van Menno Post op en keek ernaar. Midden in de foto zag hij het schaakbord.

Allerlei gedachten schoten door zijn hoofd, maar het schaakbord overheerste. Hij moest denken aan de telefoon in de vuilnisbak, aan het schaakbord in de galerie, waarbij het verschil tussen de witte en de zwarte vakken steeds vervaagde, hij hoorde de stem van de man in de galerie weer in zijn hoofd: ‘Het schaakbord van Lucifer. Waarmee de schepper van het kunstwerk de willekeur van goed en slecht… van wit en zwart… wil aantonen.’

Hij legde de foto peinzend op zijn bureau. ‘Er klopt iets niet.’

Hij keek Jacob aan, die niet-begrijpend terugkeek.

‘Hoe lang hebben we nog, Jacob?’

‘Voor wat?’

‘Voordat Menno Post komt.’

Jacob keek op zijn horloge. ‘We hebben nog een uur. Maar Menno komt echt niet. Die is niet gek. Hij weet allang dat we hem gaan aanhouden.’

Van Opperdoes keek hem strak aan. ‘Menno komt heus wel.’

Загрузка...