Hoofdstuk 4

Een eenzame politieman stond op de hoek van de Lijnbaansgracht. De wijkagent herkende de rechercheauto die aan kwam rijden en stak zijn hand op ter begroeting. Kennelijk was nog niet algemeen bekend dat er een lichaam in de kelder van de verlaten fabriek was gevonden, anders had het er wel gewemeld van collega’s en buurtbewoners. De wijkagent stak zijn hand uit.

‘Ik heb u maar als eerste gebeld. Even geen andere mensen nog…’

Peter van Opperdoes schudde hem de hand. ‘Prima. Kunnen we rustig kijken.’

De wijkagent wees op de hekken die de ingang provisorisch afsloten. ‘Het staat hier nu een paar maanden leeg. Steeds wordt er aangekondigd dat er verbouwd gaat worden, maar er gebeurt niets. De hekken…’ Hij rammelde eraan. ‘U ziet het. Iedereen kan hier naar binnen. Nou maakt dat niet zoveel uit, een blind paard kan er geen schade doen… maar het trekt ook de verkeerde types aan.’

Jacob liet zijn blik over het pand gaan. Kennelijk was het van een van de bedrijven die te groot waren geworden voor de binnenstad, en hun heil buiten Amsterdam zochten. De ramen op de eerste en tweede verdieping waren ingegooid, en de voordeur hing half uit zijn voegen. De hekken, die om het pand geplaatst stonden, waren weliswaar afgesloten met kettingsloten, maar ze waren makkelijk te verplaatsen, waardoor er ruimte genoeg ontstond om erdoorheen te kruipen.

Van Opperdoes wees naar het hek. ‘Ga jij maar voor. Jij weet de weg…’

De wijkagent hield het hek open, zodat de twee rechercheurs hem makkelijk konden volgen. Het lege pand bood een troosteloze aanblik. Grote lege ruimtes, waar de elementen door de kapotte ramen vrij spel hadden. Vrij snel sloeg de wijkagent rechts af en daalde een grote trap af, die eindigde bij een stevige deur. Vreemd genoeg zag de deur er nog intact uit.

Hij maakte een verontschuldigend gebaar. ‘Ik heb geprobeerd om de deurkruk vrij te houden, maar ik moest hem voorzichtig openmaken. Ik heb handschoenen aangedaan.’

Van Opperdoes knikte bemoedigend. ‘Goed dat je eraan hebt gedacht. Dat is al heel wat, tegenwoordig.’

‘Er is alleen geen licht daarbinnen.’

De wijkagent opende de deur en een lugubere vlaag wind trok door het pand. Hij ontstak een kleine zaklamp, waarmee hij tevergeefs probeerde wat licht in de duisternis te scheppen.

‘Wees wel voorzichtig. Overal ligt troep, er zijn gaten in de vloer en er liggen diepe plassen.’ Behoedzaam betraden ze de kelder.


Het was inderdaad donker en vochtig in de immense ruimte. Van Opperdoes en Jacob lieten hun ogen wennen aan de duisternis, maar dat duurde even. Vanuit het trappenhuis scheen wat diffuus licht en de agent probeerde hen zo goed mogelijk bij te schijnen.

Wat ze zagen, bood een even lugubere als indrukwekkende aanblik. Het levenloze lichaam van een jongeman hing in een ongemakkelijke houding tegen de vochtige wand van de kelder, de benen met bevlekte jeans aan vooruit gestrekt op de natte grond. Het bovenlichaam was gehuld in een zwart kort leren jack, waaronder een wit t-shirt te zien was, met daarop onheilspellend grote rode vlekken. Het hoofd hing onnatuurlijk ver voorovergebogen op de borst, waardoor het lange zwarte haar van de dode naar voren viel en het gezicht aan het oog onttrokken werd. De armen hingen slap langs zijn lichaam, zodat het leek alsof hij op zijn handen zat.

Op een vreemde manier leek het in de kelder steeds kouder te worden. Van Opperdoes huiverde en trok zijn montycoat wat dichter om zich heen.

Jacob liep op de agent af. ‘Mag ik even?’

Hij nam de zaklamp over en scheen door de macabere ruimte. Het zou hem niet verbazen als de ratten binnen een paar seconden over zijn voeten kropen en hij zo meteen aangevallen zou worden door bloeddorstige vleermuizen. Hij eindigde met het licht op het hoofd van het slachtoffer.

‘Wat denk je, zou het onze vermiste zijn?’

Van Opperdoes weifelde. ‘Het zou goed kunnen. De omschrijving klopt wel zo’n beetje. Blanke man, in de twintig, donker haar.’

Hij zakte door zijn knieën en probeerde het gezicht van de dode man te bekijken.

‘Ik zie het niet en ik wil hem niet aanraken. Laten we maar wachten op de tr en de schouwarts. Dan weten we het snel genoeg.’

Hij kwam met krakende gewrichten moeizaam overeind.

Jacob keek om zich heen. ‘Hoe is-ie gevonden?’

De wijkagent was op de trap blijven wachten, maar stak zijn hoofd nu om de deur.

‘Ik werd aangesproken door de eigenaar van dit pand, toen ik in de wijk aan het surveilleren was. Vandaag kwam hij toevallig even langs voor de verbouwing. En toen trof hij dit aan.’

Van Opperdoes liep langs de muren van de enorme kelder.

‘Een paradijs voor vogels van diverse, kwaadaardige pluimage.’

Er waren verschillende aanwijzingen dat de ruimte onlangs gebruikt was. Flesjes, lege zakjes van etenswaren, zilverpapiertjes die het gebruik van verdovende middelen deden vermoeden, lagen her en der door de kelder. In een hoek bergen lege wijnflessen.

‘Junks. Alcoholisten. Polen, Roemenen, noem maar op. Een perfecte plek waar ze zich kunnen bezatten of drugs gebruiken. Niemand die ze ziet. Ik probeer ze weleens weg te jagen, maar het is vergeefse moeite zolang ze geen deugdelijk hek plaatsen.’

Jacob bekeek de rotzooi. ‘Misschien een uit de hand gelopen ruzie. Om drugs of drank.’

Hij trok plastic handschoenen aan en viste een handtasje van de grond. ‘Of ruzie bij het verdelen van de buit.’

‘Alles kan.’

Jacob keek zijn collega aan. ‘Je klinkt niet echt overtuigd.’

Peter van Opperdoes wreef over zijn ogen.

‘Dat komt omdat we aan het gokken zijn. Op zich heel goed, we moeten alle mogelijkheden op een rijtje zetten. Maar het gevaar is dat je jezelf gaat beperken tot de mogelijkheden die je hebt bedacht. En de waarheid kan weleens heel ergens anders liggen.’

Hij deed een paar stappen opzij. In een natte plek op de grond, zag hij iets glinsteren.

‘Kijk eens aan…’

Jacob kwam naderbij. ‘Een huls. En daar ligt er nog een.’

Van Opperdoes wenkte naar de agent. ‘Is de technische recherche al gewaarschuwd?’

De agent grijnsde. ‘U weet hoe dat gaat, meneer Van Opperdoes. Ze wachten op een telefoontje van u. Van ons simpele zielen nemen ze niets aan.’

Van Opperdoes schudde zijn hoofd.

‘Simpele zielen… niks simpele zielen. Jullie kunnen net zo goed inschatten wanneer ze nodig zijn als wij. Zeker in een geval als dit.’

De agent haalde zijn schouders berustend op. ‘Sommige zaken zijn nu eenmaal zo. Regels zijn regels. Maar ik zal ze bellen en zeggen dat u om ze hebt gevraagd.’

De oude rechercheur wuifde met zijn hand, ten teken dat hij het er volkomen mee eens was. Zijn aandacht was bij de hulzen, en dan voornamelijk bij de plek waar ze lagen.

Jacob ging achter de hulzen staan en keek naar de plek waar het lichaam lag. ‘Denk jij wat ik denk?’

Van Opperdoes grijnsde. ‘Ik weet niet wat jij denkt. Nu niet, tenminste.’

‘Leuk hoor…’

‘Maar ik weet wel wat ík denk. De meeste pistolen gooien de hulzen naar links uit. Dat wil zeggen dat de schutter ten opzichte van deze hulzen een stukje…’ Van Opperdoes duwde Jacob iets naar rechts ‘… die kant op heeft gestaan.’

‘Dat dacht ik dus ook. En zie je hoe donker het hier is?’

Van Opperdoes zag het. Nu de deur geopend was, stroomde er licht de kelder in, en vormde een scherpe afscheiding op de grond tussen licht en donker, precies langs de plek waar de schutter zou hebben gestaan. Iemand die de kelder in zou lopen, zou de schutter niet zien, maar de schutter hem wel.

‘Hij is opgewacht door zijn moordenaar. Dit was geen uit de hand gelopen ruzie, dit was een weloverwogen moord.’

Van Opperdoes knikte langzaam.


De oude rechercheur knipperde met zijn ogen tegen de felle zon toen hij zich langs het hek wurmde en de gracht op liep. Kennelijk was nog steeds niet tot de buitenwereld doorgedrongen wat voor drama zich in de kelder van het leegstaande pand had voltrokken, want niemand schonk enige aandacht aan de twee rechercheurs en de politieagent die op de stoep stonden. Van Opperdoes vond de relatieve rust wel best zo. Het zou niet lang duren voordat de gracht het domein zou worden van vrachtwagens van de politie, en mannen in witte pakken die als een zwerm bijen om de plaats delict cirkelden. Ongetwijfeld zou dat ook de pers aantrekken, en vooral ook mondige Amsterdammers, die met hun neus tegen het rood-witte afzetlint zouden staan om alle activiteiten luidkeels van commentaar te voorzien.

Vrijwel gelijktijdig arriveerden een klein wit autootje met het logo van de ggd, en een witte vrachtwagen van de afdeling Forensische Onderzoeken — door Van Opperdoes halsstarrig de technische recherche genoemd. De mannen van de technische recherche schudden de beide rechercheurs hartelijk de hand, voordat ze zich begonnen om te kleden in de bekende witte pakken.

Ook de vrouwelijke schouwarts, Cathelijne de Wind, kwam erbij staan. ‘En… wat hebben we?’

Jacob keek Van Opperdoes aan, die hem toeknikte. ‘Ga je gang.’

‘We staan hier voor een slecht afgesloten, leegstaand bedrijfspand, toevluchtsoord voor junks, dronkenlappen en andere ongure volksstammen… In de kelder, koud en nat, ligt een dode jonge man, waarschijnlijk neergeschoten, gezien de verwondingen en de hulzen die we hebben aangetroffen.’

De gezichten van de technisch rechercheurs betrokken tijdens Jacobs uitleg steeds meer. Een vieze natte kelder, waar veel ongure mensen rondhingen… dat klonk niet echt bemoedigend als ze zo meteen naar sporen moesten zoeken.

Cathelijne nam een afwachtende houding aan. ‘Gaan jullie eerst voor de sporen? Dan doe ik daarna wel het eerste onderzoek.’

Hugo Pastoor, de leider van de technische recherche, knikte. ‘Goed idee.’

‘Formeel gezien moet ik eerst de dood vaststellen. Maar dat kan wel even wachten, ten gunste van de sporen. Die zijn veel belangrijker dan een formele constatering, toch? Tenzij er twijfel is dat hij dood is?’

Jacob schudde zijn hoofd. ‘Geloof me, hij is dood. Of anders wereldkampioen adem inhouden.’

‘Dan wacht ik.’

Peter van Opperdoes keek tevreden om zich heen. Iedereen begon met de voorbereidingen voor het onderzoek. Met zulke mensen, die meedachten bij een onderzoek, werkte hij graag.

Hugo Pastoor kwam aanlopen. ‘In verband met de sporen… hebben jullie een overzicht van de mensen van wie zeker is dat ze binnen in die kelder zijn geweest?’

Jacob wees op Van Opperdoes en zichzelf. ‘Alleen wij. En de wijkagent. Maar hij heeft voorzichtig gedaan. En wij natuurlijk ook.’

Pastoor haalde zijn schouders op, alsof hij dat al duizend keer had gehoord.

‘Natuurlijk, ze doen allemaal voorzichtig. Maar toch… Als iemand binnen is geweest, moeten we ervan uitgaan dat we diens dna-sporen daar aan kunnen treffen. Weet je wie het slachtoffer is?’

Van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘Nog niet.’

‘Is het misschien die geheimzinnige vermiste van je? Vreemd verhaal, dat van die telefoon…’

‘Heel vreemd verhaal. Niet het feit dat iemand vermist is, dat is op zich niet vreemd… maar dat je in een vuilnisbak een werkende telefoon van de vermiste vindt wel.’

‘Schulden, ruzie, verbroken relatie, depressief of bedreigd?’

De top vijf van redenen waarom iemand zou kunnen verdwijnen, kwam er zo droog uit bij de technisch rechercheur dat Van Opperdoes en Jacob beiden in de lach schoten.

‘We weten nog niet zo heel veel. Het zou allemaal nog kunnen.’

Hugo Pastoor grijnsde. ‘Succes ermee. En dan heb je nu nog een echte moord ook. Dat wordt een latertje…’

Hij draaide zich om en verdween in de richting van het pand.

Van Opperdoes keek naar Jacob. ‘Ik ben er ook bang voor.’


Een uur later was er chaos op de Lijnbaansgracht. Peter van Opperdoes was op een monumentaal trapje van een nabijgelegen woning neergestreken en bezag het van een afstandje allemaal hoofdschuddend. De gracht was tot aan beide naastliggende zijstraten compleet afgezet. Een witte commandowagen stond geparkeerd en agenten liepen af en aan. De ingang van de kelder was het domein van de technische recherche, daar liepen alleen mannen en vrouwen in witte pakken heen en weer.

‘Wat zit je daar alleen?’ vroeg zijn vrouw.

Van Opperdoes glimlachte. Het was alweer even geleden dat hij haar stem had gehoord. Toch wist hij dat ze altijd bij hem was. Ook al zat er weleens wat tijd tussen, hij wist dat ze altijd terug zou komen.

‘Beetje de boel bekijken. Het overzicht houden.’

Zijn vrouw grinnikte. ‘Vervelend hè, als je wordt weggestuurd op je eigen plaats delict.’

Van Opperdoes grijnsde betrapt. ‘Toen je nog leefde kon ik al niks voor je verborgen houden, maar nu…’

‘Nu is het alleen maar erger geworden. Nu weet ik echt precies wat je denkt.’

‘Geeft niks. Ik had geen geheimen voor je, en nu heb ik ze nog steeds niet.’

Het bleef heel even stil.

‘Wacht jij nou maar gewoon af. Het komt toch gewoon op degelijk ouderwets speurwerk neer, dit onderzoek.’

Van Opperdoes keek even op. ‘Wat weet jij meer dan ik?’

De vrolijke lach van zijn vrouw weerklonk in zijn oren. ‘Ik weet zoveel meer dan jij. Maar ja, je moet het toch echt zelf doen.’

Van Opperdoes keek naar de mannen van de technische recherche, die af en aan liepen naar de plaats delict. ‘Zelf doen? Moet je opletten waar zij zo meteen mee aankomen.’

‘Het wordt hard werken, mannetje… Maar ik steun je, goed?’

‘Dat weet ik. Dat voelt ook fijn.’

‘Mooi. Dan laat ik je nu weer even alleen, goed? Kun je je lekker ergeren aan dat gedoe op jouw pd.’

De oude rechercheur moest glimlachen. Het werd steeds drukker binnen de afzetting. Ook bazen met stippen en versierselen op hun schouder kwamen een bezoekje afleggen, en stonden interessant te doen. Ze zorgden er wel voor dat het publiek en de pers goed zicht op ze hadden, en stonden vooral druk te gebaren.

Jacob kwam bij Van Opperdoes staan. ‘Ik zie aan je gezicht dat het je niet bevalt.’

De oude rechercheur maakte een weids gebaar. ‘Het is modern, en het hoort er allemaal bij. Dingen veranderen, en als je er wat van zegt ben je een ouwe zeur die niet met zijn tijd mee wil gaan. Wat doen die bazen daar nou allemaal?

Vroeger had je een chef, die dacht gewoon mee. Tegenwoordig zijn het managers. Het gaat hen alleen maar om statistieken en cijfertjes. Mensen zijn niet belangrijk. Cijfertjes en jezelf verkopen. Bah.’

Hij schudde verdrietig zijn hoofd.

‘Al dat gedoe hier binnen de afzetting, ik mis mijn gevoel van een plaats delict. Het wordt me afgenomen, terwijl vroeger… vroeger was een plaats delict van de rechercheur die de zaak onder zich had. Hij was heer en meester daar, niets ontging hem.’

Jacob glimlachte. ‘dna-sporen zijn veel te klein. Die zouden zelfs jou, met je scherpzinnig inzicht, ontgaan.’

Van Opperdoes schoof ongeduldig naar achteren. ‘Heb je die kelder gezien? Hoeveel mensen denk je dat daar hebben gelopen, of op de grond hebben gespuugd, of speeksel hebben achtergelaten op een flesje of een blikje. Sigaretten? Naalden met het bloed er nog aan?’

Mismoedig schudde de oude rechercheur zijn hoofd.

‘En van al die mensen krijgen we straks dna, met of zonder naam eraan gekoppeld. Vergis je niet, Jacob, we hebben hier waarschijnlijk te maken met één dader, met één schutter. En bij die dader moeten wij het bewijs zoeken, alleen bij hem. De rest is voor ons… even grof gezegd… nauwelijks interessant. Maar wat kunnen we doen zolang we niet weten wie de schutter is? Van al die mensen… van iedereen van wie we dna hebben… moeten we dan bewijzen dat hij of zij de dader niet is.

Hugo Pastoor heeft het zelf ooit gezegd: “Hoe meer je kunt vinden, hoe meer je moet zoeken.” En hij had gelijk. Maar het verstoort wel mijn gevoel, mijn intuïtie op de plaats delict.’

Jacob keek naar de drukte. Er liepen nog meer collega’s rond met wapperende slordige vestjes om. Op de achterzijde stonden allerlei afkortingen en titels: ‘leider plaats delict’, ‘officier van dienst’ en ‘persvoorlichter’. Een aantal hield zich bezig met de inmiddels toegestroomde pers, en ook de buurtbewoners stonden inmiddels met tientallen rond de afzetting.

De nuchtere schouwarts kwam aanlopen. ‘Ik heb een seintje gekregen dat ik erbij mag. Ga je mee?’

Peter van Opperdoes grinnikte en grapte tegen Jacob. ‘Het ontbreekt er nog maar aan dat ze mijn handje vastpakt, zie je dat?’

Voor de ingang van de leegstaande fabriek stond Hugo Pastoor. Hij observeerde Van Opperdoes, grijnsde en legde zijn hand op de schouder van de oude rechercheur.

‘We zijn klaar. Het is jouw plaats delict weer, ouwe brompot. Ik zag je heus wel zitten simmen.’

Van Opperdoes keek naar de zakken met sporen die naar de witte vrachtwagen werden gedragen. ‘Nog interessante dingen?’

Pastoor trok een bedenkelijk gezicht. ‘Afwachten. We gaan alles bekijken, en dan hopen dat er sporen op zitten. We hebben de hulzen veiliggesteld, misschien dat daar sporen op zitten van degene die ze in het wapen heeft gestopt.’

‘Hou me op de hoogte.’

‘Natuurlijk. Je bent de eerste die het hoort.’

Hij liep weg, maar aarzelde na een paar stappen en draaide zich om. ‘Nou… misschien is er toch wel iets interessants.’

Van Opperdoes keek hem vragend aan. ‘Wat dan?’

‘Je moet eens naar zijn handen kijken. Je hebt een extra probleem, denk ik…’

Загрузка...