‘Hoe lang hebben we voordat ze in het vliegtuig moet zitten?’ vroeg Peter van Opperdoes.
De marechaussee ging even overleggen met het personeel dat bij de gate stond. Die telden het aantal mensen dat nog in de vertrekhal zat te wachten om door de controle te gaan en overlegde per portofoon met het cabinepersoneel.
‘Een halfuur, maar dat is echt het maximale. Geen minuut langer.’
‘Mooi. Dat is wel genoeg.’
Met grote angstogen keek Diana Welling om zich heen. ‘Ik leg geen verklaring af. Ik hoef niets te zeggen.’
Van Opperdoes boog zich naar haar toe. ‘Dat recht hebt u natuurlijk. Of het verstandig is, is een tweede.’
De blinde paniek sloeg nu echt bij haar toe. In verwarring keek ze om zich heen, op zoek naar steun die ze niet zou vinden. Ze leek in weinig meer op de vrouw die Van Opperdoes had leren kennen bij de eerste twee ontmoetingen.
Jacob kwam terug van het Schipholpersoneel, waar hij de laatste boardinglist had nagekeken. Diana Welling reisde alleen, van Michael of Frits Zand was geen spoor te bekennen.
Van Opperdoes keek naar de marechaussee, die geduldig wachtte wat er ging gebeuren.
‘Heb je een plek waar wij even rustig met mevrouw kunnen praten?’
Hij knikte en ging hun voor. Diana Welling liep naast hem mee, op een klein afstandje gevolgd door de twee rechercheurs.
‘Die medewerking hier is fantastisch. Dat maak je weleens anders mee, in het land.’
Van Opperdoes bromde. ‘Vergis je niet, Jacob. Dat komt ook vaak door de houding van de Amsterdamse dienders. Die komen ergens in het land, ver weg van de grote stad, en zullen dan wel even laten weten dat zij alles al een keertje hebben meegemaakt.’
‘Nou, dat is toch ook zo?’
Van Opperdoes zuchtte. ‘Zie je, dat bedoel ik nou. Arrogant gedrag. Zo kijken ze dan tegen je aan, en terecht. Arrogante Amsterdammers, met een grote bek.’
Jacob glimlachte vals. ‘Terecht. Alles buiten de Amsterdamse stadsgrenzen? Boeren. BoPo’s. Boerenpolitie.’
Nu sloeg Van Opperdoes de ogen ten hemel en schudde zijn hoofd.
‘Zo kom je er niet, Jacob. Hoe kun je nu ooit samenwerken met andere collega’s als je zo over hen denkt?’
Jacob keek hem onschuldig aan. ‘Dat zeg ik toch niet tegen hén? Ik ben ook niet gek. Maar goed… alle gekheid op een stokje… dit is een prima collega, van de marechaussee nog wel.’
Van Opperdoes knikte naar de marechaussee voor hen, die Diana Welling geroutineerd door de drukte leidde.
‘Gods eigen wapen.’
‘Wat zeg je?’
‘Gods eigen wapen. Zo noemt de Koninklijke Marechaussee zichzelf, en die naam is altijd in ere gebleven.’
‘Meen je dat? Waar komt die vandaan?’
Van Opperdoes fronste. ‘Ik ken de uitdrukking al zolang ik bij de politie ben. De marechaussee verleende vroeger al bijstand aan de Amsterdamse politie. Met name aan de Warmoesstraat.’
Hij grinnikte.
‘Kwamen er inderdaad van die uit de klei getrokken dienders op het bureau… met zúlke handen. Kolenschoppen. Als er dan een opstootje was, en een paar van die boeren renden de Zeedijk over… je zag die raddraaiers de gevels in klimmen, uit angst voor die enorme handen.’
Jacob grinnikte. Die verhalen had hij wel vaker gehoord. Mooie tijden waren dat.
‘Maar hoe komen ze aan de bijnaam “Gods eigen wapen”? Ik bedoel… als je zegt dat Amsterdammers arrogant zijn, dan klinkt dat ook behoorlijk ijdel… hooghartig zelfs. Alsof de rest tweederangs is.’
‘Het is iets van ver voor de Tweede Wereldoorlog. Toen was de religieuze achtergrond van de marechaussee met name protestants-christelijk. Iemand schijnt het ooit een keer gezegd te hebben, en het is altijd in gebruik gebleven. Zo noemen ze zichzelf, en wij in Amsterdam maakten er altijd geintjes over. Juist omdat het zo verheven klonk.’
‘Dus ze waren niet arrogant?’
‘O, sommigen wel, hoor. Die vonden dat ze echt bij Gods eigen wapen hoorden, en vonden het maar niks in dat schunnige Amsterdam met die grofgebekte dienders. Ze liepen ook in van die opgedofte uniformen, met van die nestels.’
‘Nestels?’
‘Van die luxe koorden op hun uniform. Tot er eentje bijna gewurgd werd met zijn eigen nestels op de Zeedijk, toen was het gauw afgelopen met die dingen. Uiteindelijk kwamen ze heel snel terug van die arrogante houding. Na een paar weken waren de meesten erger dan de grofste Amsterdamse dienders.’
Ze waren aangekomen bij een ruimte waar alleen personeel toegang had.
De marechaussee opende zwijgend een deur en liet Diana Welling naar binnen gaan. Het was een kleine verhoorkamer, met een bureau en drie stoelen. Spartaans, maar het voldeed.
Diana klampte zich vast aan haar handtasje en ging zitten.
Van Opperdoes en Jacob gingen tegenover haar zitten.
‘U hebt al gezegd dat u niets wilt zeggen,’ begon Van Opperdoes.
Ze knikte nerveus.
‘Wilt u niets zeggen over een speciaal onderwerp, of wilt u… in het algemeen… helemaal niets zeggen?’
Ze bleef volhouden. ‘Ik hoef niets te zeggen.’
Van Opperdoes hield zijn hoofd een beetje schuin. ‘Van wie hebt u dat? Wie heeft u verteld dat u geen verklaring over uw man of over uw kind hoeft af te leggen? Meestal moeten wij dat… voorafgaand aan een verhoor… meedelen. Maar u weet het zelf. Hoe komt dat?’
Diana haalde een paar keer diep adem, om zichzelf rustig te krijgen.
Uiteindelijk, na een minuut, keek ze Van Opperdoes aan. ‘U hebt volgens mij het recht niet om mij vast te houden.’
‘Mevrouw Welling, uw zoon wordt vermist. Wij hebben geen aanwijzingen gevonden dat hij… zoals u zelf zei… in Parijs zit. Dat betekent dat wij een misdrijf niet mogen uitsluiten. En dan gaat u ineens weg?’
‘Een vakantie die allang gepland stond.’
Peter van Opperdoes knikte begrijpend. ‘Natuurlijk. Naar de Dominicaanse Republiek. Die toevallig geen uitleveringsverdrag met Nederland heeft…’
Ze gaf geen antwoord.
‘Hebt u iets met die moord in de kelder te maken? Of uw zoon?’
Met een ruk keek ze weg, haar lippen opeengeperst.
Van Opperdoes keek haar indringend aan. ‘U hoeft geen antwoord te geven, maar dat wil niet zeggen dat ik u geen vragen mag stellen.’
Diana Welling probeerde ieder oogcontact te mijden.
Van Opperdoes merkte dat hij haar in een hoek had waar ze niet uit kon komen. En toch kon hij niet verder gaan dan dit, want Diana Welling was wettelijk beschermd door het zogenaamde verschoningsrecht; het recht dat iemand heeft om geen verklaring te hoeven afleggen over haar echtgenoot en naaste familie.
Jacob hoorde zijn telefoon rinkelen. Hij stond op en ging op de gang staan, terwijl de marechaussee een oogje in het zeil hield in de kamer waar Van Opperdoes zat.
Diana haalde even opgelucht adem, nu ze wat speling kreeg.
‘Met Jacob.’
‘Met Hansen, officier van justitie. Klopt het dat jullie met mevrouw Diana Welling aan het praten zijn?’
Jacob verstrakte. Hoe was het mogelijk dat Hansen wist wat zij aan het doen waren? Hij weifelde over een antwoord, maar net iets te lang.
‘Hallo? Bent u daar nog? Kunt u mij even antwoord geven?’ drong Hansen aan.
‘Zij stond op het punt het land te verlaten. Het leek ons noodzakelijk om te kijken of haar zoon, die officieel nog steeds als vermist staat gesignaleerd, misschien bij haar is.’
Jacob kreeg het er met moeite uit. Belachelijk dat ik mij hier voor zo’n duidelijke zaak sta te verantwoorden, dacht hij. Alsof het soms niet klopt wat wij doen. Het bleef heel even stil.
‘Zegt ze er iets over?’
‘Niets. Ze beroept zich op haar verschoningsrecht, wat op zich natuurlijk verdacht is.’
Jacob hoorde een wrevelig geluid.
‘Zoals u misschien weet, mogen een verdachte en een getuige zwijgen bij de politie. Dat mag hun niet aangerekend worden, noch is het gebruikmaken van het verschoningsrecht genoeg om iemand tot verdachte te bestempelen.’
‘Nee, officieel misschien niet…’ bromde Jacob.
De officier reageerde scherp. ‘Nee, inderdaad. Officieel niet.’
Jacob kon zich niet inhouden. ‘Maar dat slaat nergens op. Iemand doet aangifte van vermissing van haar zoon, om zich daarna te beroepen op het verschoningsrecht? Dat maakt iemand voor mij verdacht.’
Hansen zuchtte. ‘Wie zal het zeggen hoe zoiets zit. Ik wil ook niet zeggen dat ik uw gevoel niet begrijp. Het vervelende is alleen dat het wetboek van strafvordering zo weinig kan met “gevoelens”.’
Jacob zweeg en de officier vervolgde zijn betoog, want zo klonk het. ‘In ieder geval is… als ik het goed begrijp… de situatie als volgt. Mevrouw Welling moet een vliegtuig halen. Haar zoon is niet bij haar. Zij is geen verdachte. Zij maakt gebruik van haar verschoningsrecht. Heb ik het zo juist samengevat?’
Jacob knarsetandde. ‘Ik had het zelf niet beter kunnen doen.’
‘Juist,’ zei de officier. ‘Dan moet u haar nu laten gaan. U hebt überhaupt geen enkel recht om deze vrouw tegen haar wil in te ondervragen of in een kamertje op Schiphol vast te houden. Stel haar onmiddellijk in vrijheid, of u en ik zitten straks heel erg diep in de problemen. Ben ik helder genoeg?’
‘Als glas, meneer de officier.’
‘Daar ben ik blij om. Bovendien…’ De stem van de officier veranderde binnen een fractie van een seconde van kil en zakelijk, in warm en bijna informeel. ‘… bovendien zal het u niet teleurstellen als u dat doet.’
‘Want?’
Samenzweerderig fluisterend ging hij verder.
‘Er is zojuist… en dan bedoel ik echt nét… een inval gedaan in een woning, waarbij een grote hoeveelheid drugs is gevonden. De woning blijkt in gebruik door Menno Post. En daarbij… er is een bebloed paspoort gevonden.’
‘Van wie? Menno Post?’
De officier snoof kort. ‘Nee… het paspoort is van de dode man in de kelder.’