‘Daar is de kraai…’ mompelde Peter van Opperdoes, toen in de verte een grote zwarte auto met ondoorzichtige ramen langzaam de gracht op draaide. Iedereen om hen heen was inmiddels weg en de afzetting was teruggebracht tot een klein rood-wit lint rond de ingang van de fabriek.
De oude rechercheur en zijn jonge collega zaten nu samen op het trappetje van het grachtenpand waar Van Opperdoes al eerder had gezeten.
‘Daar zitten we dan. Alle camera’s van de pers zijn weg, en nu zijn we ineens niet interessant meer. Kunnen wij als laatste blijven wachten.’
Jacob keek hem bestraffend aan. ‘Je bent mopperig.’
Van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘Nee, hoor. Ik zit na te denken.’
‘Waarover?’
‘Over het belachelijke toeval dat we het telefoonnummer van een vermiste man aantreffen in de kleding van een vermoorde man.’
‘Toeval dat we het vinden, of toeval dat het in z’n kleding zit?’
De oude rechercheur trok een wenkbrauw op. ‘Beide, denk ik. Maar het is natuurlijk helemaal geen toeval. Het moest gewoon zo zijn.’
De wagen hield zachtjes halt. Twee sjofele mannen in slobberige kostuums stapten uit en slenterden ongeïnteresseerd op hen af. Degene in wiens mondhoek een sigaret bungelde, sprak hen aan.
‘Jullie zijn van de recherche? Er moet hier ergens een lijk liggen?’
Jacob knikte. ‘Klopt. Daar, in de kelder.’
‘Mooi. En waar moet-ie naar toe? Ziekenhuis of uitvaartcentrum?’
Jacob gaf hun een papiertje. ‘vu-ziekenhuis, mortuarium. Het is een niet-natuurlijke dood, het lichaam is in beslag genomen, dus wij rijden met jullie mee. Ik zal jullie laten zien waar het lichaam ligt.’
De mannen haalden een brancard uit de auto en rolden die achter Jacob aan.
Van Opperdoes zag het steeds donkerder worden boven de stad. Hij tuitte zijn lippen en plukte aan zijn neus.
‘Dat doe je altijd als je in je eentje zit na te denken, weet je dat?’
Betrapt liet hij snel zijn hand zakken.
Zijn vrouw glimlachte. ‘Goed zo, blijf van je neus af jij. Hij is al groot genoeg.’
De oude rechercheur grinnikte. ‘Ik zal eraan denken. Zeg, jij wist van dat briefje met het telefoonnummer, nietwaar?’
‘Er is vrij weinig wat hier voor ons verborgen blijft.’
Van Opperdoes knikte langzaam. Hij wist dat zijn vrouw hem, sinds haar overlijden, bij diverse onderzoeken toch een duwtje in de richting van de oplossing had gegeven. En ze had zelfs, daar was hij van overtuigd, het leven van Jacob gered toen een Russische crimineel, Boris Tarkovski genaamd, hem dreigde neer te schieten. Maar ook wist Van Opperdoes dat hij nooit om raad mocht… of kon vragen.
De stem van zijn vrouw klonk bestudeerd nonchalant. ‘Het is anders wel een interessante zaak, dit.’
De oude rechercheur legde zijn beide handen op zijn knieën. ‘Wat je zegt… een groot raadsel is het.’
‘Maar wel een mooi raadsel. Hoe triest het ook is dat er iemand is overleden.’
Van Opperdoes keek op met pretlichtjes in zijn ogen. ‘Kan ik daaruit opmaken dat onze vermiste man nog in leven is?’
Zijn vrouw glimlachte.
Het vreemde was dat hij voelde dat ze dat deed, al kon hij het niet zien.
‘Niet naar de bekende weg vragen, Peter…’ klonk het quasibestraffend. ‘Je weet dat ik daar geen antwoord op mag geven. Wat is dat trouwens met jouw gevoel voor de Jordaan?’
Van Opperdoes trok een wenkbrauw op. ‘Wat bedoel je?’
‘Ik herinner me nog dat jij de Jordaan maar niks vond. Niets speciaals, in ieder geval. Gewoon een stadsdeel, veel bezongen weliswaar, maar jij zag er de charme nooit zo van. En nu, vanochtend onderweg naar de vuilnisbak, liep je door de Jordaan en voelde je je goed, bijna lyrisch. Heb je de Jordaan omarmd? Ben je eindelijk de Warmoesstraat een beetje vergeten?’
De oude rechercheur haalde zijn schouders op. ‘Het zou kunnen. Misschien zie ik nu dingen die ik toen niet zag.’
‘We woonden er toch al heel lang, op de Brouwersgracht.’
Ze zweeg even, en stelde toen de vraag waar het eigenlijk om draaide. ‘Of komt het omdat je weer wat plezier in het leven krijgt?’
Van Opperdoes dacht er even over na. ‘Dat zou kunnen. Ergens wonen of ergens werken maakt toch een groot verschil.’
De Warmoesstraat, het beruchtste bureau van Nederland, waar hij meer dan dertig jaar had gewerkt, was alles voor hem geweest. Maar sinds zijn lieve vrouw was overleden, wist hij dat hij een andere plek nodig had. De herinneringen aan zijn vrouw — in combinatie met het bureau Warmoesstraat — waren te overweldigend.
Bijna automatisch werd het bureau Raampoort, in de wijk waar hij woonde. Bovendien vond hij de Raampoort een bureau met karakter, net als de Warmoesstraat. Een uniek gebouw, dat eruitzag als een per ongeluk in de stad verdwaald kasteeltje in een illustere wijk.
Zijn vrouw legde haar hand op zijn schouder. ‘Ik ben blij voor je. Maar nu moet je weer aan het werk. Jacob komt zo terug, met die twee rare mannetjes.’
Van Opperdoes moest lachen. ‘Rare mannetjes zijn het zeker.’
Zijn vrouw moest lachen. ‘Nou en of. Stel je voor dat ze op een verjaardag zitten, en iemand vraagt aan hen: “Wat doet u voor werk?” dan moeten ze zeggen dat ze lijken ophalen, op vreemde plekken. Net waar je maar zin in hebt…’
Van Opperdoes stond langzaam op en slenterde met waggelende tred naar de ingang van de fabriek. ‘Toch ben ik blij dat ze er zijn. Iemand moet het vuile werk toch opknappen.’
‘Dat is waar. Wat ga je nu verder doen?’
Hij dacht na, ging uit gewoonte met zijn hand naar zijn neus, maar kon de beweging net op tijd stoppen. ‘We moeten een paar dingen uitzoeken. Natuurlijk als eerste wie de moordenaar is.’
‘Dat klinkt logisch. En hoe ga je dat doen?’
Peter van Opperdoes knoopte langzaam het rood-witte lint los. ‘We moeten weten wie het slachtoffer is. Als je het slachtoffer kent…’
Zijn vrouw maakte de zin af die ze in al die jaren zo vaak van haar man gehoord had. ‘… dan ken je de dader. Ik weet het, een van jouw favoriete motto’s. Maar ja, dat zal nog lastig worden, zo zonder vingerafdrukken. Die moordenaar wist wat hij deed.’
‘Kennelijk. Maar we hebben wel dna, en misschien nog belangrijker: we hebben zijn gezicht. Daar kunnen we ook wat mee. En dan is er een connectie tussen de dode en de vermiste. Niet voor niets heeft hij het telefoonnummer van Michael Zand in zijn zak zitten.’
‘Genoeg te doen, lijkt me zo.’
Van Opperdoes knikte. ‘Ja… ik ga maar eens bedenken waar we mee gaan beginnen.’
Zijn vrouw klonk stellig. ‘O, dat weet je gauw genoeg.’
Achter Van Opperdoes klonken voetstappen, die snel dichterbij kwamen. De oude rechercheur draaide zich om, en staarde in het verbaasde gezicht van de wijkagent.
‘Zo, Van Opperdoes, wat kijk jij verbaasd? Heb je net een geest gezien of zo? Zou me niets verwonderen overigens, in deze macabere omgeving.’
‘Ik had je niet aan horen komen.’
De wijkagent keek grijnzend naar zijn voeten. ‘Nieuwe schoenen van de baas. Omdat ze willen dat we meer op straat lopen. Tja, dan moet je ook goeie schoenen hebben, nietwaar? Met zachte rubberzolen.’
Hij wees naar de donkere bus.
‘Ik zag die bus staan, dus toen leek het me logisch dat jullie hier ook nog waren.’
Van Opperdoes glimlachte. ‘Dat weet je, zoiets duurt altijd lang. Maar jij bent ook nog laat aan het werk.’
De wijkagent hield een velletje papier omhoog. ‘Ik dacht dat dit je misschien wel verder kon helpen.’
Van Opperdoes zag een kort lijstje namen staan, waarvan sommige hem bekend voorkwamen.
De wijkagent wees naar de bovenste naam.
‘Ik ben, zoals ik zei, wel een paar keer in die kelder geweest om de overlast voor de buurt te beperken. Zodoende heb ik wat namen genoteerd van figuren die daar regelmatig komen. De bovenste, Menno Post, is er bijna elke dag. Misschien… misschien dat zij jou iets kunnen vertellen. Bovendien is het denk ik handig in verband met de dna-sporen die ze aantreffen.’
Van Opperdoes nam de lijst met namen dankbaar aan.
‘We hebben drankflessen gevonden, en spullen voor drugs. Wat gebeurde er allemaal, daarbinnen?’
De wijkagent trok een bedenkelijk gezicht. ‘Als je me zou vragen wat er allemaal niet gebeurde, was ik sneller klaar. Er werd gedronken, geblowd, gesnoven, gespoten, gedeald… Op een gegeven moment was er een soort bezorgservice voor drugs, jochies die op brommertjes heen en weer reden om coke en xtc af te leveren bij de yuppen in de Jordaan. Met een paar invallen hebben we een einde aan de overlast gemaakt. Sinds die tijd is het rustiger in de kelder, maar helemaal afgelopen is het nooit.’
‘En het slachtoffer?’
‘Ik heb zijn gezicht niet gezien, hij hing te ver voorover.’
Van Opperdoes rommelde in de binnenzak van zijn montycoat, en haalde een foto van Michael Zand tevoorschijn. ‘Heb je hem hier weleens gezien?’
Een diepe denkrimpel verscheen op het voorhoofd van de wijkagent. ‘Het gezicht komt me bekend voor. Nou moet ik eens diep nadenken…’
Het bleef enkele seconden stil.
Van Opperdoes kon het bijna horen kraken in het hoofd van de wijkagent.
Maar toen schudde deze langzaam zijn hoofd. ‘Ik kom er niet op. Het gezicht… het komt me heel bekend voor. Maar ik kan het niet plaatsen.’
Van Opperdoes gaf hem de foto. ‘Neem deze en leg hem onder je kussen vannacht. Misschien kom je er dan op. En die Menno? Vertel daar eens wat meer over?’
‘Hij noemde zich de kelderkeizer. Niets gebeurde er zonder dat hij ervanaf wist.’
‘Dus als er in die kelder een moord gepleegd is?’
De wijkagent knikte. ‘Dan zijn er twee mogelijkheden. Of hij heeft het gedaan. Of hij wist ervan.’
‘Zie je hem als een mogelijke moordenaar?’
‘Menno Post heeft maar één liefde, en dat is zichzelf. Als iemand zijn macht betwistte, of ervoor zorgde dat een bron van inkomsten opdroogde… jazeker… dan is hij onvoorspelbaar, maar vooral gewetenloos.’
Van Opperdoes grijnsde. Nu wist hij waar hij kon beginnen.
De brancard met daarop het lichaam van de vermoorde man schommelde vervaarlijk heen en weer toen de sjofele kraaien moeizaam de trap op liepen.
Jacob liep er hoofdschuddend achteraan. Zelden had hij een groter stel klunzen aan het werk gezien. Terwijl de afzakkende broek van de man voor hem op de trap bijna onder zijn colbertjasje uit kwam, steunde de voorste man als een oude stoomlocomotief.
‘Hou je hem nog?’ vroeg de achterste drager.
Een moeizame kreun was het antwoord.
‘Leg hem anders effe neer…’
‘Kannie. Dan glijdt-ie naar beneden.’
‘Ik duw wel door, dan zijn we sneller boven.’
De achterste man zette kracht, waardoor de voorste drager al vallend de bovenste treden moest nemen.
Jacob was blijven staan, en deinsde voorzichtig een paar treden terug, bang om onder een naar beneden stortende brancard bedolven te worden.
Wonder boven wonder haalde de eerste man de begane grond, waar hij de brancard op een drager met wieltjes kon laten zakken. Het zweet gutste in stralen van zijn voorhoofd.
‘Gaat het?’ vroeg Peter van Opperdoes droog.
De beide mannen lieten de brancard staan en verdwenen zuchtend en steunend naar hun auto om wat papieren in te vullen.
Van Opperdoes bekeek het slordig ingepakte en vastgesnoerde lichaam. ‘Was het weer eens zo laat?’
Jacob klopte morrend zijn kleding af.
‘Laat de politie eens een behoorlijke dienst inhuren. Eentje die de overledene met het nodige respect behandelt en niet als een vrachtje dat verplaatst moet worden.’
Van Opperdoes keek misprijzend naar het busje. ‘Het zal de goedkoopste oplossing wel weer zijn…’
Hij maakte de riem los die het lichaam op de brancard vastgesnoerd hield. Het lichaam was in een plastic zak geplaatst, waarvan hij de bovenzijde openritste. De wijkagent kwam naderbij maar deinsde meteen weer achteruit.
‘Hij stinkt… veel erger dan beneden nog,’ zei de wijkagent.
‘Adem door je neus,’ adviseerde Van Opperdoes. ‘Dat helpt. Die smerige lucht komt vooral vrij als een lichaam wordt opgetild en verplaatst, zoals nu.’
Ook Jacob deed een stap terug. Hij kon nog steeds niet wennen aan die lucht, die alles penetreerde en urenlang in je neus bleef hangen.
Van Opperdoes had er minder last van, domweg omdat hij al zoveel dode mensen had meegemaakt dat hij er min of meer immuun voor was geworden.
‘Ken je hem?’ wilde hij van de wijkagent weten.
De wijkagent bestudeerde vanaf gepaste afstand het gezicht en schudde langzaam zijn hoofd.
‘Ik denk niet dat ik hem hier ooit heb gezien. Maar ik ben uiteraard niet elke dag binnen. Ik denk dat ik hier een paar weken geleden voor het laatst ben geweest. Het verloop is natuurlijk groot, daarbeneden. En die andere man… ik weet nog steeds niet waar ik die nou van ken.’
Van Opperdoes knikte vriendelijk.
‘Komt wel. Laat het ons maar weten als je je iets herinnert.’
Hij begon de zak dicht te ritsen, maar stokte halverwege. Met een vragende blik bekeek hij het lichaam.
‘Die kelder is behoorlijk koud, zo’n lichaam blijft redelijk lang goed. Ik besef ineens dat ik de schouwarts iets ben vergeten te vragen… Jacob, heb jij haar nummer?’
Jacob had zijn telefoon al in zijn hand, drukte het nummer van de schouwarts in en gaf de telefoon aan zijn collega.
‘ggd, Cathelijne…’ klonk het vrolijk.
‘Dag Cathelijne, met Van Opperdoes. Ik weet dat je het in je verslag gaat zetten, maar het is vrij belangrijk dat ik het nu alvast weet…’
‘Nou, vraag maar.’
‘Heb jij bij benadering vast kunnen stellen hoe lang het slachtoffer al dood was?’
Hij hoorde haar rommelen met papieren. ‘Je hebt geluk, ik ben net bezig met het verslag en het invullen van het Hensgge Nomogram.’
‘Het wie?’
Cathelijne lachte kort. ‘Het Hensgge nomogram. Een soort statistiek die we gebruiken om het tijdstip van overlijden vast te stellen. Omgevingstemperatuur, temperatuur van het lichaam, hoeveelheid kleding, of het tocht op de plek waar het lichaam gevonden wordt… dat soort dingen. In ieder geval; rigor mortis, de lijkstijfheid, was al volledig verdwenen. Dus zeker meer dan dertig uur. Pin me er niet op vast, maar gezien de temperatuur en de staat van de verwondingen, zou ik zeggen dat hij ongeveer drie dagen geleden is vermoord.’
‘Dank je wel.’
Nadenkend gaf Van Opperdoes de telefoon terug aan Jacob.
‘En? Hoe lang is hij dood?’ vroeg deze.
‘Ongeveer drie dagen. Bijna net zo lang als Michael Zand vermist is…’