Peter van Opperdoes schoof achteruit in zijn stoel, met een frons op zijn gezicht. Hij trok rechts van hem de onderste lade van zijn bureau open, hield zijn knieën iets omhoog en plaatste zijn beide voeten op een stapeltje papieren, oude zaken die hij nog in behandeling had.
Hij keek naar een foto van zijn vrouw, in een goudkleurig lijstje, die hij links van hem op zijn bureau had staan, op een ereplaatsje.
Ze keek hem met een warme glimlach aan. Nog steeds wist Van Opperdoes niet of zijn overleden vrouw nu daadwerkelijk gesprekken met hem voerde, of dat hij sinds haar overlijden een beetje gek was geworden. Hij wist dat sommige collega’s die gedachte waren toegedaan, als ze hem ’s nachts weer eens in zichzelf mompelend door het stille bureau zagen sjokken. Zelfs commissaris van Straaten was het opgevallen.
Het maakte hem ook eigenlijk niet uit, hij putte troost uit haar stem, ook al beeldde hij zich die in.
Jacob kwam de recherchekamer binnen met twee dampende bekertjes in zijn hand.
De oude rechercheur nam een bekertje en snoof er goedkeurend aan. ‘Goeie thee. Niet van die automatenrotzooi.’
Jacob knikte. ‘De beste aankoop die we hebben gedaan in dit bureau. Een simpele waterkoker…’
Van Opperdoes zwaaide zijn vinger heen en weer. ‘En die hebben we zelf betaald. Maar het was het waard.’
Sinds Van Opperdoes met Jacob werkte, dronk hij meer thee dan koffie. Koffie was de drank waar de hele politie op draaide, de ganse dag door maakten de automaten overuren. Jacob dronk het wel, maar nam liever thee. Uit gewoonte was Van Opperdoes ook thee gaan drinken.
‘We hebben ook nog niet gegeten.’
Van Opperdoes had er nog niet aan gedacht, maar nu Jacob erover begon, voelde hij zijn maag knorren.
‘Als we de thee ophebben, gaan we wat eten. En overleggen.’
Jacob knikte dankbaar.
Op aanwijzing van Van Opperdoes reed Jacob naar de Watergraafsmeer, de wijk in Amsterdam-Oost waar Michael Zand woonde.
‘Wat wil je daar doen? Of denk je dat Michael Zand thuiszit?’
Van Opperdoes keek omhoog, terwijl ze de Hogeweg in reden. Er brandde geen licht op zijn verdieping.
‘Nee, dat verwacht ik niet. Rij maar even terug, ik weet een leuk tentje om de hoek.’
Jacob parkeerde op de Middenweg. Aan de overkant zag hij een café, Elsa’s genaamd, dat er aanlokkelijk uitzag.
‘Ken jij dit? Jij bent toch niet zo’n caféganger?’
Van Opperdoes wees achter zich. ‘Toen mijn vrouw nog leefde, gingen we vaak wandelen op dat mooie terrein daar, Frankendael. Nu is het een park, strak. Vroeger was het wat ruiger allemaal. Er stond een oude ruïne.’
Hij glimlachte.
‘Als kind wandelde ik er al met mijn vader. Hij heeft me wijsgemaakt dat er een oude kluizenaar woonde. In ieder geval, na het wandelen ging ik met mijn lieve vrouw dan weleens koffiedrinken bij dat gezellige café.’
‘En ben je er na haar dood nog weleens geweest?’
Langzaam schudde de oude rechercheur zijn hoofd. ‘Het wordt weer eens tijd. Het is geen Franse keuken met liflafjes, maar wel heel erg prettig eten. En zitten.’
Op het moment dat Van Opperdoes het eetcafé in liep, dook de eigenaar met glimmende ogen en uitgestoken handen van achter de bar op hem af.
‘Meneer Van Opperdoes… dat is te lang geleden. Alles goed met u?’
Van Opperdoes glimlachte. ‘Jazeker, Piet. Het gaat heel goed. Heb je een plekje voor ons?’
‘Altijd.’
Hij gebaarde naar een tafel aan het raam, vanwaar ze een mooi uitzicht hadden op het terras en de gezellige drukte op de Middenweg.
‘Wat kan ik u inschenken. Het gebruikelijke?’
‘Ja, en we willen graag iets eten.’
Piet wees met een gastvrij gebaar naar de muur, waar een enorm schoolbord hing, volgeschreven met heerlijke gerechten.
‘Keus genoeg, maar de ribroast is heerlijk vandaag.’
Van Opperdoes en Jacob knikten tegelijkertijd. ‘En heb je die heerlijke mosterdsaus erbij?’
Piet keek sip. ‘Die is van de kaart af. Maar ik kan het de kok wel even vragen?’
Van Opperdoes glimlachte dankbaar.
‘Kop thee? Verse jus?’
‘Lekker, doe maar.’
Piet verliet hun tafel om de bestelling door te geven.
Jacob keek tevreden om zich heen. ‘Goeie tent.’
Van Opperdoes streek over de robuuste houten tafel. ‘In al die tientallen jaren nooit van sfeer veranderd. Een heerlijke plek. Jammer dat het bij mij wat uit de buurt is. Kijk eens naar de mensen hier. Rustig, prettig volk, die een aangename avond op prijs stellen. Sommige cafés, zoals deze, hebben een bijna automatische selectie voor hun publiek. Daar komen geen herrieschoppers.’
Jacob boog iets voorover en praatte zacht. ‘Denk je dat Michael Zand hier weleens is gekomen? Hij woonde tenslotte om de hoek.’
Van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘Ik ga Piet er niet naar vragen. Sommige dingen moet je gescheiden houden. Bovendien, dan zal Piet zeggen dat hij hier weleens koffie kwam drinken en zijn we nog niks verder. Dat is net zoiets als dat de bakker om de hoek zegt dat Michael Zand daar weleens brood heeft gekocht.’
‘Maar onze zoektocht naar de vermiste Michael Zand heeft zojuist wel een andere wending gekregen, met die schatting van het tijdstip van overlijden.’
Ook Van Opperdoes liet het volume van zijn stem dalen. ‘Ervan uitgaande dat Cathelijne de Wind gelijk heeft… en daar kunnen we wel van uitgaan… kunnen we heel voorzichtig twee scenario’s verzinnen over wat er gebeurd is.’
‘Nummer een: Michael Zand heeft de moord in de kelder gepleegd en is daarna gevlucht.’
Van Opperdoes leunde grijnzend achterover. ‘Precies. Dat is het eerste.’
‘Stel, hij heeft de moord gepleegd. Hij vlucht de kelder uit en gooit zijn telefoon even verderop weg in een vuilnisbak. Natuurlijk weet hij dat we hem via die telefoon kunnen opsporen.’
‘Klinkt logisch. Misschien heeft hij via die telefoon zelfs wel de afspraak gemaakt met de man in de kelder. Die had per slot van rekening zijn nummer.’
Piet kwam naast de tafel staan en legde zorgvuldig de placemats en het bestek neer. Daarna bracht hij voor beiden een kop thee en een glas verse jus d’orange. Jacob zag een verpakt blokje noga naast zijn glas liggen.
‘Ha, noga.’
Van Opperdoes keek glimlachend hoe Jacob van de noga genoot. ‘Ouwe snoeperd die je bent…’
Hij legde zijn blokje naast het glas van Jacob.
‘Goed…’ vroeg Jacob tussen twee happen door ‘… en wat is dan de tweede conclusie?’
Van Opperdoes boog voorover. ‘Dat Michael Zand de moord niet heeft gepleegd, natuurlijk.’
Jacob stopte met kauwen en keek zijn collega verontwaardigd aan. ‘Ja, zeg, dat is toch geen conclusie? Hij heeft het gedaan, of hij heeft het niet gedaan. Zo kan ik het ook.’
Van Opperdoes roerde langzaam in zijn thee. ‘Het gaat om de conclusie… of liever gezegd de vraag… die daarachter schuilt. Als hij het niet heeft gedaan, waarom heeft de dode het telefoonnummer van Michael Zand dan bij zich? En waarom, als hij de moord niet gepleegd heeft, is hij sinds die tijd dan verdwenen?’
Jacob legde het laatste stukje noga naast zijn glas. ‘Misschien is Michael Zand ook wel vermoord. Ligt hij ergens op een verlaten plekje heel erg dood te wezen. Of… andere mogelijkheid… stel je dit eens voor. Ons slachtoffer en Michael Zand hebben met iemand afgesproken in die kelder. Ze lopen de kelder in… Michael als laatste… de eerste komt de trap af, komt beneden in de kelder en wordt meteen doodgeschoten. Hij valt tegen de muur. Michael hoort dat, ziet dat… schrikt zich rot… en vlucht weg. In paniek gooit hij tijdens het rennen zijn telefoon in de vuilnisbak. Of de telefoon is uit zijn zak gevallen en iemand anders heeft hem weggegooid.’
Van Opperdoes wreef over zijn slapen. ‘Tja… ook dat is heel goed mogelijk.’
Piet kwam aanlopen met twee borden, waarop een heerlijk groot en mals stuk vlees lag, met daarnaast salade. Apart serveerde hij verse frietjes en als laatste bracht hij twee bakjes met warme mosterdsaus.
Van Opperdoes wees erop. ‘Die mag je nooit van de kaart halen.’
‘Ik zal het doorgeven,’ zei Piet met een glimlach.
Jacob sneed een stukje vlees af, schonk er wat mosterdsaus over en proefde. ‘Tjonge…’ was het enige wat hij uit kon brengen. ‘Ik heb honger en dan smaakt alles… maar dit is wel heel erg lekker.’
Van Opperdoes glimlachte. Voor de duur van het eten kwam het werk even niet ter sprake.
Toen Van Opperdoes zijn mes en vork neerlegde en Piet de borden had weggehaald, keek de oude rechercheur zijn jonge collega aan. ‘Wat weten we zeker?’
Jacob dacht even na en vatte het bondig samen. ‘Dat Michael Zand als vermist is opgegeven door zijn moeder, en dat er iemand dood is. Wie dat is, dat weten we nog niet. Niet zo heel veel dus. De rest is puur gissen.’
Van Opperdoes bromde. ‘Ik had het niet beter kunnen samenvatten. Precies de feiten, geen gespeculeer eromheen. Wat is de volgende stap?’
Jacob zweeg even en liet alle mogelijkheden in zijn gedachten de revue passeren. ‘We moeten weten wie het slachtoffer is, en waar Michael Zand is. Als we hem hebben, weten we of hij de dader of het slachtoffer is.’
‘Maar Michael Zand houdt zich schuil. Of hij nou het slachtoffer is of de dader… hij wil absoluut niet worden gevonden. Hij laat zelfs niets aan zijn moeder horen.’
Jacob maakte ruimte voor de koffie die door Piet geserveerd werd. ‘Als hij niet dood is, ondertussen.’
‘In beide gevallen weten we niet waar hij nu is.’
Jacob knikte. ‘Wat dacht je van Menno Post? Hij is heer en meester over de kelder. Weet alles wat er gebeurt, volgens de wijkagent. Hij is de schutter, of op z’n minst een medeverdachte, als hij op de uitkijk heeft gestaan.’
Van Opperdoes schoof tevreden achteruit in zijn stoel en genoot van zijn koffie. ‘Laten we ons inderdaad maar eens op Menno Post concentreren.’
Na nog een vergeefs rondje langs de woning van Michael Zand, reed Jacob terug naar de Raampoort.
Van Opperdoes hing onderuit in zijn stoel en keek door de voorruit naar de lucht boven de stad. Het was donker, maar wel met de belofte voor alweer een mooie dag. Zelfs boven het lichte Amsterdam zag Van Opperdoes een paar felle sterren in de wolkeloze nacht.
Het eten had hem goedgedaan, maar toch joeg een onrustig gevoel door zijn lichaam, vanaf het moment dat het lijk van de onbekende man was gevonden. Het laatste wat hij in die kelder had verwacht, was het telefoonnummer van Michael Zand in zijn kleding. Hij kon er geen goede verklaring voor vinden, en dat maakte hem onrustig.
Ook voelde hij dat zijn knieën begonnen tegen te sputteren, wat meestal ook geen goed teken was.
In de donkere Marnixstraat straalde het licht geruststellend uit het bureau Raampoort. Voor de deur stond wachtcommandant Jan Rozenbrand met een sigaret in zijn hand, als een oude ridder die de wacht hield voor zijn kasteel.
‘Rechercheur Van Opperdoes, wees welkom. Goed gegeten?’
Van Opperdoes klopte hem collegiaal op de schouder. ‘Heel goed.’
Rozenbrand nam een trekje van zijn sigaret en liet de rook langzaam de brede straat in drijven. ‘Dat dacht ik al. Ik heb haar daarom maar even laten wachten.’
Van Opperdoes keek verrast op. ‘Wie? Wij hadden geen afspraak.’
‘Nee, dat zei ze ook. Maar ze wilde jullie wel spreken. Ik heb haar dus maar even laten wachten. Binnen, op de bank.’
Van Opperdoes keek over de schouder van de wachtcommandant de ronde hal van de Raampoort in.
Op de bank, rechts naast de ingang, zag hij Diana Welling, de moeder van Michael Zand, hen met gespannen blik opwachten.