Peter van Opperdoes schoof in de recherchekamer een stoel wat onhandig dichter bij zijn bureau en gebaarde galant naar Diana Welling dat ze plaats kon nemen. Ze knikte vriendelijk en ging zitten, haar handtas stevig omklemd op schoot. Jacob zat achter haar, aan zijn eigen bureau.
Van Opperdoes ging zitten. ‘Het spijt ons dat u even moest wachten.’
Ze glimlachte. ‘Dat geeft niet. Die meneer achter de balie heeft me koffie gegeven. Hij zei dat u eraan zou komen. Ik vond het niet erg even te wachten.’
‘En wat kunnen we voor u doen?’
Ze ging er goed voor zitten, een glimlach op haar gezicht. ‘Ik kwam even mijn excuses aanbieden dat ik uw tijd verknoeid heb.’
Van Opperdoes zag Jacob achter haar verbaasd opkijken, en hield zijn hoofd iets schuin: ‘Hoe bedoelt u dat?’
‘Ik ben toch hier geweest voor mijn zoon? Dat hij vermist was?’
Van Opperdoes knikte. ‘Ja, natuurlijk. Michael Zand. Hebt u daarmee onze tijd verknoeid?’
‘Jazeker, en dat spijt me enorm. Ik had al dagen niets van hem gehoord, daarom kwam ik bij u.’
Ze leunde voorover en legde haar hand op de arm van Van Opperdoes. ‘Dat had ik nooit moeten doen, dat besef ik nu ook. Maar goed, dat kan ik niet meer terugdraaien. In ieder geval, hij is terecht. Hij heeft me vanmiddag gebeld.’
Een grote trek van opluchting gleed over haar gezicht en ze kneep even hartelijk in de arm van de oude rechercheur.
Van Opperdoes verlegde nonchalant zijn arm om zogenaamd een pen van zijn bureau te pakken.
Diana Welling liet een verontschuldigende glimlach over haar gezicht glijden en nam haar handtas weer in beide handen.
Jacob kwam naast Van Opperdoes staan. Hij keek haar doordringend aan. ‘Wanneer heeft hij u gebeld?’
Ze knipperde even met haar ogen. ‘Vanmiddag. Vanmiddag.’
‘En wat zei hij?’
‘Nou… dat hij in het buitenland zit. Een paar dagen weg is. Hij zei dat ik gek was, toen hij hoorde dat ik de politie in kennis had gesteld.’
Ze lachte nerveus. ‘Hij schrok ervan. Kreeg ik nog op m’n kop ook.’
Jacob boog zich voorover. ‘En wat heeft hij nog meer verteld?’
Ze knipperde met haar grote ogen. ‘Wat maakt dat nou uit? Het gaat er toch om dat alles in orde is, en dat is het enige wat ik u even kwam vertellen.’
Van Opperdoes glimlachte vriendelijk. ‘We moeten het dossier natuurlijk even netjes afsluiten. Waarvandaan belde hij?’
‘Uit Parijs, zei hij.’
‘En sinds wanneer zit hij daar?’
‘Sinds vorige week. Hij is een week naar Parijs, geloof ik. Maar ik heb niet zo lang met hem gesproken, hoor. Ik weet niet alle details.’
‘Maar zijn telefoon heeft hij natuurlijk niet bij zich, die lag hier in een vuilnisbak. Waarmee belde hij dan?’
Ze keek op, alsof ze het zich nu ook pas herinnerde. ‘Ja! Inderdaad, nu u het zegt. Dat heb ik hem ook gevraagd, want dat was natuurlijk raar. Hij zei dat hij zijn telefoon was verloren. Hij had nu een nieuwe, een prepaid.’
Jacob en Van Opperdoes keken elkaar even aan. ‘Hebt u daar het nummer van?’
Ze schudde langzaam haar hoofd. ‘Heeft hij niet gegeven. En ik heb er niet naar gevraagd. Stom. Maar ik was al blij dat ik wat van hem hoorde.’
Ze keek op haar horloge en wilde opstaan. ‘Ik eh… ik moet weg. Ik heb nog een afspraak.’
Hoewel ze ontspannen probeerde over te komen, ontging Van Opperdoes de nerveuze blik in haar ogen niet.
‘Op welk nummer belde hij u?’
Ze stokte in haar beweging. ‘Pardon?’
‘Hij heeft u gebeld, zegt u. Waar? Op welk nummer? Hoe laat?’
Er ging zo’n dwingende rust uit van zijn vragen, dat ze langzaam terugzakte in haar stoel.
‘Ehm, vanmiddag. Een paar uur geleden, eigenlijk.’
‘En waar belde hij u?’
‘Gewoon… thuis.’
‘Dat weet u zeker? Het kan belangrijk zijn, natuurlijk.’
De glimlach van Van Opperdoes was onweerstaanbaar, zeker ten opzichte van het norse gezicht van Jacob, achter hem. Haar ogen schoten heen en weer tussen beide rechercheurs.
‘Ja, natuurlijk weet ik dat zeker. Waarom zou dat belangrijk zijn? Ik dacht dat mijn zoon vermist was, maar hij is gewoon een paar dagen weg. Daar kan toch niks belangrijks aan zijn?’
Jacob haalde adem om iets te zeggen, maar Van Opperdoes was hem voor.
‘U hebt gelijk. We kunnen het dossier nu gewoon afsluiten, en ik wil u bedanken dat u toch de moeite hebt genomen om persoonlijk even langs te komen.’
Ze stond op, met een zucht van verlichting. ‘Het was geen moeite, hoor.’
Ze schudde hen de hand, voor ze met charmante passen de recherchekamer verliet. Haar voetstappen stierven langzaam weg in het trappenhuis.
Jacob ging tegenover Van Opperdoes staan. ‘Wat doe jij nou?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Je laat haar zo het bureau uit wandelen.’
‘Jazeker.’
Jacob schudde verbaasd zijn hoofd. ‘Ik had haar nog wel het een en ander willen vragen. Je zag toch dat ze zat te liegen.’
Van Opperdoes schoof achteruit in zijn stoel. ‘Die indruk had ik ook, ja.’
‘Dan laat je haar toch niet gaan?’
‘Jij had haar nog wel iets willen vragen, begrijp ik?’
‘Zeker.’
‘Omdat je Michael Zand als mogelijke verdachte beschouwt.’
‘Zeker.’
‘Wat had je dan moeten doen, voor je die vragen zou stellen?’
Jacob keek Van Opperdoes niet-begrijpend aan. ‘Wat bedoel je?’
‘Jacob, ze is de moeder van een mogelijke verdachte… Als je haar vragen gaat stellen, moet je haar op het verschoningsrecht wijzen. Een moeder mag zwijgen, indien ze verhoord wordt over haar zoon.’
Jacob mopperde binnensmonds. ‘Dat wist ik wel.’
‘En als je haar op dat recht wijst… als ze het niet allang weet… dan houdt ze meteen haar mond dicht, en zijn we nog verder van huis.’
Jacob perste zijn lippen op elkaar. Hij wist dat zijn oude collega het bij het rechte eind had.
Van Opperdoes keek hem vriendelijk aan. ‘Jacob, alles is nog mogelijk. Het zou zelfs kunnen dat wat zij zegt de waarheid is. Alleen is Michael Zand dan niet vermist, niet op vakantie in Parijs, maar is hij gewoon gevlucht. Hij belt zijn moeder, die van niets weet, om haar gerust te stellen. Dus komt zij naar het bureau. De vraag is: is haar verhaal waar? Waarom komt ze dat vertellen? Wat weet ze precies? Weet ze van de moord in de kelder? Weet ze dat haar zoon daar… op de een of andere manier… bij betrokken is?’
Jacob gebaarde ongeduldig met zijn hand. ‘Ja, daar wilde ik nou net achter komen! Maar goed, je hebt een punt.’
‘We kunnen om haar heen werken… informatie vergaren… zonder haar direct te verhoren. We moeten nakijken of er überhaupt wel een telefoongesprek tussen haar en haar zoon heeft plaatsgevonden. Dat kan toch?’
Jacob haalde zijn schouders op. ‘Natuurlijk kan dat. We kunnen de historische gegevens van haar telefoons opvragen.’
Van Opperdoes knikte. ‘Mooi, dan doen we dat.’
Jacob klikte zijn computer aan. ‘Even een artikel 126nd nota opmaken voor de officier. Dan rto bellen, uli bellen, nota faxen…’
Van Opperdoes zuchtte. ‘Waar is de tijd dat zoiets met één telefoontje ging?’
‘Kom op zeg… is die er ooit geweest?’
‘Nou ja, misschien niet één telefoontje, maar dan toch in ieder geval met één velletje papier…’
Jacob begon te tikken. ‘Tijden veranderen…’
Van Opperdoes fronste. ‘Omdat niemand meer beslissingen of verantwoordelijkheid durft te nemen. Daar ligt het aan. Waanzin… Het gaat er niet om of een groot onderzoek tegenwoordig goed is gedaan. Het gaat er alleen maar om of alle regeltjes en voorschriften wel zijn gevolgd. Dat is tegenwoordig de definitie van een goed onderzoek. Laten we een verhoor tegenwoordig doen door degene die het allerbeste kan verhoren? Nee, door degene die een cursus van twee dagen heeft gevolgd, omdat die persoon “gecertificeerd” is. Je kunt zo scherpzinnig zijn en zoveel zaken oplossen als Sherlock Holmes… als je binnenkort je cursussen niet hebt gevolgd, dan doe je niet meer mee. Het gaat alleen maar om indekken. Ervaring en mensenkennis? Waardeloos, vindt men.’
Jacob haalde zijn schouders op. ‘Wen er maar aan… zo gaat het tegenwoordig.’
De oude rechercheur zuchtte diep. ‘Het holt achteruit. Ik ben blij dat ik dat straks niet meer hoef mee te maken.’
‘Precies, laat mij me daar maar druk om maken, ik moet nog een paar jaar… Ik maak de nota wel. Hoef je niet zo te mopperen.’
Van Opperdoes leunde glimlachend achteruit en strekte zijn bovenlijf met zijn handen achter zijn hoofd. Een welgemeend en uiterst loom ‘hè, hè’ ontsnapte aan zijn mond.
‘Moe?’
Van Opperdoes dacht daarover na, terwijl hij over zijn knieën wreef. ‘Niet zozeer moe…’
Jacob onderbrak hem. ‘Ik zie het al. Het voelt niet lekker. Letterlijk en figuurlijk.’
Van Opperdoes zakte weer naar voren en keek Jacob peinzend aan. ‘Klopt. Ik heb er geen vat op… hier.’ Hij wees op zijn hoofd. ‘En dat voelt inderdaad niet lekker.’
‘Waar heb je geen vat op?’
‘De zaak. Waarom het nummer in de jaszak zit. Waarom Michael Zand vermist is, en vervolgens weer niet. Alsof iemand met een schaakspel bezig is, en ons steeds drie zetten voor is.’
Jacob glimlachte. ‘Dan moet je inhalen.’
‘Ja… maar hoe?’
‘Menno Post… hij is degene die we moeten hebben.’
‘Ja, dat is het enige wat ik nu ook kan bedenken. Hoewel…’
Van Opperdoes schoof zijn bureaulade dicht. Toen stond hij op, pakte zijn montycoat en gebaarde Jacob om mee te gaan.
‘Het is laat, we gaan slapen. Morgen gaan we op Menno Post jagen. Uitgerust en wel.’
Peter van Opperdoes liep het bureau uit en zwaaide Jacob na, die met de rechercheauto naar zijn huis reed. Jacobs aanbod om hem thuis af te zetten, had hij vriendelijk afgeslagen. Ondanks zijn vermoeidheid vond hij het prettig om naar de Brouwersgracht te lopen. Met een waggelende gang liep hij de Lijnbaansgracht af. Bij de verlaten fabriek stonden de hekken nog precies zoals ze ze vandaag hadden achtergelaten, alleen nu beter afgesloten.
De oude rechercheur probeerde of hij door de lage ramen kon zien of er ergens licht brandde, maar het leek binnen al net zo donker als buiten. Hij sloot zijn ogen en liet zijn onderbewustzijn zijn gedachten overnemen. Wat was hier gebeurd op de avond van de moord?
In gedachten zag hij een schim de fabriek uit komen, in het holst van de nacht. Een schim die rustig naar de Westerstraat liep, en daar een telefoon in de vuilnisbak gooide. Maar het gezicht bleef onherkenbaar.
Langzaam liep Van Opperdoes de Westerstraat in. Hoewel het laat was, liep er nog veel volk over straat. Mensen passeerden hem om hun fiets of auto te zoeken, en jonge stelletjes verplaatsten zich arm in arm van de restaurants naar de cafés.
Bij de vuilnisbak bleef hij even staan. Flarden van het bekende lied over de begrafenis van Manke Nelis stroomden café Nol uit, toen iemand de deur opendeed en buiten ging staan telefoneren. De deur bleef half openstaan, en met een glimlach hoorde hij de mensen in het café meeblèren:
Toen ’t hele soepie dronken was, riepen ze luid:
‘Jongens, nou eerst Nelis wegbrengen, vooruit!’
zwaaiend stapte eenieder in de bakkies, aangedaan
En ze zongen: ‘Dooie Nelis, die zal nooit verloren gaan’
Bij de begraafplaats gilde plotseling Rooie Bart:
‘Die dooie Nelis staat nog onder ’t biljart
Jongens, ik ben er erg voor
We motte die gozer halen, hoor
Want zonder Nelis gaat de voorstelling niet door’
Ze haalden Nelis netjes uit de kroeg vandaan
En ze reden in een gestrekte draf
Zingende en zwaaiend, net of het een bruiloft was
Dooie Manke Nelis naar zijn graf
Onder een dronkemansgespies en Ouwe Catzgehuil
Viel Ome Gerrit, met een plons, bij Nelis in de kuil
Het mooist vond hij dat veel van de aanwezigen geen Amsterdammers waren, maar wel probeerden om het vette Amsterdamse accent mee te schreeuwen. De man voor de deur hield zijn hand tegen zijn andere oor en liep een paar passen de stilte in.
Van Opperdoes liep langzaam wat terug en kwam voor de etalage van de galerie te staan. Binnen was een lichtspot gericht op het enorme schaakbord, waarop de pingpongballen nog steeds schijnbaar doelloos heen en weer zwierven.
Alsof iemand je steeds drie zetten voor is, dacht hij.
Hij zag de ballen over de vlakken schuiven, en schijnbaar van kleur veranderen als ze van een wit naar een zwart veld rolden. Hoe de kunstenaar dat voor elkaar had gekregen, was hem een raadsel, maar het kon ook met de vreemde lichtval van de nacht en de lichtspot te maken hebben.
Toen Manke Nelis uiteindelijk begraven en met vele glazen drank herdacht was, schalde een nieuwe meezinger het café uit. Nu kwamen de bedenkelijke liedjes als ‘Brand in het Bordeel’ en ‘Twee sigaren van twee…’ wist de oude rechercheur.
Peter van Opperdoes zag de mensen in polonaise door het café gaan, toen hij langsliep. Voor hen was dat het ultieme Jordaangevoel. Hij moest glimlachen toen hij de muziek hoorde, en dacht aan zijn collega Theo, van de Warmoesstraat.
Theo, vanwege zijn kromme o-benen ook wel ‘Kron futu’ genoemd door de Surinaamse verslaafden in de jaren tachtig, had op de Warmoesstraat een gewoonte waar niet aan te tornen viel: vrijdagmiddag was Amsterdamse-muziekmiddag. Dan schalden er de hele middag keihard Amsterdamse smartlappen over de rechercheafdeling, als inleiding op het weekend. Niet alleen alle rechercheurs, ook de bazen, de getuigen en de verdachten moesten eraan geloven. Geweldig was dat, vond Van Opperdoes. Hij zou geen bureau in Nederland kennen waar de onderlinge sfeer zo goed was als de binnenstadsrecherche van Amsterdam.
Langzaam stierf de muziek weg, terwijl hij op huis aan slenterde. Onderweg maakte hij een plan om Menno Post te vinden, waarvan hij verwachtte dat het zou werken.
Hij sloeg links af bij de Noordermarkt, stak het plein over en zwaaide onder het langslopen naar de barman van café ’t Papeneiland. De barman maakte een uitnodigend zwaaiende beweging, maar de oude rechercheur glimlachte en liep door.
Voor de deur van zijn woning haalde hij zijn sleutels uit zijn jaszak. Op het moment dat hij de sleutel in het slot stak, voelde hij aan een koude rilling over zijn rug dat er iets niet klopte.
Hij wilde zich nog omdraaien, maar voordat hij dat kon, werd er van achter een arm om zijn nek en hals geslagen. De arm trok even aan, zodat hem een seconde de adem werd ontnomen.
‘Niet omkijken,’ siste een mannenstem vlak bij zijn oor.
Van Opperdoes probeerde het niet eens. Hij wist dat hij niets kon doen. De spanning van de arm nam iets af. Nu werd hij nog wel stevig vastgehouden, maar niet zo strak meer dat het pijn deed of dat hij geen adem meer kon halen. Het voelde meer als een soort waarschuwing; haal niks uit, of het gaat mis…
De stem ging onherkenbaar fluisterend door. ‘Je zit verkeerd met wat je denkt.’
Van Opperdoes stond doodstil. Hij had veel verwacht, maar niet zo’n uitspraak. De gedachten schoten door zijn hoofd, maar hij kwam niet verder dan: wat denk ik dan?
De stem siste zacht. ‘Ik zeg het je maar één keer. Je zit verkeerd. Kijk uit met wat je doet.’
En toen, ineens, was de arm weg.
Van Opperdoes keek om en zag een man met een halflange donkere jas en diep gebogen hoofd weglopen en snel de hoek om slaan.