Zichtbaar opgelucht verdween Diana Welling door de controle. Ze keek nog even schichtig om zich heen voordat ze het vliegtuig in liep, alsof ze ieder moment alsnog een hand op haar schouder kon verwachten. Maar dat gebeurde niet, want van een afstand keken Jacob en Peter van Opperdoes haar na.
Toen de deuren van de gate dichtgingen, draaide Van Opperdoes zich om. ‘Die zien we nooit meer terug.’
Hij liep in de richting van de marechaussee, die geduldig met zijn karretje stond te wachten.
Jacob klom achter op het bankje. ‘Dat geeft toch ook niet? We hebben de zaak volgens mij gewoon rond. Menno Post is de drugsleverancier, ons slachtoffer had een afspraak met hem, dat is misgegaan, en Post heeft hem vermoord en beroofd. Vervolgens heeft hij de spullen ergens verborgen, en die zijn nu gevonden.’
Van Opperdoes keek strak voor zich uit, naar de mensen die ze voorbijreden en hen nakeken. ‘Het zou inderdaad een hele logische conclusie zijn.’
Hij zweeg even om het te overdenken en haalde toen berustend zijn schouders op. ‘We zien het wel…’
Vanaf de Overtoom reed Jacob de Jan Pieter Heijestraat in, en vervolgens een van de zijstraten. De Kinkerbuurt, waar ze nu waren, was langzaam maar zeker aan het opkrabbelen. Vroeger, wist hij, was de buurt berucht onder politieagenten om het grote aantal onberekenbare gestoorden dat er woonde en de vele ruzies. Er was een adres op de Da Costakade dat iedere agent de rillingen over de rug deed lopen als daar een auto naartoe werd gestuurd door de meldkamer van het hoofdbureau. Daar woonde een man die regelmatig agenten opwachtte met messen en gebroken flessen, en zodanig gek was dat hij agenten meteen aanviel zodra hij ze zag.
En zo waren er meer adressen in die buurt.
Maar langzaamaan werd het beter. In navolging van de Pijp en de Jordaan was de Kinkerbuurt aan de beurt om een min of meer hippe buurt te worden. Woningen die leeg kwamen werden opgeknapt en konden daardoor duurder verhuurd worden. Dat trok weer mensen die niet in de binnenstad of de Pijp terechtkonden.
Op zich was het wel terecht, vond Van Opperdoes. Het werd nu een gezellige buurt, volks, en heel dicht bij de binnenstad. Veel buitenlanders waren er winkeltjes begonnen, en alle nationaliteiten leefden er door elkaar heen.
Op het Staringplein, bij de hoek met de Eerste Helmersstraat, stond een politieauto half op de stoep geparkeerd. Van Opperdoes zag de deur bij 11b openstaan. Hij keek omhoog. Op de derde verdieping waren de gordijnen potdicht.
‘Welke verdieping is het?’ vroeg Van Opperdoes met een ongemakkelijk voorgevoel.
Jacob stak grijnzend drie vingers omhoog. Hoofdschuddend stapte de oude rechercheur uit en begon de trap op te klimmen.
‘Het zal eens niet op de derde verdieping zijn. Altijd… altijd is de ellende boven in de woningen met de steilste trappen.’
Puffend als een oude stoomtrein trok de oude rechercheur zich aan de leuning omhoog.
Boven in het trapgat op de derde verdieping verscheen het nieuwsgierige gezicht van een jonge agent. ‘Recherche?’ vroeg hij.
Van Opperdoes kon nauwelijks antwoorden na die drie trappen. ‘Nog wel…’
Op de overloop kon hij even bijkomen.
‘Zeg het maar… wat heb je?’
‘Een melding van het hoofdbureau. Er was een anonieme tip binnengekomen dat er iemand hier mogelijk overleden zou zijn. Dus wij naar binnen toe, maar de woning was leeg. Wat we wel vonden… nou, kijk zelf maar.’
Van Opperdoes legde zijn hand op de schouder van de jonge agent.
‘Ik ga zo.’
Na een paar keer diep ademhalen, had hij genoeg energie verzameld om de woning in te gaan. Voorzichtig keek hij naar binnen. De toegangsdeur kwam uit in het halletje van de woning. Links was de woonkamer, rechts de keuken en een slaapkamer.
‘Jullie zijn de hele woning al door geweest?’ vroeg Van Opperdoes.
De jonge agent knikte.
‘Wij zijn naar binnen gegaan in de verwachting een lijk aan te treffen. We hebben de deur geforceerd en in de hele woning gekeken of er iemand binnen lag. Toen troffen we die spullen aan in de woonkamer. Dus hebben we jullie maar in kennis gesteld.’
Jacob hield Van Opperdoes een paar plastic handschoenen voor. Met moeite frummelde Van Opperdoes zijn handen erin, voor hij de woning betrad.
Als Menno Post hier verbleef, had hij aan geld in ieder geval geen gebrek. Het was een luxe ingerichte etage, waar de boel goed onderhouden was en er schoon uitzag. Een grote leren bank, witte tegels op de vloer en een grote flatscreen. De tegels liepen door de hele woning.
In de woonkamer stond een eettafel tegen de achtermuur, waarop een plastic zak lag met honderden kleine witte pilletjes. Ernaast lag een hoeveelheid kleine doorzichtige plastic zakjes, waarvan een aantal gevuld was met vier witte pilletjes elk. Van Opperdoes bekeek een zakje, en herkende de opdruk.
‘En?’ wilde Jacob weten.
‘Dezelfde pillen.’
‘Flinke voorraad dan…’
Op de eettafel, die kennelijk als werkplek werd gebruikt, lagen ook wat papieren. Apart, op een hoekje van de tafel, lagen een portemonnee en daarbovenop een paspoort. Van Opperdoes pakte het paspoort met twee vingers vast en bekeek het voorzichtig.
Jacob doorzocht de rest van de woning en zag dat Van Opperdoes een rood paspoort in zijn handen had. ‘Is het een Nederlands paspoort?’
De oude rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Het lijkt erop, inderdaad. Maar het is Albanees.’
Hij zag dat de papieren zijkant bebloed was. Heel voorzichtig liet hij het boekje een beetje openvallen, waardoor hij kon zien dat enkele bladzijden ook met wat rode vegen waren besmeurd. Hij kon, met wat moeite, de foto zien in het paspoort. Het was ontegenzeggelijk de dode man uit de kelder.
‘Het is inderdaad van de vermoorde man.’
‘Kun je een naam lezen? Dan zijn we al een stuk verder.’
Van Opperdoes hield het paspoort schuin. ‘Durim Bilota. Geboren in 1974.’
‘Zegt me niks. Ik trek hem wel even na.’
Jacob pakte zijn telefoon en belde met de afdeling van het hoofdbureau, die hem snel alle gegevens over de naam kon geven. Ondertussen wenkte hij de jonge agent. ‘Wil jij de technische recherche waarschuwen? Vragen of ze met spoed komen?’
De jonge agent knikte en verdween enthousiast pratend in zijn portofoon de gang op.
Van Opperdoes nam de portemonnee op en keek ook daar voorzichtig in. Niet veel bijzonderheden, wat pasjes en Nederlands en waarschijnlijk Albanees geld.
Hij draaide het paspoort nog eens om en om. Het leek inderdaad op een Nederlands paspoort. Durim Bilota had er een plastic hoesje omheen gevouwen, kennelijk om het netjes te houden. Van Opperdoes legde beide bescheiden terug op de tafel, op dezelfde plek waar hij ze had aangetroffen.
Jacob bekeek de rest van de woning, maar zonder dat hij kastjes of lades openmaakte.
‘Moeten we verder zoeken?’
Van Opperdoes knikte langzaam.
De jonge agent kwam terug de woning in. ‘Ze zijn onderweg.’
De oude rechercheur keek hem peinzend aan. ‘Vertel eens… wij hoorden dat ene Menno Post in deze woning verbleef.’
‘Dat klopt.’
‘Hoe weet jij dat?’
De agent fronste. ‘Dat werd erbij gezegd. In die anonieme tip stond dat er iemand dood lag in de woning, en dat het mogelijk degene was die er woonde. Ene Menno Post. Er liggen nog wat papieren met zijn naam erop. En de buren hebben het ook bevestigd.’
‘Dat hebben jullie nagevraagd?’
‘De man beneden, op één hoog, kende hem. Menno is een keurige bewoner, niemand had ergens last van.’
‘Behalve dat hij de woning als opslagplaats gebruikte. Heb je ook gevraagd wanneer hij hem voor het laatst heeft gezien?’
De agent knikte. ‘Natuurlijk. Hij had hem een paar dagen niet gezien. Alleen vanmiddag, een paar uur geleden, heeft hij iemand op de trap gehoord. Maar hij heeft niet gezien wie dat was.’
Van Opperdoes glimlachte dankbaar. ‘Je hebt goed gewerkt, jongen.’
De agent straalde. ‘Dank u!’
‘En ik wil graag al je bevindingen heel uitgebreid teruglezen in een proces-verbaal.’
Nu keek de agent wat beteuterd, want dat leverde een hoop werk op. ‘O, ja, natuurlijk…’
Van Opperdoes keek op zijn horloge. Het was inmiddels al tegen vieren. Nog een paar uur, dan zouden ze de ontmoeting met Menno Post hebben, maar hij betwijfelde of die door zou gaan. Als Menno inderdaad zo goed geïnformeerd was als iedereen zei, dan wist hij waarschijnlijk allang dat de politie in zijn woning was geweest en het paspoort van de vermoorde man had gevonden.
Die zou waarschijnlijk vluchten.
‘Jacob, mag ik jouw telefoon even?’
Van Opperdoes nam de telefoon aan en belde een nummer.
‘Met Hansen.’
‘Meneer Hansen, met Van Opperdoes.’
‘En?’
‘Het klopt inderdaad. Verdovende middelen, maar bovenal het paspoort van de vermoorde man. Een Albanees.’
Hansen bromde. ‘Albanese maffia waarschijnlijk. Hier gekomen om pillen te kopen, dat is fout gegaan. Post vermoordt de Albanees. Simpel. Stammenoorlog. Menno Post even oppakken, ik krijg hem wel veroordeeld, laat dat maar aan mij over. Ik geef u hierbij toestemming tot aanhouden buiten heterdaad. Mooi. Zaak opgelost. Kan ik nog iets voor u doen?’
Van Opperdoes keek naar het paspoort op de hoek van de tafel. ‘We willen hier graag een doorzoeking doen, samen met de technische recherche. We zijn nu binnen op grond van hulpverlening en de Opiumwet, maar we mogen natuurlijk pas grondig doorzoeken met een rechter-commissaris erbij.’
‘Ik ga nu meteen bellen. Hij komt er straks aan, ga daar maar van uit.’
‘Dank u. Tot ziens.’
Van Opperdoes wilde ophangen, maar Hansen was nog niet klaar.
‘Meneer Van Opperdoes… wanneer verwacht u Menno Post vast te hebben zitten?’
Van Opperdoes aarzelde een seconde. De vondst van het paspoort had de hele situatie veranderd. Dat Menno vanavond zou komen konden ze wel vergeten.
‘We gaan ons best doen. Tot nu toe heeft hij zich aardig schuil kunnen houden.’
‘Ik weet zeker dat u uw best doet en dat het u gaat lukken.’
En met die woorden hing hij op.
Van Opperdoes gaf de telefoon terug aan Jacob.
‘En?’ vroeg die.
‘Hij belt een rechter-commissaris die de doorzoeking kan leiden.’
‘Goed zo. Dan wachten we daarop.’
Peter van Opperdoes keek bedenkelijk. ‘Hij zei dat de rechter-commissaris er zo aan zou komen.’
Jacob trok een wenkbrauw omhoog. ‘Echt? Normaal gesproken duurt dat uren. Als ze überhaupt al zin hebben om te komen.’
De oude rechercheur trok zijn schouders op. ‘Kennelijk heeft een ZwaCri-officier wat meer invloed dan onze eigen officieren.’
‘Dan heeft het in ieder geval nog zijn voordeel dat Hansen zich de zaak heeft toegeëigend. Wat zei de officier verder?’
‘Hij klonk nogal opgelucht.’
‘Kan ik me voorstellen. Weer een moord opgelost.’
Maar Van Opperdoes gaf geen antwoord. Hij keek naar de tafel in het midden van het appartement, waar een schaakbord op lag.
‘Lag dat er net ook al?’
Jacob draaide zich om. ‘Wat?’
‘Dat schaakbord.’
‘Ja, natuurlijk. Dacht je dat het net uit zichzelf naar binnen is komen fietsen?’
Van Opperdoes schudde langzaam zijn hoofd. ‘Vreemd. Nee, natuurlijk… maar het valt me nu pas op.’
‘Wat heb jij de laatste tijd met schaakborden?’
De oude rechercheur reageerde afwezig. ‘Niks. Ik weet het niet.’
Jacob zag de blik in zijn ogen, en wist dat Van Opperdoes ver weg was met zijn gedachten. ‘Ik wacht beneden op de tr, goed?’
Van Opperdoes knikte traag en bleef midden in de kamer staan, zijn blik nu eens op het schaakbord, dan weer op de tafel met daarop de pillen en het paspoort.