‘Zie. De duisternis is verdreven. Letterlijk, maar niet figuurlijk.’
Peter van Opperdoes keek naar de lampen die de hele kruising van de Lijnbaansgracht met de Gietersstraat in een nietsontziend licht zetten. Mannen in witte pakken zwermden om het lichaam van Harry.
Zijn opmerking was er een voor zichzelf, want Jacob stond verderop te overleggen met Hugo Pastoor, die leiding gaf aan de technische onderzoekers.
De oude rechercheur was, net als de eerste keer, op het trapje gaan zitten. Zijn gezicht stond op onweer. Een silhouet kwam zijn richting op, onherkenbaar door het felle licht van de technische recherche.
‘Zo, Van Opperdoes… gaat het?’
Commissaris Van Straaten droeg een lange regenjas, die hem het uiterlijk verschafte van een slechte Amerikaanse privédetective die in het holst van de nacht over straat slentert.
Van Opperdoes knikte gelaten, maar de blik op zijn gezicht zei de commissaris genoeg.
‘Ik heb begrepen dat de man die daar nu ligt, vrij was om te gaan?’
Van Opperdoes reageerde wrevelig. ‘Waarom deze vraag? Gaat het nu om het volgen van de regeltjes? Is het belangrijk of Harry nog officieel vastzat of niet?’
Van Straaten haalde zijn schouders op. ‘Ik wil graag antwoorden hebben, als mij vragen worden gesteld. Dat ik niet met mijn mond vol tanden sta als de officier van justitie weer eens belt.’
‘Heeft die gebeld?’
Van Straaten knikte.
‘Welke officier?’
‘Hansen. Hij was er snel bij, moet ik zeggen.’
Van Opperdoes liet zijn hoofd iets zakken.
‘Hij hoeft zich niet druk te maken over vervelende vragen. Harry was inderdaad door mij heengezonden. We waren klaar met hem, hij had ons iets aangewezen in dit pand. Dat hebben we ook gevonden, trouwens. Wapens en verdovende middelen.’
Van Straaten keek onderzoekend. ‘Dus je hebt hem heengezonden omdat hij je geholpen heeft bij het onderzoek?’
‘Dat is juist, commissaris.’
Van Straaten keek verongelijkt. ‘Je hoeft niet ineens zo formeel tegen me te doen. Ik wil alleen de boel op een rijtje hebben, om antwoord te kunnen geven.’
De oude rechercheur maakte een geïrriteerd handgebaar. ‘Als het maar niet gaat om indekken. Dat is waar bazen tegenwoordig alleen maar mee bezig schijnen te zijn. Indekken en de boel verkopen.’
Van Straaten zweeg even, totdat de meeste denkbeeldige stoom uit de oren van Van Opperdoes verdwenen was.
‘Goed, je hebt hem heengezonden. Hij heeft jullie iets aangewezen, en toen…’
‘Toen is hij naar buiten gegaan. Jacob en ik bleven binnen, omdat we bij de wapens en de pillen wilden blijven. Toen Harry naar buiten ging, is hij even verderop in de straat vermoord.’
‘Geen dader natuurlijk? Sporen? Getuigen?’
Van Opperdoes schudde lijdzaam zijn hoofd.
‘Heb je dan misschien enig idee wie de dader kan zijn?’
De oude rechercheur keek met lege ogen naar de commissaris en hief zijn handen omhoog. ‘Veel vraagtekens…’
Van Straaten keek naar de overkant van de Lijnbaansgracht. ‘Hansen had het over ene Menno Post.’
Van Opperdoes klonk verrast. ‘Heeft hij die naam genoemd?’
‘Een mogelijke verdachte, begrijp ik? Hij was daar vrij stellig in.’
‘Menno Post is inderdaad een mogelijkheid.’
Van Straaten zuchtte. ‘Zorg dan dat hij snel wordt gevonden. Als ik word gebeld, wil ik in ieder geval kunnen zeggen dat er iemand is aangehouden. En dan is die officier ook weer tevreden.’
Van Opperdoes antwoordde scherp. ‘Ik ga niet iemand aanhouden omdat we zo nodig vragen van officieren moeten kunnen beantwoorden. Ik zoek de dader van twee moorden.’ Hij maakte een kort armgebaar. ‘Als dat Menno Post blijkt te zijn, des te beter. Maar misschien is hij de dader niet.’
Van Straaten zette zijn bril op, en haalde een aantekenboekje uit zijn binnenzak. ‘Ik citeer: “Menno Post moet ten spoedigste aangehouden worden, op bevel van mij, Otto Hansen. Alle activiteiten van de rechercheurs in kwestie moeten daarop gericht zijn.” Einde citaat.’
Hij keek Van Opperdoes aan, loerend over de rand van zijn bril. ‘Ik kreeg de indruk dat er met deze officier weinig ruimte voor discussie overblijft. Sterker nog… als jij niet heel snel resultaat boekt, trekt hij het onderzoek bij je weg, en geeft het aan een ander team.’
‘En dat kan zomaar?’
Van Straaten ging naast Van Opperdoes zitten. ‘Heb jij niet gemerkt dat officieren van justitie zich steeds meer met de opsporing gaan bemoeien in plaats van met de vervolging?’
Van Opperdoes snoof. ‘Dat opsporen moeten ze aan ons overlaten.’
‘Dat doet hij toch? Je mag Menno Post helemaal zelf opsporen.’
De oude rechercheur schudde misnoegd zijn hoofd. ‘Daarmee verliezen we kostbare tijd. Nogmaals, ik zoek de moordenaar. Mocht dat Menno Post zijn…’ Hij maakte een berustend gebaar.
De commissaris klopte Van Opperdoes bemoedigend op zijn schouder en stond op. ‘Ik zal Hansen bellen en zeggen dat je alles op alles zet. Daar lieg ik toch geen woord van?’
‘Als je hem maar niks belooft over Menno Post.’
Van Straaten zuchtte moedeloos. Onbegonnen werk om deze oude hond nog nieuwe kunstjes te leren, bedacht hij. Toch wilde hij nog niet opgeven.
‘Als je hem tegenkomt, heb je dan wel genoeg verdenking om hem aan te houden? Kan hij aangemerkt worden als verdachte?’
Van Opperdoes wees op het aantekenboekje van de commissaris. ‘Volgens mij is dat aanmerken al gedaan door de officier. Dus ja, dan wordt hij aangehouden.’
Van Straaten borg zijn boekje opgelucht weg. Op deze manier kon hij Hansen tenminste even van zich afhouden, zonder te liegen.
Van Opperdoes glimlachte. ‘Dat was ik toch al van plan, hoor.’
‘Je bent een goed mens,’ antwoordde Van Straaten, voordat hij met een groetend handgebaar doorliep, de Lijnbaansgracht af.
Peter van Opperdoes verzonk in gedachten. Hij keek naar het lichaam van Harry, die nog steeds op straat lag, met het bankbiljet in zijn verkrampte hand. Zelfs toen hij onverhoeds werd aangevallen, had hij het biljet stevig vastgehouden. Hij was ervan overtuigd dat Harry onderweg was om wat te eten te halen. Van Opperdoes verborg zijn gezicht in zijn handen.
Niemand verdiende het om vermoord te worden, maar deze moord vond hij toch wel buitengewoon wrang. Bovendien… waarom moest Harry dood? Hij had de kamer toch al aangewezen? Of wilde de moordenaar een getuige uit de weg ruimen? Wist Harry misschien nog meer dingen die hij hun nog niet had verteld? Dat waren de vragen die door zijn hoofd schoten.
Maar daarbovenuit steeg steeds die ene, alles verdringende vraag: was hij, Peter van Opperdoes, een goed mens? Of was het zijn schuld dat Harry nu was vermoord? Hoe diep hij er ook over nadacht… hij kwam er niet uit.
Jacob remde zacht en de auto kwam tot stilstand voor de woning van Peter van Opperdoes. Jacob keek ingespannen naar de straat en tussen de auto’s, of er zich iemand ophield.
De oude rechercheur zat met zijn hoofd achterovergeleund en had zijn ogen dicht, maar kennelijk sliep hij niet, want toen Jacob stilstond, zei hij zonder zijn ogen te openen: ‘Zijn we er?’
‘We zijn er.’
Een vermoeide glimlach gleed over het gezicht van Van Opperdoes, terwijl hij langzaam zijn ogen opendeed. ‘Mooi, ik ben ook best wel moe.’
‘Het is ook laat.’
Van Opperdoes opende de deur en stapte uit. ‘Ga je nog een patatje oorlog halen?’
Jacob schudde zijn hoofd. ‘Hugo Pastoor heeft een zak met broodjes laten komen, en allerlei snoep. Prima idee van die jongens van de technische recherche. Als je uren achter elkaar in de kou staat te werken… dan smaakt zoiets hemels.’
‘Net zo goed als een patatje.’
‘Bijna. Wat gaan we morgen doen?’
Van Opperdoes dacht daar even over na. ‘Michael Zand opzoeken.’
Jacob schoof overeind in zijn stoel. ‘Zei Van Straaten niet dat we Menno Post moesten oppakken van de officier?’
‘Klopt. Daarom gaan we Michael Zand zoeken,’ grijnsde Van Opperdoes vals.
Jacob zette de auto in de eerste versnelling. ‘Het is dat je zo oud bent, anders had je van Van Straaten hoogstpersoonlijk een schop onder je kont gekregen.’
‘Hoef ik niet bang voor te zijn, inderdaad. Maar niet omdat ik oud ben… nee, omdat hij zo oud is. Het lukt hem niet eens meer, om mijn kont te raken.’
Jacob moest lachen. ‘Welterusten, ouwe anarchist.’
‘Truste, Jacob.’ Hij klopte op het dak van de recherchewagen, ten teken van afscheid.
Maar Jacob reed niet weg. Hij wachtte tot zijn collega veilig binnen was en reed toen nog een extra rondje over de Brouwersgracht, om er zeker van te zijn dat niemand zich ergens schuilhield.
Pas toen ging hij naar huis.
Van Opperdoes zag Jacob aan de overkant van de Brouwersgracht rijden en sloot met een glimlach de gordijnen.
‘Zo, en nu wij, Peter,’ sprak zijn vrouw streng. ‘Wij moeten even een serieus gesprek voeren.’
Peter van Opperdoes klikte het licht in de woonkamer uit en slofte naar de slaapkamer. ‘Wat bedoel je?’
‘Dat stomme schuldgevoel van jou.’
Van Opperdoes schokschouderde. ‘Gewoon.’
‘Nee, Peter van Opperdoes, dat is niet gewoon.’
Hij moest glimlachen. Als zijn vrouw zijn hele naam gebruikte, wist hij precies hoe laat het was. ‘Ik voel dat nou eenmaal.’
‘Nou, hou er maar mee op, want het helpt je niks,’ wees ze hem terecht.
Van Opperdoes zakte op het bed. ‘Harry had niet dood gehoeven. Het was een crimineeltje, maar geen slechte jongen.’
‘Peter… jij weet toch wel beter dan dat? Hoeveel onschuldige slachtoffers heb jij wel niet meegemaakt? Hoe vaak hebben wij ’s avonds niet zitten praten over zaken die je in behandeling had? De dood is niet kieskeurig. De dood is niet rechtvaardig.’
De oude rechercheur zei niets. Hij keek zuchtend op de klok naast zijn bed. Het ging een kort nachtje worden, zo laat was het alweer.
‘Ik weet het, lieverd van me.’
‘En dan nog iets… als je denkt dat het jouw schuld is, dan denk je vast ook dat je het had kunnen voorkomen, dat jij kunt beslissen over dood of leven. En geloof me, Peter… ik hou zielsveel van je, en ik geloof in je met heel mijn hart… maar…’
Hij voelde haar glimlach. ‘Ik weet het… die kracht heb ik niet. Er is er maar één die die bezit. Toch?’
‘Precies. Dus hoef je je ook niet schuldig te voelen. Dingen gaan zoals ze gaan, en jij noch ik kan daar invloed op uitoefenen.’
Een plotselinge rust kwam over Van Opperdoes, niet te vergelijken met de vermoeidheid die hij ook voelde.
‘Harry is je toch dankbaar,’ stelde zijn vrouw hem gerust.
‘Zeg hem maar dat ik zijn moordenaar zal vinden. Dat is toch het minste wat ik kan doen.’
‘Dat weet hij al,’ zei ze glimlachend.
Een paar uur later opende Peter van Opperdoes langzaam zijn ogen. Hij was de hele nacht met de moorden bezig geweest, maar tot zijn stomme verbazing voelde hij zich volkomen uitgerust, en het was pas halfzeven. Hij overdacht wat hem die nacht bezig had gehouden.
In ieder geval had de dood van Harry alles veranderd. Het was een onnodige moord, vond hij. En omdat Harry bijna onder hun ogen was vermoord, voelde het bovendien alsof de moordenaar hem persoonlijk had uitgedaagd.
Hij schoof de gordijnen open. Een waterig lentezonnetje scheen al over de Brouwersgracht. De oude rechercheur sjokte naar de keuken en smeerde een bruine boterham met lekker veel roomboter. Hij weifelde even tussen de oude kaas van de biologische markt op de Noordermarkt of een plak worst van Danny Reinhart, een van de lekkerste slagers uit de binnenstad. Hij glimlachte, belegde de ene helft met oude kaas en de andere helft met ossenworst.
Het koffiezetapparaat pruttelde zachtjes, en met een dof plofje vielen de laatste druppels in het ouderwetse filterzakje. Een dun straaltje koffie liep in de pot en Van Opperdoes wachtte geduldig tot hij een kopje kon inschenken. Hij schoof de stoel in de richting van het raam met uitzicht op de gracht, en nam een hap van zijn boterham. Een paar kleine dingen had hij vannacht dan misschien op een rijtje kunnen zetten, maar er bleven veel te veel onbeantwoorde vragen over.
Cathelijne de Wind, de schouwarts, had bij het onderzoek aan het lichaam vastgesteld dat Harry met één enkel schot in het achterhoofd was gedood. De kogel was later die nacht teruggevonden in de bumper van een auto die verderop in de straat geparkeerd stond.
Hugo Pastoor, leider van de technische recherche, had bij een eerste voorlopig onderzoek aan de kogelpunt geconstateerd dat het om hetzelfde kaliber ging dat was gebruikt bij het eerste slachtoffer in de kelder.
Van Opperdoes kauwde nadenkend op zijn boterham. Mocht dat inderdaad blijken te kloppen, dan zat het moordwapen dus niet tussen de wapens die ze vannacht in de sporttas hadden gevonden. Nu hij erover nadacht… dat was de enige conclusie geweest die hij vannacht had kunnen trekken, en dat was behoorlijk teleurstellend. Voor de rest waren er alleen maar vragen en mogelijke scenario’s van de toedracht.
Hij nam het laatste stukje brood, zette het bordje en het kopje in de keuken, zocht zijn spullen bij elkaar en trok zijn jas aan. Hij sloot de voordeur stevig af en liep de Brouwersgracht op, in de richting van de Raampoort. Zelfs in die korte tijd was de zon al een stuk feller gaan schijnen. Het leek een mooie dag te worden.
Bij het bureau Raampoort stond wachtcommandant Jan Rozenbrand in de deuropening.
Peter van Opperdoes begroette hem vrolijk.
‘Ben je nu alweer hier? Heb je wel een huis of slaap je in de cel, zonder dat iemand het weet?’
Rozenbrand glimlachte. ‘Al het personeel is de straat op. En er moet toch iemand het fort verdedigen?’
Van Opperdoes stapte het bureau in.
‘O, ja…’ riep Rozenbrand hem na. ‘Er heeft iemand voor je gebeld.’
‘Wie?’
‘Hij wilde zijn naam niet zeggen. Het was dringend. Hij klonk gehaast… gejaagd.’
‘Moet ik terugbellen?’
Rozenbrand maakte een kort gebaar. ‘Heb ik gevraagd, maar hij wilde zijn nummer niet geven.’
De oude rechercheur haalde zijn schouders op.
‘Dan niet. Als het echt dringend is, belt hij nog maar een keer…’
Hij sjokte de trap op en hing zijn montycoat op het haakje achter de deur. Op dat moment rinkelde zijn telefoon.