Hoofdstuk 13

Zo in het donker bezat het gebouw een extra naargeestige uitstraling. Het torende hoog boven de Lijnbaansgracht uit, en leek zich ieder moment als een monster op de rechercheurs te kunnen storten. Flarden wolken lieten af en toe een glimp van de maan zien.

Met een koevoet probeerde Jacob het hek zo ver te openen dat Van Opperdoes en Harry zich erdoorheen konden wurmen.

‘Waarom hebben we hier geen sleutel van?’ mopperde hij.

‘Omdat de beheerder van het pand ergens heel ver weg woont, en het te lang duurt voordat we die dan hebben. Het gaat toch goed zo?’ hijgde Van Opperdoes, terwijl hij zijn been over het onderste stuk van het hek tilde.

Harry glipte er zonder problemen tussendoor, met zijn magere lijf. Hij wachtte geduldig tot beide rechercheurs door het hek waren.

‘Als je wegloopt, stuur ik Wesley achter je aan,’ waarschuwde Jacob.

Harry maakte een geruststellend gebaar. ‘Ik loop niet weg. Ik ben misschien wel een junk, maar een junk heeft ook een erewoord, rechercheur.’

Jacob knipte zijn zaklamp aan. ‘Ga jij maar voor. Jij weet de weg.’

Harry gleed als een aal door de vertrekken van het lege fabriekspand. Hij wist bijna blindelings de weg, zodat hij regelmatig even op de twee rechercheurs moest wachten. Bij de trap naar de kelder wachtte hij even.

Jacob liet zijn licht naar beneden schijnen. ‘Hier is het.’

Harry schudde zijn hoofd. ‘Maar dit is niet de plek die ik bedoel.’

Hij liep door naar een tweede ruimte van het pand, waar een bijna onzichtbare doorgang was naar weer een ruimte daarachter. In de duisternis bevond zich ook een trap die omlaag ging. Harry wees naar beneden.

‘Hier zat hij vaak.’

‘Hoe lang zat hij al hier? Voordat hij werd vermoord?’

Harry dacht na. ‘Kort. Een dag of twee, denk ik.’

Jacob liet de straal van de zaklamp over de deur schijnen. Hij klemde de lamp onder zijn arm en deed plastic handschoenen aan. ‘Laten we maar eens gaan kijken dan.’

De deur was afgesloten, maar met de koevoet had Jacob hem zo open.

‘Het lijkt wel een cel…’ mompelde hij.

Zijn zaklamp verlichtte de kleine kamer, die misschien als een soort opslagruimte dienst had gedaan. In een hoek lag een matras met een groezelige deken er half overheen. Een pak met vijf flesjes mineraalwater stond op de grond, met daarnaast een zak chips en wat snoep. Een halfleeg flesje stond naast de matras.

Jacob doorzocht de kamer. In een hoek stond een halfopen sporttas, waar op het eerste gezicht kleding in zat. Jacob wenkte Van Opperdoes, die de zaklantaarn overnam.

Hij opende de tas voorzichtig en tilde de kleding iets op. Twee glinsterende zilverkleurige pistolen werden zichtbaar. Daaronder stonden drie doosjes met kogels.

‘Zo, zo…’

Van Opperdoes scheen iets verderop met de lamp. ‘En kijk daar eens?’

Jacob schoof het plastic boodschappentasje dat Van Opperdoes verlichtte naar zich toe en keek erin. Een doorzichtige plastic zak met kleine witte pilletjes kwam tevoorschijn.

‘Hij kwam ze brengen… of hij kwam ze halen.’

Van Opperdoes overdacht wat hij kon doen. Het slachtoffer had hier dus een paar dagen doorgebracht. Hij scheen op het halflege waterflesje.

‘Bel de technische recherche. Er vallen hier heel wat sporen te vinden. Vingerafdrukken op dit flesje bijvoorbeeld.’

Traag beklom hij de trap, waar Harry hem boven opwachtte. De knieën van de junk trilden, terwijl hij op de bovenste tree van de trap zat. Met een kleine verontschuldigende glimlach probeerde hij ze stil te krijgen, door zijn handen erbovenop te leggen.

‘Koud?’ wilde Van Opperdoes weten.

Harry knikte. ‘Best wel. En honger ook.’

Van Opperdoes keek in de ogen van de kleine junk, die bedeesd naar hem opkeek.

‘Hebt u iets gevonden?’

Van Opperdoes knikte langzaam.

‘Mooi zo. Daar ben ik wel blij om. Ik zei toch dat ik mijn woord zou houden.’

De oude rechercheur draaide zich om en ging naast Harry zitten. ‘Dat waardeer ik ook, Harry. Beloof me dat je de komende tijd schoon blijft. Laat die troep toch met rust.’

‘Zo vaak geprobeerd…’ antwoordde Harry hoofdschuddend. ‘Ik wil wel, maar…’

Van Opperdoes dacht even na. ‘Jouw woord is je woord, toch?’

Harry glimlachte vreugdeloos. ‘Mijn woord is het enige van waarde dat ik nog heb, meneer Van Opperdoes.’

Van Opperdoes trok zijn portemonnee uit zijn binnenzak en haalde er een briefje van twintig euro uit.

‘Dan wil ik je woord. Beloof me dat je er eten voor koopt. Niks anders.’

Harry keek hem ongelovig aan. ‘Na… natuurlijk.’

Hij nam voorzichtig het biljet van de oude rechercheur aan.

‘Ik beloof het.’

Van Opperdoes wees achter zich. ‘Ik hoorde dat hier niet ver vandaan een goed Indonesisch eettentje zit. Veel en goed eten, voor weinig geld. Zijstraat van de Lindengracht.’

Harry borg de twintig euro zorgvuldig weg. Hij aarzelde even, voordat hij opstond. Met zijn handen op elkaar keek hij naar de oude rechercheur, die over zijn knieën wreef.

‘Moet ik… eh… zal ik me dan straks weer komen melden?’

Van Opperdoes haalde diep adem en liet de lucht langzaam weer naar buiten glijden.

‘Ga morgen naar de ggd, Harry. Vraag naar Cathelijne de Wind, zeg dat ik je heb gestuurd en zorg dat je in een afkicktraject komt.’

Harry knipperde een paar keer met zijn ogen, stak toen zijn hand uit. Zonder verder iets te zeggen, schudde hij de hand van de oude rechercheur en liep toen weg. Hij keek bij de deur nog een keer om, alsof hij verwachtte dat hij teruggeroepen zou worden, dat het allemaal een geintje was. Maar Van Opperdoes keek hem al niet meer na. Harry zwaaide nog even, en verdween toen in de duisternis van de nacht.


Peter van Opperdoes wreef over zijn knieën, toen Jacob de trap opkwam en verbaasd om zich heen keek.

‘Waar is Harry?’

De oude rechercheur maakte een weids gebaar en ontweek Jacobs blik. ‘Weggerend, volgens mij.’

Jacob zuchtte. ‘Is het weer zover? Die man was gearresteerd. Daar heb ik mijn benen voor uit mijn lijf gelopen.’

Van Opperdoes grijnsde. ‘Goed voor je. Kun je weer een patatje… hoe noem je jouw zo geliefde combinatie ook alweer?’

‘Een patatje oorlog. Mayonaise en satésaus bij elkaar.’

Van Opperdoes gruwde. ‘Ja, dat ja. Bah.’

Jacob keek om zich heen. ‘Hij is zeker al een tijdje weg?’

‘Nog niet zo heel lang, hoor. Als je heel hard rent haal je hem waarschijnlijk nog wel in,’ antwoordde Van Opperdoes droog.

Jacob moest lachen. ‘Laat maar gaan ook. Hij heeft ons goed geholpen. Nu hebben we vingerafdrukken van het slachtoffer. En een paar wapens.’

Van Opperdoes wreef peinzend over zijn neus. ‘Waarom zou de moordenaar die laten liggen? Wapens zijn duur. Die pillen ook.’

‘Dat kan een simpele reden hebben. Bijvoorbeeld… omdat hij niet wist dat ze er lagen.’

De oude rechercheur knikte langzaam. ‘Maar dat zou dan ook betekenen dat Menno Post de moordenaar niet is. Die zou hebben geweten dat het slachtoffer daar sliep en er spullen had rondslingeren. Die zou hij nooit hebben achtergelaten.’

Het leek een logische conclusie. Jacob liep peinzend de ruimte op en neer, toen hem ineens iets te binnen schoot. ‘Nee… natuurlijk niet! Menno was niet de enige die dat wist. Harry heeft ons toch hiernaartoe geleid? Die wist dat ook.’

Van Opperdoes knikte tevreden. ‘Klopt, Jacob. Heel goed. Dat zou dan kunnen betekenen dat de moordenaar niet iemand uit deze… laten we maar zeggen… gemeenschap is. Iemand die de moeite neemt vingertoppen af te knippen, zou zeker de wapens en de pillen hebben meegenomen.’

Jacob bromde. ‘Als het de spullen van het slachtoffer zijn, tenminste.’

Van Opperdoes keek verrast op. ‘Heel goed, Jacob. Nooit volgens de gebaande paden denken. Nooit het voor de hand liggende aannemen. Misschien zijn dit wel de spullen van de moordenaar.’

Jacob hield zijn hoofd schuin. ‘In dat geval kan het heel goed Menno Post zijn. Die weet precies waar hij iets kan verstoppen. Pfff… ik geef het op.’

Van Opperdoes schudde ook vermoeid zijn hoofd. Elke oplossing leverde weer een nieuwe mogelijkheid op. Niets was wat het leek in deze zaak.

Een diepe, donkere stilte viel in het pand. Jacobs zaklamp gaf het enige licht dat er nog scheen. Hij speelde een beetje met het licht en scheen over de ramen en het plafond van het grote pand.

‘Over patat gesproken, trouwens…’

De oude rechercheur begon hard te lachen. ‘Het is alweer een tijd geleden dat je gegeten hebt, zeker? Nog even geduld. Als de technische recherche er is, kunnen we wel even langs je favoriete snackbar.’

Jacobs mondhoeken krulden omhoog bij het idee.

‘Zullen we in de auto wachten? Het begint fris te worden hier.’

‘Misschien komen ze dan sneller, bedoel je.’

‘Dat ook ja.’

Hij liep naar de uitgang van het pand. Van Opperdoes verzamelde moed en trok zich aan de leuning van de trap omhoog.

‘Peter!’ Het klonk alarmerend.

Zo snel als zijn tegenwerkende gewrichten het toestonden, snelde de oude rechercheur naar de uitgang van het pand, waar Jacobs kreet vandaan kwam.

Jacob stond bij het hek, de straal van zijn zaklamp de Gietersstraat in gericht.

Midden op de stille straat lag het levenloze lichaam van Harry, zijn arm hulpeloos uitgestrekt en het biljet van twintig euro nog stevig in zijn hand geklemd.

Загрузка...