Peter van Opperdoes stond midden in het parkje van het Bellamyplein en liet zijn blik over de omgeving gaan; de brug naar de Bosboom Toussaintstraat, de oude tramremise, de bomen op het pleintje en de zijstraten richting de Ten Katemarkt en de Kinkerstraat. Ook al was het laat, het was opvallend stil in de buurt, wat Van Opperdoes vreemd vond. Meestal hoorde je toch wel iets, liepen er mensen rond of reden er auto’s langs. Nu was het doodstil en was hij de enige levende ziel in de omgeving. Tenminste… voor zover hij kon zien. Zou de stilte een voorbode van naderend onheil zijn?
Zijn telefoon ging. ‘Met Van Opperdoes.’
‘Met Jacob. Zie je al iets?’
‘Niks.’
‘Weet je zeker dat je dit wilt doen?’ Jacob klonk bezorgd.
‘We moeten het zo doen, Jacob. Ik ga kijken of ik naar binnen kan.’
Hij verbrak de verbinding, haalde diep adem en liep richting de oude tramremise.
De enorme gebouwen lagen er donker en uitgestorven bij. Sommige van de immense hallen werden nu voor opslag gebruikt, wachtend op een definitieve bestemming. Aan de zijde van de Kostverlorenvaart was een deel van de gebouwen inmiddels gesloopt om de nieuwe bestemming van de tramremise te realiseren; een groot uitgaanscentrum. Ongetwijfeld zou het een nieuwe impuls aan de buurt geven, maar nu was het er donker en somber. Inmiddels waren die plannen ook in de ijskast gezet.
Van Opperdoes slenterde een rondje om de gebouwen. Het was nog geen elf uur, maar hij wilde vast de sfeer proeven van de plek waar zo meteen de ontmoeting zou plaatsvinden. Bovendien moest hij kijken waar hij naar binnen kon, want zo op het oog zat alles dicht.
Het grote hek aan de zijde van het Bellamyplein leek gesloten, maar toen hij met zijn schouder tegen de ijzeren spijlen van het hek duwde, gaf het tot zijn verbazing mee. De oude rechercheur liep naar binnen en zag verderop dat een van de enorme deuren van de remise half openstond.
Langzaam liep hij naar de deur en keek door de smalle opening naar binnen. Een enorme hal, amper verlicht door het stadslicht en de vollemaan die door het monumentale glazen dak naar binnen schenen. Binnen heerste een doodse stilte.
Een ijzige tocht joeg door de immense donkere hallen. Hij huiverde. Vreemd dat het hier zo koud was, in tegenstelling tot de lentewarmte buiten.
De rails, waarover tot een paar jaar geleden de trams de remise in reden, wezen hem de weg naar binnen. Boven zich zag Van Opperdoes een vernuftige constructie, bestaande uit veel buizen, die het dak droeg. Dat was onregelmatig gevormd en bestond voor een groot gedeelte uit glas, zodat er zachte onregelmatige lichtvlekken op de donkere vloer vielen.
Van Opperdoes liep langzaam door de hal. Zijn oren waren gespitst op ieder geluid, maar het was doodstil. Langzaam wenden zijn ogen aan het donker en zag hij meer details. Er stonden links en rechts pallets en dozen en op de vloer lagen dikke kabels elektriciteitsdraad, planken en stukken los steen. Hoe dieper hij binnendrong in de onvoorspelbare spelonken van de oude remise, hoe ongemakkelijker hij zich begon te voelen.
Hoog boven hem verscheurde een fladderende vogel of vleermuis de donkere stilte. Boven zich, op een meter of vijf hoogte, zag hij een lange balustrade die in de duisternis verdween. Ter hoogte van de deur waar hij binnen was gekomen, zat een trap die naar de balustrade leidde.
Plotseling zakte de grond onder Van Opperdoes’ voeten weg. Nog net op tijd kon hij zich terugtrekken, zodat hij niet in het gapende gat viel. De tramrails gleden hier over een lange diepe geul, waar monteurs in konden staan om onder de tram te werken. Hij zag het niet meer, het was hier te donker om iets te onderscheiden.
Langzaam en met kloppend hart ging hij terug, tot hij weer in het maanlicht stond. Hij haalde diep adem en keek omhoog. Flarden wolken dreven voor de vollemaan langs.
Van Opperdoes voelde zijn hart in zijn keel kloppen.
Ergens… ergens in dit gebouw wachtte iemand.
‘Meneer Van Opperdoes!’
De stem klonk hard door de lege ruimte. Van Opperdoes keek om zich heen, maar hij zag niemand. Hij kon niet bepalen waar het geluid vandaan kwam.
‘Dat ben ik,’ antwoordde hij rustig.
‘Bent u alleen?’
‘Zoals je ziet, Menno.’
‘Ik kom eraan.’
Van Opperdoes draaide een rondje om zijn as. Door de lege ruimte en de weerkaatsingen van het geluid, kon hij er niet achter komen waar Menno zich bevond. Dat was een voordeel.
‘Menno…’
‘Ja?’
‘Blijf maar even waar je bent.’
Een stilte volgde, waarna een argwanende Menno antwoordde. ‘Hoezo dan?’
‘Er bevindt zich iemand in dit gebouw die jou graag dood wil hebben.’
‘Wat lult u nou?’
‘Je hebt je goed schuil kunnen houden, tot nu toe. Maar je had gelijk, er zit iemand achter je aan. En diegene is nu ook binnen.’
Er viel een diepe stilte.
Van Opperdoes hoorde niets meer, maar hij voelde dat Menno nog steeds op dezelfde plek zat. Die hield zich schuil en wist dat het waar was wat Van Opperdoes zei.
‘Hebt u me verraden?’
De oude rechercheur antwoordde scherp. ‘Natuurlijk niet. Je bent wel verraden, maar niet door mij.’
Een plotseling geluid weerklonk.
Van Opperdoes draaide zich snel om en zag dat de deur waardoor hij naar binnen was gekomen, nu was afgesloten. Hun enige uitweg was dicht.
‘Moet je de boel weer eens verpesten, Van Opperdoes?’ klonk een tweede stem.
De oude rechercheur sloot even zijn ogen. Dit was waar hij op had gewacht.
Op de balustrade klonken voetstappen. ‘Blijf rustig staan waar je staat. Ik heb je onder schot.’
Van Opperdoes probeerde naar boven te kijken, maar door de duisternis kon hij niets ontdekken op de balustrade en de verdieping daarachter. Er waren wel honderd plekken waar de schutter kon staan.
‘Hé, Post! Kom eens tevoorschijn!’
Het bleef lang stil, voor er een antwoord van Menno Post kwam.
‘Ben jij gek? Denk je dat je de enige bent met een wapen?’
De stem op de balustrade schamperde. ‘Interessant. Dus jij komt gewapend naar een afspraak met een rechercheur toe? Ik denk het toch niet. Kom nou maar tevoorschijn. Het kan lang of kort duren, ik vind je toch wel. Je kunt geen kant op.’
Er klonk een geluid, ongeveer dertig meter van Van Opperdoes vandaan, alsof iemand een beweging maakte en daarbij iets omgooide. Meteen klonk vanaf de balustrade een schot.
‘Ik zei toch dat je geen kant op kon?’
Van Opperdoes was geschrokken van de enorme knal, maar herstelde zich snel. ‘Blijf weg, Menno. Je zit daar veilig. De enige die geen kant op kan, is hij.’ Hij keek naar boven. ‘Ik zou dat wapen gewoon wegleggen, als ik jou was.’
Een korte lach klonk. ‘Jij durft wel, Van Opperdoes. Verdomme, wat ben je toch een eigenwijs mannetje! Ik heb je nog wel zo gewaarschuwd. Voor je huis, weet je nog? Ik zei toch dat alles anders zat dan je dacht?’
‘Ja, dat heb ik hem ook gezegd!’ riep Menno Post.
Van Opperdoes zweeg.
De stem van boven riep weer. ‘Hé, zullen we het eens omdraaien, Van Opperdoes? Als Menno niet tevoorschijn komt, schiet ik jou neer. Hoe vind je die?’
‘Dat doe je niet, Frits.’
Het was heel even stil. Toen klonk de stem weer. ‘Wat moet, dat moet, Van Opperdoes. Menno, hoor je me? Ik schiet hem neer.’
‘Wat kan mij die smeris schelen? Niks!’ schreeuwde Menno vanuit zijn schuilplaats omhoog.
‘Maar mij kan hij wel wat schelen.’
Een droge klik klonk op de balustrade, toen Jacob de haan van zijn wapen spande. Voor hem zat een geknielde man op de grond, met een geweer in de aanslag. De man verstijfde door het geluid en stond vervolgens langzaam op. Hij legde zijn wapen zachtjes op de grond en stak toen zijn handen in de lucht.
‘Ik had die ouwe nooit neergeschoten, dat weet je toch?’ zei hij.
Jacob haalde zijn handboeien tevoorschijn.
‘Hij zei al dat je dat nooit zou doen. Maar ik was er niet zo zeker van. Handen achter je rug.’
De man stak zijn handen achter zijn rug en Jacob boeide hem snel.
‘Goed. Draai je om en loop voor me uit.’
De man draaide zich om, en voor het eerst zag Jacob het gezicht van Frits Zand.
‘Dat hebben jullie goed gedaan,’ zei hij sarcastisch.