Tot zijn niet geringe verbazing vond De Cock in de recherchekamer zijn oude commissaris op hem wachten. De ouwe bemoeide zich bijna nooit met zijn zaken. De Cock kon dan ook op zijn gezicht een uitdrukking van verwondering niet onderdrukken, toen hij hem in gezelschap van Vledder op een stoel voor zijn bureau zag zitten. 'Goedenavond, commissaris.' De lange, statige politiechef kwam overeind. 'Goedenavond De Cock. Ik hoorde van Vledder dat je hier om acht uur zou zijn.' Hij keek op zijn horloge. 'Het is inmiddels al bijna negen uur. Enfin, ik was toch in de buurt en ik wilde wel eens met je praten over die moord op Brets. Ik heb uiteraard jullie voorlopig rapport gelezen, maar dat is mij te summier. Ik wil meer bijzonderheden. Ik word namelijk voortdurend lastiggevallen door de heren van de pers. Ze hebben er blijkbaar lucht van gekregen dat de ontdekking van de moord op een nogal vreemde wijze heeft plaatsgevonden. En nu zoeken ze er van alles achter. Ik denk dat die portier van Het Wapen van Groenland heeft gebabbeld.' Hij richtte zich volledig tot De Cock.
'En dan zou ik verder van jou wel eens willen weten wat je van plan bent ten aanzien van die Pierre Brassel te ondernemen?' 'Niets.'
De commissaris keek hem ongelovig aan.
'Niets?'
'Nee.'
'Maar De Cock,' riep de commissaris verbijsterd, 'Die man, die Brassel, onderhoudt, althans onderhield, min of meer uitgebreide contacten met de moordenaar. Dat is toch wel duidelijk.' De Cock deed langzaam zijn hoedje af en knoopte de ceintuur van zijn regenjas los. Hij voelde in feite weinig voor een discussie met de commissaris. Het had weinig zin en hield alleen maar op. Hij ging het liefst zijn eigen gang. Maar als ondergeschikte had hij bepaalde verplichtingen. 'Dat is wel duidelijk,' herhaalde hij loom, 'maar zover ik weet is het hebben van contacten met een moordenaar niet strafbaar.' De commissaris zuchtte.
'Daar gaat het niet om,' zei hij lichtelijk geagiteerd, 'wat ik bedoel is, dat je via die Brassel op de dader had kunnen komen. Ik heb zo-even met Vledder gesproken en ik heb begrepen dat je Brassel zo zonder meer hebt laten vertrekken.' De Cock haalde zijn schouders op. 'Wat had u dan gedacht?'
'Gedacht, ge-gedacht.' De commissaris stotterde. 'Je had hem kunnen laten schaduwen.' De Cock grijnsde.
'Het zou zonde zijn geweest van de tijd en de mensen die wij daaraan hadden besteed. Pierre Brassel is niet gek, althans niet zo gek als zijn briefje doet vermoeden. Het hele plan is erop gericht om de ware moordenaar buiten schot te houden. Brassel treedt vrijwillig op de voorgrond. Opzettelijk. Het is juist zijn doel om alle aandacht op zich te vestigen. Het is een afleidingsmanoeuvre. Men behoeft werkelijk geen helderziende te zijn om dat te onderkennen.' De commissaris slikte.
'Dat laatste was geen prettige opmerking, De Cock,' zei hij streng.
De Cock boog beschaamd het hoofd.
'Sorry, meneer,' zei hij wat timide, 'het was echt niet hatelijk bedoeld. Ik wilde alleen maar duidelijk maken dat het schaduwen van Pierre Brassel weinig zin heeft.' De commissaris zuchtte diep.
'Goed,' zei hij gelaten, 'goed. Ik laat het verder maar aan jou over. In ieder geval wil ik morgenochtend een uitvoerig rapport op mijn bureau. Je weet zelf hoe lastig de jongens van de pers kunnen zijn en ik weet graag tot hoever ik met mijn mededelingen kan gaan. Ten slotte wil ik niet dat jouw onderzoek door vroegtijdige publicaties wordt bemoeilijkt.' 'Dank u,' zei De Cock.
De commissaris groette uiterst beleefd en vriendelijk en verliet waardig de recherchekamer. De commissaris was een heer en dat bleef hij onder alle omstandigheden, zelfs te midden van wat onwillig personeel. Toen hij weg was, zuchtte Vledder. 'Ik kon er echt niets aan doen,' zei hij verontschuldigend, 'echt niet. Toen ik om acht uur het bureau binnenstapte, kwam ik de commissaris in de gang tegen. Ik moest onmiddellijk mee naar zijn kamer. Hij vroeg mij van alles en nog wat en was hevig geïnteresseerd in die Pierre Brassel.' De Cock knikte.
'Volkomen begrijpelijk,' zei hij. 'Het is ook een wat vreemde geschiedenis. Bovendien is hij de chef. Hij heeft het volste recht alles te weten.' Hij pauzeerde even.
'Nu wat anders. Hoe is het gegaan in Utrecht?' De jonge Vledder schudde bedroefd het hoofd. 'Ik geloof niet,' zei hij somber, 'dat mijn reis een succes is geweest.'
De Cock keek hem geamuseerd aan.
'Hoezo geen succes?'
Vledder produceerde een bedroefd lachje.
'Ik heb uren achter Dikke Toon en zijn Marie aangelopen. Het was gewoon een kwelling. Hij week geen duimbreed van haar zijde. Gelukkig is die Dikke Toon niet snugger, anders had hij mij allang opgemerkt.'
Hij staarde peinzend voor zich uit.
'Het vreemde was dat die Marie mij vrijwel onmiddellijk in de gaten had, maar Dikke Toon niet waarschuwde. Tenminste, daar heb ik niets van gemerkt. Zie je, dat was ook de reden waarom ik besloot haar een briefje te geven.' De Cock fronste zijn wenkbrauwen. 'Een briefje?'
'Ja, dat was in een cafeetje ergens op de Oude Gracht. Ik schreef haar een verzoekje om vanavond, zonder Toon, naar de Warmoesstraat te komen. Toen Dikke Toon even naar het toilet was, heb ik het haar gegeven.' Hij maakte een hulpeloos gebaartje.
'Ik weet, dat het een gok is. Ik heb mij dat heel goed gerealiseerd. Als ze het briefje aan Toon laat zien, is alles stuk. Ik heb het er eenvoudig op gewaagd.' De Cock knikte hem bemoedigend toe. 'Het was in de gegeven omstandigheden het beste wat je doen kon. We zullen maar rustig afwachten. Bezit je ziel in lijdzaamheid.'
'Wat?'
De Cock glimlachte.
'Bezit je ziel in lijdzaamheid, dat zei mijn moeder altijd. Het is een spreekwoord dat het tegenwoordig niet erg best meer doet. Het is misschien wat verouderd.' Hij krabde zich achterin de nek. 'O ja, hoe was het met twee-zeven-een-dubbel twee-acht?' 'Niks, ik kreeg geen gehoor. Ik heb het wel driemaal geprobeerd.'
De Cock knikte.
'We moeten morgen aan de centrale in Utrecht maar eens vragen aan wie dat nummer is afgegeven. Misschien dat we op die manier… '
Op dat moment rinkelde de telefoon. De Cock nam de hoorn op. Het was de wachtcommandant. 'Hier beneden aan de balie is een dame voor je,' klonk de stem van brigadier Bijstermans. 'Het is ene Marie Zijllmakers.' 'Is ze alleen?'
'Ja.'
De Cock knipoogde tegen Vledder. 'Mooi, laat Marie dan maar bovenkomen.'
Na een bescheiden klopje dreunde Marie kordaat de recherchekamer binnen. Voor haar fragiele avondschoentjes met hoge naaldhakken was haar stap te nadrukkelijk, te weinig elegant, waardoor haar gang een wat komisch effect kreeg. Ze stevende op De Cock af. 'Ik moest komen?'
Ze was toch niet zo klein als de indruk die zij had gewekt in het bed naast het enorme dijbeen van Dikke Toon. Ze had op de keper beschouwd zelfs een aantrekkelijk figuurtje. En dat wist ze. Haar beige mantel sloot strak, te strak om haar lichaam. Een enorme bontkraag bedekte het onderste gedeelte van haar gezicht. Haar nog hijgende ademhaling had in de lange bontharen een visuele begeleiding; als een zwoele wind in een wuivend korenveld. Ze nam uit haar rechterhandschoen het verfrommelde verzoekbriefje van Vledder en legde het op het bureau. 'Nou,' zei ze wat uitdagend, 'hier ben ik dan.' De Cock schonk haar zijn liefste glimlach. 'Mijn naam is De Cock,' zei hij innemend. 'De Cock met cee-ooceekaa. En dat is mijn collega Vledder. Ik herinner mij niet dat wij ons gisteravond aan u hebben voorgesteld.' Hij stak haar glimlachend een hand toe. Ze haakte onmiddellijk in. 'En ik ben Marie Zijllmakers.' 'Hoe jong?'
Ze kirde als een schoolmeisje. 'Schat eens?' 'Twintig,' loog De Cock. Ze wiebelde wat heen en weer. 'Doe er maar vijf bij.'
De Cock plooide zijn gezicht in bewonderende verbazing en wees naar een stoel naast zijn bureau.
'Gaat u zitten,' zei hij wat plechtig, 'wij willen eens ernstig met u praten. Vandaar dat briefje. Ziet u, mijn collega en ik hadden gisteren al de indruk dat u een verstandige jonge vrouw was en dat u het niet bepaald prettig zou vinden wanneer uw vriend Toon in moeilijkheden zou geraken, of misschien nog erger. U weet wat er uiteindelijk met Jan Brets is gebeurd. En het is niet geheel ondenkbaar dat ook Toon… ' Hij maakte zijn zin niet af en peilde haar reactie.
Marie schoof haar bontkraag wat verder open. Haar felgroene ogen tastten de gelaatstrekken van de oude rechercheur af. Ze schatte de waarde die zij aan de woorden van De Cock moest hechten. Ze wist het niet precies. Inwendig voerde ze een heftige strijd. Het kostte haar moeite een haast ingeboren argwaan tegen politie en alles wat daarmee samenhing te overwinnen. De vriendelijke, bijna vaderlijke uitdrukking van het gezicht voor haar schonk wel vertrouwen. De Cock zag de strijd.
'Weet Toon dat je hier bent?'
'Nee.'
'Je hebt hem ook dat briefje niet laten zien?'
'Nee.'
'Waarom niet?'
Ze antwoordde niet direct. Ze verschoof iets op haar stoel en trok haar rokje dichter naar de knie. 'Toon is een koei.' 'Een koe.'
Ze vatte De Cocks taalkundige verbetering niet.
'Een koei, ja,' riep ze plotseling fel, 'een grote dikke stomme koei. En vraag mij niet hoe het kan, maar ik hou van die vleesberg.' Ze pauzeerde even. 'Is dat een schande?'
De Cock schudde traag het hoofd.
'Ieder mens,' zei hij ernstig, 'heeft recht op liefde.'
Ze knikte instemmend.
'Zo is het precies. Geloof me, d'r zit een goed hart in die jongen. Hij is een sul.' Ze glimlachte vertederd. 'Een grote goeie sul. Dat is-ie. D'r zit geen kwaad bij.' Haar gezicht kreeg een blijde uitdrukking. 'Het is een schat, een kind nog.' De Cock zuchtte.
'Als je nog even doorgaat,' zei hij laconiek, 'dan ga ik mij afvragen waarom dat cherubijntje van jou ooit naar deze aardse dreven is afgedwaald.' Ze keek hem niet-begrijpend aan.
'Wat?'
De Cock grijnsde.
'Ik bedoel, laten we de zaak niet overdrijven. Zo lief is jouw Toon nu ook weer niet. Tenslotte was en is hij misschien nog lid van een bende. En dat niet uit puur menselijke overwegingen.' Haar groene ogen schoten vuur.
'Dat komt door Jan Brets, die viezerik, die jutte hem steeds weer op. Brets kwam met mooie praatjes over grote klappers met veel geld en Toon luisterde met rooie oortjes. Zie je, Toon kan zelf niet denken. Hij is altijd blij wanneer een ander dat voor hem doet. Nou, Jan Brets was de man die voor hem dacht… '
Ze klemde haar lippen op elkaar. Het duurde een poosje voordat ze verder ging.
'Jan Brets met zijn geintjes en grollen, hij is dood, iemand is mij voor geweest, geloof me, anders had hij vandaag of morgen van mij een beetje rattenkruit op zijn boterham gekregen.' Ze nam een sigaret uit haar tasje en stak hem op. Haar vingers trilden. Ze blies de rook omhoog.
'Het is natuurlijk dom,' zei ze haast toonloos, 'om zoiets aan de recherche te vertellen. Maar het is maar dat je weet hoe ik over Jan Brets denk.' De Cock knikte.
'Dat is mij volkomen duidelijk,' zei hij laconiek.
'Wanneer hoorde je voor het eerst van die accountant?'
Ze kauwde peinzend op haar onderlip.
'Dat was een dag of veertien geleden. Hij noemde toen ook zijn naam, Brassel. Verder had hij het steeds over zijn goudmijntje.'
'Goudmijntje?'
Ze knikte.
'Daarmee bedoelde Jan Brets die accountant. Kijk,' legde ze uit, 'zo'n accountant komt in al die grote zaken en weet precies waar het geld is geborgen en hoeveel. Hij zou tippen en dan zou Jan met een ploeggie jongens, waaronder mijn Toon, de poen weghalen.' 'Een mooi plannetje.'
'Ja, meneer, daarom is mijn Toon er ook op afgevlogen.' De Cock knikte.
'Hoe vaak heb je die Brassel ontmoet?'
Ze legde al denkende een vinger op haar neus.
'Eén keer. Een goeie week geleden. Op een avond. Brets nam
hem mee naar het huis van Toon. Voor besprekingen.'
'En was jij daarbij?'
'Ja.'
'Jij weet dus wat er is besproken?'
'Ja.'
De Cock stond langzaam van zijn stoel op en begon door de kamer te stappen. Hij wilde haar even tijd geven om zich goed te realiseren wat ze deed. De ervaring had hem geleerd dat het in dergelijke situaties niet goed was de mensen te overrompelen, zodat ze achteraf spijt hadden van hetgeen ze hadden gezegd. Hij ging achter haar staan. 'Je weet dat Toon ons niet wilde vertellen waar die eerste inbraak zou plaatsvinden.' 'Dat weet ik.'
'En,' ging De Cock kalm verder, 'als Toon erachter komt dat je hier, bij de recherche bent geweest en hebt gekletst, dan kan je daar later een hele hoop narigheid mee krijgen.' Ze knikte nauwelijks merkbaar. De Cock zuchtte diep.
'Goed dan, Marie, wat betekende Operatie Harlekijn?' Ze draaide zich op haar stoel om.
'Krijgt Toon er echt geen last mee? Zie je, ik doe het voor hem hoor.'
De Cock keek haar strak aan. 'Er is toch nog niets gebeurd?'
Ze frommelde wat nerveus aan een verknoedelde handschoen op haar schoot.
'Nee meneer,' zei ze hoofdschuddend, 'er is nog niets gebeurd, nog niet. Maar geloof me, meneer, ik heb al die tijd mijn hart vastgehouden. Ziet u, Jan Brets had het gedaan. Ik bezweer het u. Hij zou die ouwe nachtwaker met de hockeystok hebben neergeslagen.'