De Cock streek met zijn korte dikke vingers door zijn stugge grijze haar. De wat wilde uitroep van Cynthia van Woerden had hem niet in het minst geschokt. Zijn ervaring had hem geleerd ten opzichte van dergelijke beschuldigingen bijzonder wantrouwend te zijn. Ze waren in de regel producten van opgekropte emoties. Meer gevoel dan verstand.
Hij keek naar het jonge fotomodel. Huiverend in haar badjas zat ze voor hem, een angstig mensenkind. Haar gezichtje, besefte hij ineens, was hem vertrouwd. Plotseling bedacht hij dat hij haar al honderden malen had gezien, vrolijk lachend van blijde advertenties in de krant, affiches langs de straten. Hij grijnsde wat bitter.
Zoals ze daar voor hem zat, was ze bepaald geen toonbeeld van stralende levensvreugde.
'Doe wat warms aan,' zei hij gebiedend. 'Voor mij behoef je niet mooi, noch verleidelijk of uitdagend te zijn. Ik ben een broodnuchtere ambtenaar met een ambtenarenziel.' Hij maakte een triest gebaartje. 'En daar is alles aan verspild.' Er gleed een schaduw van een glimlach over haar gezichtje. 'Een ogenblikje dan.'
Ze verdween uit de kamer en was in een paar minuten terug in een dikke slobbertrui, lange broek en muiltjes. Ze had ook het blonde haar wat geborsteld. Het hing nu los-golvend langs het hoofd neer.
'Zo,' begon De Cock, toen ze weer in haar hangmat zat, 'Fred-dy van Blaakeren heeft Jan Brets vermoord?'
'Ja.'
'Waarom?'
Ze trok haar hoofd tussen haar schouders. 'Uit haat, jaloezie.' De Cock knikte.
'En gedreven door diezelfde haat-, jaloeziegevoelens zoekt hij ook jouw dood?'
'Ja.'
De Cock plukte nadenkend aan zijn onderlip.
'Als de liefde van vriend Freddy,' zei hij zuchtend, 'omgekeerd evenredig is aan zijn haat dan moet hij heel veel van je hebben gehouden.'
Ze richtte haar blauwe ogen naar hem op. De lichte spot in zijn stem was haar niet ontgaan.
'Er zijn getuigen,' zei ze scherp. Het klonk als een terechtwijzing.
'Getuigen?'
'Ja, er zijn mensen genoeg die het Freddy hebben horen zeggen. Eerst sla ik die clown zijn hersens in en dan kom jij aan de beurt.'
De Cock schoof naar het randje van de bank waarop hij zat. Hij scheen plotseling hevig geïnteresseerd.
'Clown?'
'Ja.'
De Cock keek haar verbaasd aan.
'Noemde Freddy Jan Brets een clown?' vroeg hij verwonderd. Ze knikte nadrukkelijk.
'Clown of pias. Zie je, Freddy kon het gewoon niet uitstaan wanneer Jan in gezelschap lollig probeerde te zijn. Dan schold hij hem later uit. Hij had een hekel aan hem. Hij mocht hem niet.' Ze veranderde van toon.
'Jan was wel grappig. Hij was een vrolijke jongen. Daarom ben ik ook met hem gegaan.'
De Cock zuchtte.
'En Freddy liet je in de steek.'
'Ja, Freddy was altijd zo zwart, ik bedoel, zo humeurig en somber. Dat hield ik op het laatst niet meer uit.' 'Wanneer kwam de definitieve breuk?' Ze antwoordde niet direct. Ze stak een verse sigaret op en inhaleerde diep.
'Ik heb Freddy de laatste dagen steeds gemeden,' zei ze door een wolk van rook. 'Ik ontmoette hem weer toevallig 's middags hier in Utrecht in een bar. Dat was eergisteren. Ik heb toen gewoon gezegd dat het uit was tussen ons, dat ik nu met Jan ging en dat hij niet meer terug hoefde te komen.' Ze zuchtte. 'Het werd een hele rel.' De Cock knikte.
'En toen heeft hij in woede geroepen dat hij Jan Brets zou neerslaan en dat u zou volgen.'
'Ja.'
'Dat was dus op de dag van de moord?'
Ze knikte nauwelijks merkbaar.
'Op de dag van de moord,' herhaalde ze toonloos.
Er viel een stilte. Buiten in de Servetstraat toeterde een auto en klonk het roepen van een kind.
'Het heeft er alle schijn van,' zei De Cock na een poosje, 'dat Freddy ten aanzien van Jan Brets zijn bedreiging heeft uitgevoerd.'
Hij sprak meer tot zichzelf dan tegen de jonge vrouw voor hem. Hij wreef nadenkend met zijn hand over zijn gezicht. Zijn gedachten bouwden aan een beeld. Hij trachtte zich voor te stellen hoe het was gegaan in Amsterdam in Het Wapen van Groenland. 'Hoe wist Freddy,' vroeg hij plotseling, 'waar hij Jan Brets kon vinden?'
Cynthia keek hem verwonderd aan.
'Hoe hij dat wist? Ze zaten toch samen in het syndicaat.'
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
'Syndicaat!' riep hij verbaasd.
'Ja, een syndicaat, een organisatie om…' Ze stokte. 'Ik weet eigenlijk niet of ik het allemaal wel vertellen mag.' De Cock keek haar strak aan. 'Jan is dood,' zei hij effen. Ze knikte.
'U hebt gelijk,' zei ze wat droevig, 'het heeft nu geen enkele zin meer.' Ze wreef met de rug van haar hand een blonde lok uit haar gezicht. Het was meer dan een routinegebaar. Het scheen dat zij zich voor het eerst de dood van haar vriend bewust werd. Haar grote blauwe ogen waren vochtig. 'Jan,' zei ze zacht, haast fluisterend, 'was benaderd door iemand uit Amsterdam. Het was een man die in de zakenwereld heel goed bekend moest zijn, Hij vroeg Jan in Utrecht een soort organisatie op te bouwen, een syndicaat om goed voorbereide overvallen te doen.'
'Waarom juist in Utrecht?' onderbrak De Cock.
Ze haalde gebarend haar schouders op.
'Ik meen dat de man had gezegd dat Utrecht zo mooi centraal lag en goede verbindingen had. Het zou gemakkelijker zijn van hieruit te opereren, dan bijvoorbeeld vanuit Amsterdam.'
'Ga verder.'
'Jan voelde wel voor het plan en ging op zoek naar medewerkers. Hij kende Freddy van Blaakeren nog van vroeger. Wel, een dag of veertien geleden kwam hij hier en vroeg of Freddy wilde meedoen.'
'En?'
'Freddy had er wel oren naar en Jan werd bij ons een geregelde bezoeker.'
De Cock zuchtte.
'Met het fatale gevolg?'
Ze knikte.
'Ik vond Jan direct al veel aardiger dan Freddy. Hij was veel vrolijker. Freddy zei mij meteen dat ik beter uit de buurt van Jan Brets kon blijven. Hij was volgens hem een gevaarlijke jongen, een bruut, die al eens een moord had gepleegd.' Ze glimlachte medelijdend. 'Maar Freddy was jaloers.' De Cock knikte traag.
'En jaloerse mensen…' Hij maakte zijn zin niet af.
'Weet je,' vroeg hij, 'of er door het syndicaat al een of andere operatie is uitgevoerd?'
'Nee, volgens mij niet. Alles verkeerde nog in een stadium van voorbereiding.'
'Zijn jou nog andere medewerkers bekend? De naam Dikke
Toon wel eens horen noemen?'
Ze schudde langzaam het hoofd.
'Ik heb nooit van anderen gehoord.'
'Die man uit Amsterdam, weet je wie hij is?'
Ze schudde opnieuw het hoofd.
'Ik weet niet wie hij is. Ik heb alleen zijn naam wel eens horen noemen. Het was Brasseur, Brassel of zoiets. Precies weet ik het niet.' De Cock ademde diep.
'Luister goed, dit is belangrijk: Weet je of er nog andere mensen waren, die Jan Brets een clown of pias noemden?' Ze wuifde losjes met haar hand. 'Alleen Freddy noemde hem zo.'
De Cock bleef een tijdje zwijgend zitten. Toen pakte hij zijn hoedje van de vloer en stond moeizaam op.
'Kom,' gebood hij vriendelijk, 'kleed je netjes aan. Je gaat met mij mee.'
Ze keek verwonderd naar hem op. 'Mee?'
De Cock gebaarde wat ongeduldig om zich heen.
'Je verwacht toch zeker niet dat ik je hier alleen in dit huis achterlaat, terwijl daar ergens buiten een zekere Freddy met moordplannen rondloopt?'
Hij schudde nadrukkelijk het hoofd.
'Nee, mijn beste kind, geen denken aan. Jij gaat met mij mee naar Amsterdam. Ik weet daar wel een vriendelijk hotelletje waar je zolang kunt blijven. Dat is veiliger voor jou en beter voor mijn zielenrust.'
Ze opperde een reeks bedenkingen, maar stond uiteindelijk toch op om zich te verkleden. Ze liep naar een grote muurkast en zocht in haar uitgebreide garderobe. Vanover haar schouder keek De Cock kritisch toe. Hij zag een serie vreemde hoedjes en uitbundig minuscule toiletjes. Het maakte hem wat onrustig. De vriendelijke trekken rond zijn mond plooiden zich in grillige accolades.
'Je houdt het toch wel netjes,' zei hij burgerlijk benauwd. 'Ik heb van mijzelf al bekijks genoeg.'