6

De Cock koesterde zijn vermoeide voeten. Met zijn beide benen rustend op zijn bureau, zat hij behaaglijk achterover geleund in zijn stoel en tipte met zichtbaar genoegen de as van zijn sigaret op de pasgewreven vloer van de recherchekamer. Het zo plotseling verscheiden van de vijfentwintigjarige koopman uit Utrecht bedroefde hem niet. Hij was er niet kapot van. Hij kon bij zichzelf niets ontdekken van droefheid, leed, medelijden. Jan Johannes Brets was dood, vermoord, en daardoor was hij er ambtelijk bij betrokken. In de burgerlijke samenleving was het nu eenmaal niet toegestaan dat men zijn medemensen de schedel insloeg. Dat kon niet, dat mocht niet. De staat was er tegen.

Wat hem werkelijk intrigeerde was het raadsel, het hoe en waarom van de daad. Moorden pleegde men niet voor niets. Ze hadden altijd een achtergrond, een doel, een motief. Welk?

Hij pakte uit de binnenzak van zijn colbert een grauwe dienstenveloppe en nam daaruit een wat verkreukeld briefje. Hij gaf het voorzichtig aan Vledder die tegenover hem genoeglijk aan een verse bak koffie lurkte.

'Wat is dat?'

De Cock grijnsde.

'Gevonden onder het lijk van Jan Brets. Het kwam te voorschijn toen de broeders van de Geneeskundige Dienst het lichaam van de vloer op de brancard tilden.'

Vledder bekeek het briefje met stijgende verbazing.

'Maar dat is van Brassel.'

De Cock knikte.

'Ja, een wat vaag gesteld waarschuwingsbriefje aan het slachtoffer. Maar mijns inziens toch wel voldoende om straffeloos te zijn. Lees maar.' Vledder las hardop.

'Geachte heer Brets, ik raad u aan om woensdagavond na acht uur niet meer naar uw hotelkamer te gaan. Blijf weg. Er wacht u anders een dodelijke verrassing, ondertekend: Pierre Brassel.'

Hij gaf het briefje aan De Cock terug.

'Waar heb je het gevonden, onder het lijk?'

'Ja.'

'Niet in een van zijn zakken?'

'Nee.'

'Vreemd, vind je niet. Als Brets dat briefje normaal had ontvangen, ik bedoel, iemand had het hem gegeven, dan zou hij het toch bij zich hebben gestoken.' De Cock knikte peinzend.

'Dat is inderdaad het meest waarschijnlijk. Ik vermoed dan ook dat Jan Brets dat zogenaamde waarschuwingsbriefje zelf nooit onder ogen heeft gehad. Het werd, neem ik aan, na de moord onder het lijk gelegd, opdat wij het later bij ons onderzoek zouden vinden… '

'…en,' vulde de jonge Vledder aan, 'Brassel gevrijwaard zou worden tegen een strafrechtelijke vervolging wegens het niet waarschuwen van een man wiens leven werd bedreigd.' De Cock knikte zijn leerling goedkeurend toe.

'Zo is het Dick, zo is het precies. De makers van het plan hebben aan alles gedacht. Het is perfect, griezelig perfect. Ik zou zeggen, bijna volmaakt.' Vledder keek verrast op. 'Bijna?' De Cock woelde met zijn vingers door zijn stugge haar. 'Ze maken altijd fouten,' zei hij zuchtend, 'altijd. Er moet ook nu ergens een fout zijn.' Hij gebaarde wat loom.

'Zie je, als ik vandaag in een volmaakte moord zou geloven, nam ik morgen ontslag bij de recherche.' Vledder zat aan zijn bureau en belde al meer dan twintig minuten met het bureau Herkenningsdienst van de Utrechtse politie. De stroom van informaties die men hem verschafte, scheen niet te stuiten. Hij had moeite om alles precies te noteren. Toen hij eindelijk de hoorn op het toestel legde, slaakte hij een zucht van verlichting. 'En,' vroeg De Cock belangstellend, 'wat weten onze vrienden in Utrecht allemaal over Jan Brets te vertellen?' Vledder trok een grimas.

'Nou,' zei hij breed grijnzend, 'ze zijn in Utrecht helemaal niet rouwig om zijn dood. Als je het mij vraagt laat de commissaris daar morgen voor het gehele personeel champagne aanrukken, om het te vieren.'

De Cock lachte hartelijk.

'Is het zo erg?'

Vledder keek op zijn lijstje.

'Ja,' zei hij ernstig, 'zo erg is het. Ze hebben door de jaren heen in Utrecht heel veel last van Jan Brets gehad. Ik heb hier zijn strafblad. En dat is nogal wat. Hij heeft in zijn toch betrekkelijk korte leven kans gezien om bijna alles te doen wat Onze-Lieve-Heer hier op aarde verboden heeft. Diefstalletjes, inbraken, berovingen, alles, tot moord toe.' De Cock grijnsde. 'Een frisse jongen.' Vledder knikte.

'Inderdaad, dat kun je wel zeggen. Als ik zijn waslijst zo eens bekijk, dan heeft hij tijdens zijn leven meer in gevangenissen en inrichtingen gezeten dan dat hij er buiten was.'

De Cock keek een poosje nadenkend voor zich uit.

'Toch begrijp ik het niet helemaal,' zei hij hoofdfronzend. 'Als ik goed naar je heb geluisterd, stond er toch ook moord op zijn lijstje?'

'Ja.'

'Wat was dat voor een moord?' Vledder boog zich over zijn krabbels.

'Eens even zien. Ja, hier heb ik het. Dat was al op zijn zeventiende jaar. Tijdens een weekendverlof, hem wegens goed gedrag verleend, is hij met een achttienjarig vriendje, afkomstig uit dezelfde inrichting, ergens in Haarlem 's nachts een huis binnengedrongen. Ze hebben daar toen een oude man, die zich hevig verzette overvallen en vermoord. De gehele buit van de operatie — moord incluis — bedroeg, zo staat hier, elf gulden en drie cent.' De Cock schudde meewarig het hoofd. 'Het is erg,' zei hij zuchtend, 'heel erg. Elf gulden en drie cent, de waarde van een mensenleven.' Hij zuchtte opnieuw. 'Maar nu, nu was hij toch normaal op vrije voeten?' Vledder knikte.

'Hij was niet ontsnapt of iets dergelijks. Toen Jan Brets de dood vond, was hij vrij, net als jij en ik.' De Cock ging er eens goed voor zitten.

'Maar,' vroeg hij met lichte verbazing, 'is hij destijds voor die moord niet gestraft?' Vledder trok zijn schouders op.

'Ik neem best aan dat hij gestraft is,' antwoordde hij met een zweem van spot in zijn stem, 'maar zoals in ons vriendelijke landje gebruikelijk is, bijzonder humaan. Hij is na die moord, nog tweemaal door de rechter veroordeeld. Beide keren voor een uitgebreide serie inbraken. Het begint alweer op zijn twee-entwintigste jaar. Voor die moord zal hij dus niet zoveel straf hebben gekregen. Ik schat ten hoogste een jaar of drie.' Opgenomen in een maalstroom van gedachten, staarde De Cock een tijdlang wazig in het niets. Langzaam stond hij van zijn stoel op. 'Och ja,' zei hij wat somber, 'wat wil ik? Straf en vergelding zijn verouderde begrippen. We plegen tegenwoordig slechts medelijden te hebben en worden met de dag fideler.'

'Je bedoelt crimineler,' zei Vledder grimmig. 'Misdaad lijkt wel een vorm van vrijetijdsbesteding.' Hij snoof verachtelijk.

'Meneer, Vledder sprak met een heel gek hoog stemmetje, 'wat doet u in uw vrije tijd? O, ik? Ik ben een beetje crimineel. Elke zaterdag een pittig inbraakje voor de ontspanning en eenmaal in de maand een onschuldige moord om volledig te relaxen. Zo, en wordt u dan nooit door de politie gepakt? O, jawel, steeds. Maar ik heb een paar complexen. De psychiaters en de rechters laten me direct weer vrij. Ziet u, ik heb dat criminele nodig, voor mijn sociale aanpassing.' De Cock schoot in de lach.

'Kom, kom,' zei hij vriendelijk sussend. 'Dick, niet zo cynisch. Zo erg is het niet. Je overdrijft schromelijk. Bovendien is de berechting van misdadigers een zaak die ons niet aangaat. Daar hebben wij, als rechercheurs, niets mee te maken. En dat is maar gelukkig ook. Laten we liever onze aandacht bepalen bij vriend Jan Brets en zijn zo plotselinge dood.' Vledder knikte somber.

'Je hebt gelijk,' zei hij berustend. 'Het heeft geen zin om je daarover kwaad te maken, en misschien zie ik het toch wel te eenzijdig.'

De Cock glimlachte. 'Ik heb eens een oude rechercheur gekend, die bij elke zaak die hij kreeg te behandelen, alle duivels uit de hel vloekte. Zijn stelregel: zet alle mensen achter tralies, dan hebben wij bij de recherche tenminste een rustig leven.' Vledder keek hem verwonderd aan. 'En meende hij dat?' De Cock grinnikte.

'Ik voor mij geloof dat hij alleen maar erg lui was.'

Op dat moment rinkelde de telefoon. Vledder nam de hoorn op.

'Voor jou,' zei hij, nadat hij even had geluisterd, 'de portier van Het Wapen van Groenland.'

De Cock nam de hoorn over.

'Ja?'

'In ons telefoonboekje,' zei de portier, 'heb ik voor de heer Brets twee interlokale gesprekken staan. Beide keren naar Utrecht, nummer 271228. Ik heb opdracht de interlokale gesprekken te noteren. Ze worden de gasten namelijk later in rekening gebracht. Ik kwam ze tegen toen ik de rekening voor de heer Brets opmaakte, nou ja, de verliespost. Of dacht u dat de familie misschien nog…' De Cock negeerde de opmerking.

'Utrecht,' herhaalde hij, 'twee-zeven-een-dubbel twee-acht.' 'Hebt u er wat aan?'

'Dat is vooruit moeilijk te zeggen. In ieder geval mijn hartelijke dank.'

Hij verbrak de verbinding.

'Heb je het nummer genoteerd Dick?'

Vledder knikte.

De Cock begon door de grote recherchekamer te stappen. Hij voelde zich niet geheel op zijn gemak. Op zijn geliefkoosd plekje bij het raam bleef hij staan en keek naar buiten in de lange smalle Heintje Hoekssteeg. Op zijn voorhoofd lagen diepe denkrimpels. De moord op Jan Brets had een paar vreemde kanten. Hij was in zijn lange loopbaan bij de recherche iets dergelijks nog nooit tegengekomen. In zijn gedachten liet hij alle facetten van de zaak nog eens de revue passeren. 'Jan Brets,' zo memoreerde hij hardop, 'we mogen wel zeggen een notoire bajesklant, wordt in zijn hotelkamer vermoord. De moordenaar die hem kennelijk achter de deur stond op te wachten, slaat hem zonder meer van achteren de schedel in. Er is geen sprake geweest van een gevecht. Brets werd door de aanval volkomen verrast. Het wapen, de hockeystick, was lang tevoren voor de moord geprepareerd. Er is dus sprake van een goed uitgedacht plan. Daar wijst trouwens ook het zo vreemde briefje van Pierre Brassel op. Wat bij dit alles echter volkomen in het duister blijft hangen is het motief. Van het slachtoffer weten we dat hij zich de laatste jaren kennelijk alleen met inbraken bezighield. In zijn fraaie, leren weekendtas hebben we ook alleen maar typische inbrekerswerktuigen gevonden. Er bestaat dus een gegronde reden om aan te nemen dat Jan Brets ook nu weer op karwei was.' De Cock pauzeerde even en streek met zijn hand langs zijn gezicht. 'Maar dan,' zei hij wat aarzelend, 'maar dan vraag ik mij toch af of hij alleen was.'

Vledder haalde zijn schouders op.

'Mogelijk,' zei hij traag. 'Misschien ook was Jan Brets hier alleen maar op verkenning en wachtten ergens anders zijn vrienden tot Jan vond dat de operatie rijp was voor uitvoering.' De Cock knikte.

'Ja,' zei hij peinzend, 'dat kan het zijn geweest. Jan Brets was namelijk geen man die er helemaal alleen op uittrok. Dat blijkt ook uit zijn strafblad. Hij had steeds medeplichtigen. Er moeten nog ergens anderen zijn, die van het plan op de hoogte waren.' 'Een plan voor een kraak.'

'Precies Dick, een kraak ergens hier in Amsterdam. Ik neem aan iets groots, iets dat uitgebreide voorbereidingen nodig had. We kunnen er rustig van uitgaan dat Jan Brets niet voor niets vanuit Utrecht naar Amsterdam is gekomen. Het feit dat een man als hij zijn intrek neemt in Het Wapen van Groenland, voor zijn doen toch een groot hotel, duidt volgens mij op iets uitzonderlijks.'

Vledder staarde voor zich uit.

'Je hebt gelijk,' zei hij langzaam, 'het moet inderdaad wel iets uitzonderlijks zijn geweest en het zou mij uiteindelijk niets verwonderen als zijn plotselinge dood daarmee verband hield.' De Cock gebaarde.

'Het lijkt mij wat voorbarig om nu al een dergelijke conclusie te trekken. We zullen toch eerst wat meer moeten weten. Bijvoorbeeld: als er al een plan was, wat behelsde het? Wie waren de deelnemers? En bovenal, wat bracht Jan Brets ertoe om in Amsterdam te gaan kraken. Kreeg hij een tip? Zo ja, wie tipte? Bedenk wel dat Jan Brets in de Amsterdamse onderwereld een onbekende grootheid was. Ik had nog nooit van ene Jan Brets gehoord.'

Vledder schudde het hoofd.

'Ik ook niet. Maar wat mij het meest interesseert: hoe past Bras-sel in onze redenering?' De Cock zuchtte.

'Misschien was hij wel het brein, de ontwerper van het plan. Wie zal het zeggen?'

Vledder keek zijn oudere collega onderzoekend aan.

'En hoe verklaar je dan de moord?'

De Cock antwoordde niet. Hij staarde naar buiten. Zijn gezicht had geen uitdrukking. Plotseling draaide hij zich om en liep naar de kapstok. 'Kom Dick,' zei hij, terwijl hij zijn oude regenjas aantrok, 'we moesten maar eens naar Utrecht gaan.' Vledder plooide zijn gezicht in verbazing. 'Naar Utrecht, nu nog? Weet je wel hoe laat het is?' De Cock trok een ernstig gezicht. 'Nooit te laat om een oude moeder te condoleren met het verlies van haar zoon.'

Загрузка...