14

Rechercheur Vledder dacht.

Het was hem aan te zien. Zijn nog jeugdig gezicht stond gespannen. Zijn kin stak scherp naar voren en tussen zijn wenkbrauwen lag een diepe, dwarse denkrimpel. Plotseling begonnen zijn blauwe ogen te glanzen. Zijn kin schoof weer terug en de rimpel verdween. 'Ik begrijp het!' riep hij opgewonden. 'Het is mij volkomen duidelijk.'

De Cock, die de plattegrond van Het Wapen van Groenland voor zich had, keek verstrooid op.

'Wat is je duidelijk?'

Vledder ging tegenover hem zitten.

'Waarom Brassel de nachtwaker uitnodigde.'

'Zo, en waarom dan wel?' Vledder glimlachte.

'Heel simpel, omdat hij niet wilde dat de vader van zijn secretaresse zou worden neergeslagen.' De Cock keek zijn leerling hoofdschuddend aan. 'Zo simpel als jij denkt,' zei hij met een licht verwijt in zijn stem, 'is het beslist niet. Denk maar eens aan hetgeen Marie Zijllma-kers ons gisteren vertelde. Herinner je je nog dat tijdens de besprekingen in het huis van Dikke Toon werd overeengekomen dat Jan Brets de oude nachtwaker zou neerslaan en Brassel zei dat dit het best met een hockeystick kon gebeuren. Dat was een week geleden. Brassel wist op dat moment allang dat het pand van de firma Van Brunssum op de dag van de operatie onbewaakt zou zijn, dat er die dag geen nachtwaker was. Hij had hem zelf uitgenodigd.' Vledder kreunde alsof hij maagpijn had. 'Verdomme ja,' riep hij kwaad op zichzelf uit. 'Je hebt gelijk. Dat is waar. De oude nachtwaker kreeg de uitnodiging voor het feestje al een veertien dagen geleden.'

Kauwend op zijn onderlip staarde hij een tijdje zwijgend voor zich uit. 'Maar…' zei hij aarzelend, 'maar waarom zei Brassel dan niets? Waarom verzweeg hij die uitnodiging? Waarom opperde hij toch het idee om voor het neerslaan van de oude nachtwaker een hockeystick te gebruiken?' De Cock stak beide armen omhoog.

'Ja,' riep hij geprikkeld, 'waarom? Waarom zoveel, waarom werd

Jan Brets uiteindelijk met diezelfde hockeystick vermoord?'

Op dat moment rinkelde de telefoon.

Vledder nam de hoorn op.

'Spreek ik met rechercheur De Cock?'

'Nee, een ogenblikje.'

Hij reikte de hoorn over.

'Het is voor jou.'

'Hier met De Cock.'

'Ik zou bellen,' zei een stem aan de andere kant van de lijn, 'als er iemand belangstelling zou tonen voor die mevrouw Vledder die u vanmorgen bij mij hebt gebracht.'

'Ja.'

'Er is hier zo-even een man geweest.'

'En vroeg hij naar mevrouw Vledder?'

'Nee, niet naar mevrouw Vledder. Maar hij bedoelde haar wel.

Hij noemde haar alleen anders.'

'Hoe?'

'Cynthia, Cynthia van Woerden.'

De Cock smeet wat onbesuisd de hoorn op het toestel en beende naar de kapstok.

'Kom,' riep hij, 'we gaan op pad.' Vledder keek hem verwonderd aan.

'Waarheen?'

De Cock wurmde zich in zijn oude regenjas. 'Hotel Dupont en… Freddy van Blaakeren.'

De eigenaar-portier-kelner-kok van het hotel Dupont aan de Martelaarsgracht droogde zijn handen aan zijn smoezelige schort en ging de rechercheurs voor naar een klein zitje in de hal. 'Het was een knappe jonge snuiter,' legde hij uit, 'met een zwarte kuif en goed in de kleren. Een beetje overdreven, wat branieachtig. Je kent dat wel. Niet echt beschaafd. Ik schatte hem op een jaar of vijfentwintig. Hij vroeg of hij dat meisje kon spreken dat vanmorgen hier een kamer had genomen. Ik deed net alsof ik hem niet begreep en vroeg welk meisje hij bedoelde. Toen noemde hij de naam.' 'Cynthia van Woerden.'

'Ja.'

'En toen?'

'Gewoon, ik zei dat ik bij mijn weten geen Cynthia van Woerden in huis had. En daar loog ik geen woord van. Toen is hij weggegaan.' De Cock lachte.

'Heeft hij nog een boodschap achtergelaten of gezegd dat hij terug zou komen?'

'Nee, dat niet. Maar ik ben ervan overtuigd dat hij terugkomt. Hij keek nogal verbaasd toen ik zei dat ze er niet was en vroeg of er op de Martelaarsgracht nog andere hotelletjes waren.' De Cock knikte.

'Waar is het meisje nu?'

De hotelier gebaarde met zijn duim omhoog.

'Boven, op haar kamer.'

De beide rechercheurs stonden op en liepen naar de trap.

Halverwege draaide De Cock zich om.

'Heeft onze schoonheid,' vroeg hij, 'vanmorgen, nadat ik ben weggegaan, nog getelefoneerd?'

De hotelier schudde zijn hoofd.

'Nee, tenminste niet van hier. Ik heb maar één toestel en dat staat hier beneden bij mij.' 'Is ze dan weggeweest?'

'Ja, even, om sigaretten te halen. Dat heeft maar een paar minuten geduurd.'

De Cock knikte peinzend. Hij liep enige stappen terug en bleef voor de hotelhouder staan. Zijn hand aan de kin.

'Als dat zwarte snuitertje,' zei hij wat aarzelend, 'onverhoeds terug mocht komen, terwijl mijn collega en ik nog boven in haar kamer zijn, vraag hem dan of hij misschien een hoogblond meisje bedoelt met blauwe ogen. Als hij ja zegt, en ik twijfel er niet aan dat hij dat zal doen, dan breng je hem de trap op.

Je klopt boven driemaal snel achter elkaar op haar kamerdeur, wacht een paar seconden, doet dan de deur open en duwt onze vriend naar binnen. De rest kun je dan wel aan ons overlaten.'

De hotelier knikte met een zucht.

'En als hij niet mee naar boven wil?'

De Cock glimlachte.

'Maak je geen zorgen. Hij wil wel.'

De knappe Cynthia van Woerden was bepaald niet verheugd toen ze Vledder en De Cock haar hotelkamer zag binnenstappen. Integendeel, rond haar volle lippen lag een duidelijke trek van teleurstelling.

De Cock grijnsde haar vriendelijk toe. 'We komen je beschermen,' riep hij opgewekt. 'We hebben gehoord dat Freddy van Blaakeren hier in de buurt rondscharrelt. Kennelijk op zoek naar jou. Hij heeft naar je gevraagd, hier beneden in het hotel, nog geen tien minuten geleden.'

Ze toonde geen duidelijke reactie. De mededeling van De Cock gleed schijnbaar onberoerd langs haar heen. Ze blikte alleen wat schichtig naar de beide rechercheurs. Er was geen spoor van angst.

'Wij zijn blij je nog in leven aan te treffen,' ging De Cock bijna vrolijk verder. 'Als ik de hoteleigenaar niet zo duidelijk had geïnstrueerd…' hij pauzeerde even en keek steels naar de uitdrukking op haar gezicht, 'dan waren we misschien te laat gekomen.' Haar ogen vernauwden zich. 'U hebt mij laten bespioneren,' riep ze fel. De Cock schudde zijn hoofd.

'Ik heb alleen de nodige voorzorgsmaatregelen genomen,' zei hij kalm. 'Niets anders. Bovendien, u had mij gezegd dat u niet wist waar Van Blaakeren zich bevond. Hoe kon ik weten dat u nog contacten onderhield met uw moordenaar?' 'Ik onderhield geen contacten.' De Cock trok zijn wenkbrauwen op.

'Maar u hebt hem vanmorgen toch gebeld en gezegd waar hij u kon vinden?'

Ze ontweek de blik van De Cock en boog het hoofd. Haar blonde haar gleed als een gordijn voor haar gezicht. 'U hebt toch gebeld?' drong De Cock aan.

'Ja.'

'Een vreemd gedrag voor een aanstaand slachtoffer.' Ze bracht langzaam het hoofd weer omhoog. Het blonde gordijn viel terug. Haar grote blauwe ogen keken naar hem op. Ze glansden van het vocht en over haar bleke wangen gleed een traan. 'Ik wilde het tussen Freddy en mij weer goedmaken,' zei ze haast fluisterend. 'Begrijpt u, meneer De Cock, goedmaken, voordat het te laat was, voordat u hem zou arresteren.' Ze zuchtte diep.

'Hij had het tenslotte voor mij gedaan. Alleen voor mij. Omdat hij van mij hield. Zielsveel. Ik ben dat pas gaan beseffen, nadat ik hem aan u had verraden.'

De Cock wreef met zijn vlakke hand over zijn gezicht. Tussen zijn vingers door keek hij haar onderzoekend aan. Het maakte hem wat onzeker. Liefde en vrouwen; het was, zo wist hij, een combinatie met snel wisselende emoties waarbij elke logica ontbrak, elke verstandelijke benadering bij voorbaat gedoemd was te mislukken.

'Vroeg je hem daarom hier te komen?' Ze knikte traag.

'Om het uit te praten,' zei ze toonloos.

De Cock schoof zijn hoedje wat naar voren en krabde zich achter in de nek.

'Je wist dus wel waar hij te bereiken was.'

'Ik ken alleen een telefoonnummer in Utrecht.'

De Cock maakte een grimas.

'Was je niet bang,' vroeg hij met licht sarcasme, 'dat hij je iets zou aandoen? Vanmorgen kroop je al onder het bed, terwijl je niet eens wist of hij er was.' Om haar lippen zweefde een trieste glimlach. 'Vanmorgen, ja.' Ze zuchtte alsof er sindsdien een eeuwigheid was vergaan. 'Maar nu kan het mij niet zoveel meer schelen. Als u de hotelier niet had gewaarschuwd en Freddy was gekomen, dan had ik hem gezegd, wat ik hem te zeggen had, dat ik nog steeds van hem hield, dat die affaire met Jan Brets een vergissing was.' Ze friemelde met haar vingers aan haar hals. 'De rest was aan hem.'

De uitdrukking op het gezicht van de jonge Vledder was er een van pijnlijke verwondering.

'En dan zou je je zomaar hebben laten afmaken?' vroeg hij verbijsterd. Hij knipte met zijn vingers. 'Zo van jongen-ga-je-gang-maar?'

Ze staarde haast wezenloos langs hem heen en knikte. Vledder snoof verachtelijk.

'Je bent gek,' beet hij haar fel toe. 'Stapelgek. Dat is geen liefde. Dat heeft met liefde niets meer te maken, dat is… ' Drie harde kloppen, snel achter elkaar op de kamerdeur, onderbraken zijn betoog. Onmiddellijk gaf De Cock Vledder een duw en sprong zelf opzij, buiten het gezichtsveld. Vrijwel op hetzelfde moment vloog de deur wijdopen. Op de drempel stond een krachtig gebouwde jongeman. Zijn donkere ogen blikten de kamer in.

Er volgde een moment van verlamming, een actiepauze van een seconde. In die ene seconde waarin Freddy van Blaakeren oog in oog stond met zijn vroegere geliefde en nog weifelde op haar toe te stappen, gilde Cynthia van Woerden. Het was een korte, snerpende gil, die scherp resoneerde tegen de wanden. Het alarmeerde Freddy. Hij voelde de dreiging, zag vanuit zijn ooghoeken de grijpende handen van de rechercheurs en kwam bliksemsnel tot actie. In een flits draaide hij zich om, wierp de hoteleigenaar tegen de gangmuur en vluchtte de trap af.

'Grijp hem,' schreeuwde De Cock. Vledder startte.

Freddy van Blaakeren nam de trap in twee sprongen, sprintte door de hal en rende het hotel uit. In zijn vaart liep hij op het trottoir een oude man omver en stak daarna juist voor een aanstormende tram de Martelaarsgracht over. Vledder volgde. Toen hij de overkant van de Martelaarsgracht had bereikt, zag hij nog juist hoe Freddy linksaf de Nieu-wendijk op vluchtte. De jonge rechercheur verhoogde zijn inspanningen. Hij wist dat er op de Nieuwendijk vaak agenten surveilleerden en hoopte op assistentie. Maar toen hij op de Nieuwendijk kwam, zag hij tot zijn teleurstelling geen enkel politieuniform. Dat verminderde zijn tempo. Hij hijgde zwaar en zijn hart bonsde in zijn keel. Zijn benen wilden niet meer. Ver voor hem uit draafde de vluchtende jongeman. De afstand werd steeds groter. Voorbij de bioscoopjes in de bocht van de Nieuwendijk rende Freddy van Blaakeren de Haringpakkers-steeg in. Toen hij aan het eind van de steeg, bij de fotozaak van Solleveld, even omkeek, was zijn achtervolger nog niet te zien. Het stelde hem gerust. Hij vertraagde zijn gang. Opgenomen in een menigte schuifelende voetgangers, liep hij over een zomers-zonnig Damrak in de richting van het Centraal Station.

Загрузка...