9

Het was bijna zeven uur.

De Cock had tot één uur in de middag geslapen. Daarna had hij zich rustig aangekleed en was een wandelingetje gaan maken met zijn trouwe hond, een sombere bokser met een van zorgen doorploegde snuit, die zijn baas, wanneer hij thuis was, als zijn persoonlijk eigendom beschouwde. Er waren mensen die zeiden dat de bokser op zijn baas leek en omgekeerd. Die mensen hadden gelijk, er was een onmiskenbare overeenkomst. De rest van de middag had De Cock gebruikt om oude processen-verbaal en rapporten over Brets door te lezen. Het was een inspannend karwei geweest. De gedragingen van Jan Johannes Brets hadden veel stof tot ambtelijk geschrijf gegeven. Het was half zeven toen hij eindelijk alles had doorgeworsteld en het dossier dichtklapte. En nu was hij weer op het bureau, ruim een uur voor zijn afspraak met Vledder. Hij besloot nog even de buurt in te trekken.

Met de buurt bedoelde De Cock de beruchte Walletjes en directe omgeving, zoals de wilde Zeedijk, de Nieuwmarkt, het Oudekerksplein, kortom, die grachtjes, pleintjes, straatjes en steegjes, die tezamen de rosse buurt van Amsterdam vormen. De Cock kende er zo goed als iedereen en iedereen, nou ja, zo goed als iedereen, kende hem. Hij was niet gevreesd, zoals dat heet, noch berucht, maar hij was eenvoudig aanvaard, als een facet, een wat vreemd facet, omdat hij nu eenmaal de wet of het recht vertegenwoordigde.

Men mocht hem wel. De jongens van de penose en de meisjes van de business behandelden hem met respect. Ze wisten dat hij voorschriften en bepalingen nogal soepel hanteerde en de wet toepaste op een wijze die beslist in strijd moest zijn met alles wat daarover in uitvoerige verhandelingen stond geschreven. En ze hadden gelijk. De Cock was een vrijbuiter, een boekanier onder de rechercheurs.

Met zijn oude vilten hoedje nonchalant achter op zijn hoofd en de ceintuur van zijn regenjas tot een touw verknoedeld om zijn zwaar bovenlijf, slenterde hij langs de oude grachtjes en grijnsde vriendelijk tegen de vele oude bekenden die hij op zijn weg ontmoette.

Op de hoek van de Achterburgwal en de Barndesteeg glipte hij het oude penosecafeetje binnen. Het werd gedreven door zijn vriend Lowietje, een wat morsige figuur, die wegens zijn tengere gestalte en geringe borstomvang, meestal Smalle Lowietje werd genoemd.

Het was een te vroeg uur. Er waren nog niet veel bezoekers. De Cock keek eens rond.

Hij zag dat Annie van Schele Bertus weer eens te veel had gedronken en schatte de hevigheid van de ruzie die daarvan weer het gevolg zou zijn. Hij grinnikte voor zich uit. Het zou wel weer op vechten uitdraaien. Die twee leefden al jaren als kat en hond. Hij slenterde om de bar en hees zich aan het uiteinde wat moeizaam op een kruk. Het was zo zijn vaste plekje. Van hieruit kon hij het hele lokaaltje overzien en had hij een rugdekking tegen alle eventualiteiten.

Smalle Lowietje kwam vriendelijk grijnzend op hem toe.

'Hoe is de misdaad?'

Het was zijn stereotiepe vraag.

'Drie punten gestegen,' bromde De Cock, als gold het een beurskoers.

'Het ligt vast in de markt.' Lowietje lachte. 'Hetzelfde recept?'

Zonder op antwoord te wachten greep hij onder de tapkast naar de fles Cognac de Napoleon, die hij speciaal voor De Cock gereserveerd hield.

Na het gebruikelijk ceremonieel — Smalle Lowietje dronk altijd één glaasje mee — stak De Cock een sigaret op en blies de rook naar de lage zoldering. Hij zat daar graag op zijn kruk bij de bar, overzag de schare en genoot van de pittige conversatie tussen de meisjes van de vlakte en alle anderen die daar zo omheen scharrelden.

Het was nu stil. Alleen Annie van Schele Bertus zorgde voor wat afleiding. Ze liep waggelend langs de tafeltjes en zong. Het was een droevig lied in puur bargoens; een soort autobiografisch epos dat verhaalde van een onnozel wicht dat haar blanke onschuld voor een groezelig bankbiljet van een tientje had verkwanseld. Dit in een vrije vertaling. Smalle Lowietje boog zich iets voorover. 'Die dooie in hotel Het Wapen van Groenland,' fluisterde hij de rechercheur in het oor, 'hebt u daar nog bemoeienissen mee?' De Cock nipte aan zijn glaasje en knikte nauwelijks merkbaar. Lowietje verschafte hem nog wel eens inlichtingen en het was nu niet direct nodig dat de hele buurt daarvan op de hoogte was. 'Het schijnt een jongen van de vlakte te zijn, heb ik gehoord, uit Utrecht. Er zijn hier jongens uit de buurt die hem hebben gekend.'

'Wie?'

'Jongens, gewoon jongens. Ik denk dat ze hem kenden uit de bajes.'

De Cock knikte grijnzend.

'Heb je,' vroeg hij voorzichtig, 'de laatste paar weken iets vernomen van een heel mooie klapper hier ergens in de stad? Ik bedoel, iets gehoord van plannetjes in die richting?' Lowietje schudde het smalle hoofd. 'Nee, echt niet, niks van gehoord.' De Cock keek hem een ogenblikje onderzoekend aan.

'Nee?'

Er trilde een zenuwscheut langs de schonkige wang van Lo-wietje.

'Moet het dan?' De Cock glimlachte.

'Nou nee, het moet niet per se. Ik vind het alleen een beetje vreemd.'

'Vreemd?'

De Cock zuchtte.

'Ja Lowie, ik vraag mij namelijk af, waarom zou men voor een mooie klapper speciaal jongens uit Utrecht halen? We hebben in Amsterdam toch zware krakers genoeg?'

Lowietje knikte heftig.

'Zou ik zo denken,' stemde hij in, 'daar hebben we toch waarachtig Utrecht niet voor nodig.' Hij pakte opnieuw de Cognac de Napoleon van onder de tapkast. 'Nog eens inschenken, meneer?' De Cock knikte peinzend.

'Luister eens Lowietje,' zei hij na een poosje, 'als je voor een karwei in Amsterdam snuitertjes uit Utrecht zoekt, wat betekent dat?'

Lowietje trok een vies gezicht. 'Dat het stinkt.'

De Cock dronk zijn tweede glaasje leeg en liet zich van de barkruk glijden.

'Beste Lowietje,' sprak hij tot afscheid, 'je hebt gelijk, het stinkt.'

En met deze verhelderende gedachte in het hoofd en twee zacht-gloeiende cognacjes in de maag, verliet De Cock het cafeetje van Lowie en ging op weg naar de Warmoesstraat.

Op de hoek van de Lange Niezel en de Warmoesstraat bleef hij staan. Hij keek op zijn horloge. Het was half acht. Hij had ruimschoots de tijd. Maar het was juist de tijd die hem kwelde. Het kwam omdat hij voor zichzelf niet goed wist wat hij moest doen. In zijn hele onderzoek naar de moord op Jan Brets zat geen lijn. Hij begreep er niets van. Daarom wist hij niet waar hij ergens de draad moest opnemen om het mysterie van de dode harlekijn te ontwarren. En die harlekijn had er iets mee te maken. Hij kon zich niet indenken dat de moordenaar zonder enige reden zijn slachtoffer zo had verlegd, dat hij op een harlekijn leek. Dat moest beslist iets betekenen. Maar wat? Hij kon niets zinnigs bedenken. De hele moord was absurd. Het leek alsof een krankzinnige, een dwaas, speciaal voor hem, De Cock, een grap had uitgedacht, een practical joke, zo sinister, dat hij eenvoudig weigerde te geloven dat het een grap was. Hij schoof zijn oude vilten hoedje nog wat verder naar achteren en keek eens rond. Een dertig meter verder in de Warmoesstraat brandde de blauwe lamp met politie. Hij had geen zin om nu al naar het bureau terug te gaan. Vledder was er toch nog niet.

Langs hem heen schuifelden drommen toeristen. Ze kwamen vanuit de Oudebrugsteeg en schoven de Lange Niezel in. De oude binnenstad van Amsterdam was vooral in de zomer een toeristische attractie. Ze passeerden hem in een chaotische spraakverwarring. De Cock keek peinzend toe. Plotseling bedacht hij dat ook Jan Brets drie dagen in Amsterdam had vertoefd, voordat een onbekende hem in zijn hotelkamer neersloeg. Wat had Brets gedaan? Hoe had hij die drie dagen doorgebracht? Wie had hij ontmoet? De vragen tolden door zijn hoofd. Nog even bleef hij staan, toen draaide hij zich met een ruk om en ging op zoek naar Handige Henkie.

Handige Henkie was een inbreker die in een berouwvol ogenblik de brede weg van de misdaad had verlaten en nu al enige jaren — zij het wat schoorvoetend — het smalle pad der deugd bewandelde. Aan deze 'bekering' had De Cock een werkzaam aandeel gehad. Als dank, maar meer nog om niet meer in de verleiding te komen, had Henkie hem zijn gehele uitrusting cadeau gedaan. Het was een assortiment vreemdsoortige werktuigen, meest eigen vindingen van Henkie, die de rechercheur eerst na uitgebreide uiteenzettingen had leren hanteren. Soms, wanneer het nodig was, wanneer hij per se ergens naar binnen wilde, maakte De Cock er een dankbaar gebruik van.

De Cock ademde zwaar. Moeizaam hees hij zijn negentig kilo langs een smal krakend trapje omhoog. Hij hoopte dat Henkie thuis zou zijn. Het idee dat hij voor niets naar de derde etage klom, tastte zijn humeur aan. Hij vroeg zich toch al af of hij niet te impulsief was geweest, of hij Henkie niet beter naar het politiebureau had kunnen laten komen. Toen zijn ademhaling weer wat op peil was, klopte hij aan en stapte gelijktijdig binnen. Henkie zat heel huiselijk met pantoffels aan bij de televisie. Zijn mond zakte open van verbazing toen hij zag wie zijn bezoeker was. Langs zijn scherpe kaken trilde een zenuwtrek. Hij leek met stomheid geslagen. De Cock liep naar het televisietoestel en trok rustig de stekker uit het stopcontact. Het beeld van een drukpratende man verduisterde langzaam. De echo van de stem trilde nog wat na. De rechercheur glimlachte Henkie vriendelijk toe. 'Als ik op visite kom,' zei hij verklarend, 'heb ik een hekel aan televisie. Het leidt zo af.' Hij nam een kleine pauze. 'Ik heb je overigens nog geen goedenavond horen zeggen.' Henkie slikte.

'Goedenavond, rechercheur.' De Cock knikte bemoedigend. 'Goedenavond Henkie.'

Hij liet zich in een fauteuiltje zakken, legde zijn oude hoedje naast zich op de grond, maakte de bovenste knopen van zijn regenjas los en strekte behaaglijk zijn benen. Onderwijl keek hij steels naar Handige Henkie, die wat nerveus aan zijn hemd plukte. De Cock genoot van zijn onrust.

'Ik kreeg zomaar de behoefte je eens op te zoeken,' begon hij opgewekt. 'Ik had je een tijdje niet gezien en ik vroeg mij af… '

'Wat vroeg u zich af?'

In de stem van Henkie klonk argwaan.

De Cock gebaarde.

'… hoe zou vriend Henkie het maken. Zie je, dat vroeg ik mij af. Ik was gewoon bezorgd.'

Henkie lachte. Het was een vreemd, zenuwachtig lachje. Tegelijk gleed zijn scherpe blik waakzaam langs de gelaatstrekken van De Cock. Hij kende dat gezicht voor hem. Het was hem vertrouwd uit vele gesprekken en verhoren. De diepe rimpels in het voorhoofd, de zware borstelige wenkbrauwen, de vriendelijke grijze ogen, het was er allemaal. Ook de halfgeamuseerde trek om de mond, waardoor je nooit goed wist of hij meende wat hij zei. 'Ik maak het best.' De Cock grijnsde.

'Ik zie het, je ziet er beter uit dan Jan Brets.' Het sloeg in. Henkie reageerde fel.

'Dat is een rotopmerking,' riep hij uit. 'Een vieze, gore rotop-merking. Jan Brets is dood. Ik heb het vanavond in de krant gelezen.'

De Cock knikte traag.

'Ja,' zei hij met een zucht, 'Brets is dood. Iemand gaf hem een dreun op zijn hersens.'

Henkie verschoof wat in zijn fauteuil.

'Nou, en wat heb ik daarmee te maken?'

'Dat vraag ik mij juist af.'

Henkie grinnikte vreugdeloos.

'En bent u daarvoor gekomen?'

'Ja.'

'U meent het.'

'Ik meen het.'

Ineens schoot Henkie uit zijn fauteuil omhoog. Hij gebaarde wild, als een standwerker. In zijn ogen blonk iets dat op angst leek.

'Maar De Cock,' riep hij vertwijfeld, 'je kent me toch De Cock, je weet toch hoe ik ben. Moord is niks voor mij. Ik ben zo niet. Ik… ik kan nog geen vlieg doodmaken, laat staan een mens.' Hij stotterde van ellende. De Cock keek hem onbewogen aan.

'Ga weer zitten,' gebood hij, 'ik beweer toch niet dat jij die moord hebt gepleegd.'

Henkie wreef met twee vingers tussen zijn boordje. Hijgend ging hij zitten. Op zijn bleke wangen lagen nog blosjes van opwinding.

'Je laat me schrikken,' zei hij met droge lippen. 'Moord, alsof het niks is.'

De Cock boog zich iets naar voren.

'Jij kende Brets?'

'Ja.'

'Hoe?'

'Uit de bajes. Een paar jaar geleden, toen ik in Haarlem in de koepel zat, heb ik hem ontmoet. Hij kwam tijdens het luchten wel bij mij lopen. Het was een krakertje, een vies mannetje, als je het mij vraagt. Voor alles in.' 'Ook voor moord?' Henkie knikte.

'Ja, dat bedoel ik. Het was een jongetje dat nergens voor terugdeinsde. Weet je, zonder moraal.'

De Cock wreef met zijn hand langs zijn gezicht. 'En wat moest hij dan van jou?' 'Van mij?'

'Ja.' 'Niks.'

De Cock trok zijn wenkbrauwen een paar centimeter omhoog.

'Hij is toch van de week nog bij je geweest?'

De ogen van Henkie vernauwden zich. Hij dacht snel, vroeg

zich af wat De Cock wist, of hij blufte.

'Bij mij?'

'Ja.'

Hij wreef met zijn tong langs zijn droge lippen. 'Jan Brets is niet bij mij geweest.' De Cock zuchtte omstandig.

'Luister nu eens, Henkie,' zei hij vriendelijk en geduldig. 'Je weet dat ik een zwak voor je heb, maar daar zou ik, als ik jou was, toch maar niet te veel op rekenen. Kijk, toen wij het lijk van Jan Brets vonden, troffen wij in zijn hotelkamer ook een tas met gereedschap aan en daar waren dingetjes bij, zo uitgekiend, dat alleen een man als Handige Henkie ze kon hebben uitgedacht. Snap je?' Henkie boog het hoofd.

'Verdomme,' zei hij triest, 'dat jij ook altijd achter mij aan moet zitten.'

De Cock grijnsde. 'Hij was dus hier.'

'Ja.'

'Voor wat?'

Henkie staarde voor zich uit en verviel in een droef zwijgen. 'Ik ben niet opnieuw gevallen,' zei hij na een poosje. 'Als je dat soms denkt?' Het klonk somber. 'Ik heb alleen voor Brets een paar dingetjes gemaakt, gereedschap. En dat mag toch?' 'Middelen om een inbraak te plegen?' Henkie gebaarde heftig.

'Wat wil je, dat is toch niet strafbaar? Dan kan je morgen waarachtig wel alle gereedschapswinkels sluiten. Breekijzers verkopen ze allemaal.'

De Cock lachte.

'Kwam Jan Brets alleen voor gereedschap?'

'Nee, hij wou dat ik meedeed.'

'Waaraan?'

Henkie trok een grimas.

'Iets groots, zei-ie. Een organisatie, een bende, zoals ze dat in Amerika en Engeland doen, met een knappe kop aan het hoofd die alles uitdenkt.'

'Zo?'

'Ja, en ze konden mij er best bij gebruiken, zei-ie.' Handige Henkie maakte een verontschuldigend gebaartje. 'Met mijn ervaring, vakkennis en zo.' De Cock knikte.

'En?'

'Wat en?'

'Heb je je aangesloten?'

Henkie plooide zijn gezicht in verontwaardiging. 'Ik heb u toch gezworen,' zei hij verongelijkt, 'dat ik het niet meer zou doen. Ik voel er ook geen stuiver meer voor. Ik heb nu een lief baantje in een magazijn. Vast loon.' Hij wees om zich heen. 'Kijk es, heb ik het niet fijn? Mooie spulletjes, een nieuwe televisie. Ik heb het met al mijn kraken vroeger nog nooit zo goed gehad.' De Cock lachte.

'Jan Brets had het dus over een organisatie. Heeft hij je nog meer verteld, bijvoorbeeld wie de leider was? Ik neem toch aan dat Brets jou wel vertrouwde?' Handige Henkie knikte heftig.

'Zeker, dat deed-ie. Hij vertrouwde mij. Hij wilde toch dat ik meedeed? Nou, dat is toch een bewijs van vertrouwen. De leider, vertelde hij, was een a contant.' 'Een accountant.' verbeterde De Cock. 'Ja, juist, een accountant, je weet wel, zo'n man die de kas en de boeken van grote zaken controleert. Nou, je begrijpt, zo'n man weet precies hoeveel geld er is en waar. De jongens behoefden het alleen maar weg te halen.' Hij tuitte zijn lippen en in zijn ogen twinkelde een schittering. 'Het klonk heel mooi ja, het klonk ergens heel mooi.'

De Cock keek hem onderzoekend aan.

'Maar Jan Brets is dood,' zei hij hard. 'Zo mooi was het toch ook weer niet.'

Henkie knikte wat dromerig.

'Jan Brets is dood,' herhaalde hij somber. Hij maakte een kruis. 'God hebbe zijn ziel.' Er viel een stilte.

'Was er al iets geweest,' vroeg De Cock na een poosje. 'Ik bedoel hadden ze al een klapper gemaakt?' Henkie schudde zijn hoofd.

'De zaak was volgens Jan nog in voorbereiding. Het zou wel gauw gebeuren.'

'Waar?' vroeg De Cock gretig. 'En bij wie?'

Henkie schudde opnieuw het hoofd. 'Dat wilde Jan Brets niet zeggen.'

'Waarom niet?' Handige Henkie grijnsde.

'Gut, dat is nou niet zo moeilijk te snappen. Tenslotte ben ik een ouwe jongen van de vlakte. Ik mocht het eens in mijn hoofd halen om onder hun duiven te gaan schieten. Dan was de poet al weg, voordat zij er aankwamen.'

Hij grinnikte bij de gedachte.

De Cock wreef met zijn hand langs zijn kin.

'Maar,' viste hij, 'Jan Brets zal je toch wel iets over die klapper hebben verteld? Hij probeerde jou toch voor het plan te winnen.'

Henkie haalde zijn schouders op.

'Niet hoe of wat, als je dat bedoelt. Ze hadden er een naam voor. Een soort codenaam. Dat wel.' 'Een codenaam?' Henkie knikte. 'Operatie Harlekijn.'

'Wat?'

'Operatie Harlekijn, een gekke naam hè?' De Cock slikte.

Загрузка...