De Cock beende door de recherchekamer. Hij was helemaal uit zijn humeur. Zijn gezicht leek een donderwolk. Het was negen uur en er was nog geen koffie.
De schuldige was de nog jonge rechercheur Bonnemaijers. Hij had die morgen volgens het dienstrooster voor de koffie moeten zorgen, maar hij had de melding van een inbraak en het verhoor van een jonge vrouw belangrijker gevonden. Zoiets was in de ogen van De Cock onvergeeflijk. Er was volgens hem bij de politie niets dat koffie in belangrijkheid kon overtreffen. Daarom schold hij de arme Bonnemaijers de huid vol en zei dat hij als rechercheur nog veel moest leren. Bijvoorbeeld het zetten van koffie, wat er ook gebeurde, al brandde op de Dam het Koninklijk Paleis af. Midden in een daverende volzin, waarin hij nogmaals zijn misnoegen uitte, rinkelde de telefoon. De Cock nam met een woest gebaar de hoorn op en vertelde snauwerig dat met de recherche werd gesproken.
Hij veranderde echter onmiddellijk van toon, toen hij hoorde met wie hij verbinding had.
'Goedemorgen, mevrouw Brassel. Wat verschaft mij het genoegen? Een afspraak? Maar natuurlijk. Onmiddellijk, om tien uur, zeker. Waar? Hier? O, liever niet op een politiebureau, goed, waar dan? Wat zegt u? Het restaurant in de hal van het Amstelstation, ja, dat ken ik, goed, tien uur, fijn, tot dan, mevrouw Brassel.' Hij legde zachtjes de hoorn op het toestel terug en krabde zich eens in de nek. Wat wilde de knappe vrouw van Brassel? Waarom die afspraak op neutraal terrein? De mogelijkheid dat ze gisteravond, na de eerste kennismaking direct al verliefd op hem was geworden, verwierp hij na ampele overwegingen. Het kon niet. Zijn eigen vrouw — toch al toegevend van aard — was pas na jaren iets in zijn goedhartige bokserskop gaan zien. Nee, verzuchtte hij, het zou allemaal wel puur zakelijk zijn. Enfin, in het restaurant zouden ze in ieder geval wel verse koffie hebben. Hij sloot de lade van zijn bureau af, wierp nog een vernietigende blik in de richting van de arme Bonnemaijers en trok zijn jas aan. Mokkend verliet hij de recherchekamer. Beneden in de gang zag hij de oude commissaris juist het politiebureau binnenstappen. De Cock trok snel de kraag van zijn jas omhoog en trachtte vlug via de achteruitgang te ontkomen. Het lukte niet.
'De Cock!' Het klonk luid en dwingend. De Cock draaide zich langzaam om, plooide zijn gezicht in een vriendelijke grijns en liep schoorvoetend terug naar zijn chef.
'Goedemorgen meneer.'
De commissaris lichtte zijn hoed.
'Goedemorgen De Cock,' zei hij opgewekt, 'ga even mee naar boven naar mijn kamer.'
De Cock wreef met zijn hand langs zijn kin.
'Ikke… ik heb nog een belangrijke afspraak om tien uur,' probeerde hij.
De commissaris keek op zijn horloge.
'O,' lachte hij, 'nog tijd genoeg.'
Voor zijn leeftijd wipte hij nog vlug de trap op.
De Cock ging zuchtend achter hem aan.
De commissaris smeet zijn zware aktetas op het tafeltje. Met zijn jas nog aan ging hij achter zijn bureau zitten en strekte zijn arm naar De Cock uit.
'Geef me jouw rapport,' zei hij in volle ernst, 'dan kunnen we dat eerst nog even samen doornemen.' De Cock slikte. 'Rapport, welk rapport?'
De commissaris fronste zijn stoppelige wenkbrauwen.
'Ik meen,' zei hij wat kriegelig, 'dat we dat hadden afgesproken.
Ik zou van jou of van de jonge Vledder een uitvoerig rapport krijgen over de moord in Het Wapen van Groenland.
De Cock boog het hoofd.
'Dat is waar,' zei hij timide. 'U hebt gelijk. Maar ik heb het nog niet. We hebben er nog geen tijd voor gehad. Bovendien is er feitelijk niets om uitvoerig over te rapporteren. Jan Brets is in Het Wapen van Groenland met een verzwaarde hockeystick neergeslagen. Dat staat allemaal al in dat eerste rapport dat Vledder en ik opmaakten.' Hij haalde zijn schouders op. 'Daar valt niet veel meer aan toe te voegen.' De commissaris stond vertoornd op. 'Ik wil een uitvoerig rapport.' De Cock maakte een verontschuldigend gebaartje. 'En ik heb het niet.' 'Dan maak je het.' 'Ik heb nu een afspraak.' Het gezicht van de commissaris liep rood aan. 'Ik wil,' riep hij woedend, 'hoe dan ook, vandaag nog van jou een gedetailleerd rapport over de moord op Jan Brets. Begrepen?' De Cock, die vanwege de koffie toch al uit zijn humeur was, onderdrukte met moeite een serie ongepaste opmerkingen. Hij zuchtte diep, beet daarna op zijn onderlip en vroeg beleefd-spot-tend of de commissaris "verder nog iets van zijn orders had".' Wel, dat had de commissaris. De directie van Het hotel Het Wapen van Groenland had hem al herhaaldelijk gevraagd wanneer de verzegeling van kamer 21 nu eens eindelijk werd opgeheven. Het duurde nu al twee dagen. Het werd een schadepost. De Cock bedwong zich niet langer.
'Verdomme nog aan toe,' ontplofte hij, 'het is alles bij elkaar nog geen achtenveertig uur geleden dat Jan Brets werd vermoord en nu al jankt een hotel over een verzegelde kamer en zeurt een commissaris over een onnozel rapport. Het valt me waarachtig mee dat er nog geen vragen in de Kamer zijn gesteld.'
De commissaris brulde één woord.
'Eruit!!!'
De Cock ging.
De koffie in het restaurant in de grote hal van het Amstelstation verzoende hem weer een beetje met zijn lot. De dag was slecht begonnen, vond hij. Als het zo doorging, kon hij vandaag nog wat beleven. Enfin, zo was het leven van een rechercheur, je wist nooit wat er boven je hoofd hing.
Hij dacht aan het onderhoud met zijn chef. Een uitvoerig rapport. Hij grijnsde voor zich uit. Met het schrijven van rapporten loste je geen moord op. Het verslond alleen zeeën van tijd. De commissaris moest dat weten. Hij stak kalm een sigaret op, bestelde een tweede kop koffie en wachtte gelaten op de komst van de vrouw van Pierre Brassel. Hij schoof zijn stoeltje iets naar achteren en keek op zijn gemak rond. Hij had een strategische positie ingenomen. Vanaf de plaats waar hij zat kon hij het hele restaurant overzien. Er waren niet veel mensen. Hier en daar een enkele reiziger, voor het merendeel mannen. De meeste tafeltjes waren onbezet.
Ze was mooi op tijd, mevrouw Brassel. Een paar minuten over tienen stapte ze binnen: een bijzonder knappe vrouw met opvallend blond haar, gekleed in een zwarte persianer. Haar verschijning trok de onmiddellijke aandacht van de weinige bezoekers.
Het was alsof plotseling een 'ademzucht' door het lokaal blies. Het ging gepaard met een ondefinieerbaar soort geritsel. Ze liet haar blik rustig door het restaurant dwalen en toen ze hem in het oog kreeg, stapte ze resoluut op hem af. Een vastberaden trek om haar mond.
De Cock bewonderde de haast katachtige soepelheid van haar lichaam en onderging de gratie waarmee zij zich voortbewoog. Ze had iets van een panter, dacht hij, met ingehouden klauwen. De Cock was ervan overtuigd dat zij de vrouw was met het Duitse accent, die getracht had Jan Brets nog kort voor zijn dood te bereiken. Had ze hem willen waarschuwen? Wat wist ze? Hij stond langzaam op. 'Goedemorgen, mevrouw Brassel.' 'Goedemorgen rechercheur.'
Hij hielp haar bij het uitdoen van haar mantel en schoof galant haar stoel bij. Een zoete geur van parfum steeg uit haar blonde haren. 'Koffie?'
'Graag.'
De Cock bestelde aan de toegelopen kelner. Het werd zijn derde kop. Hij ging rustig glimlachend tegenover haar zitten en keek haar een lange tijd onbeschaamd onderzoekend aan. Ze trotseerde zijn blik.
'U bent een knappe vrouw,' zei hij na een poosje, 'ja, inderdaad, een bijzonder knappe vrouw.' Het klonk volkomen ambtelijk, als stelde hij een feit vast.
'Het schijnt nu eenmaal het noodlot van mooie vrouwen, dat ze gemakkelijk in moeilijkheden raken. Ik vraag mij soms af, is dat alleen het gevolg van hun schoonheid of is er toch nog iets anders?' Ze glimlachte.
'Ik zou me er maar niet in verdiepen.' De kelner bracht de bestelde koffie. Een tijdje zwegen beiden.
De Cock roerde peinzend in zijn kopje en staarde onderwijl naar haar rechterhand die losjes op het tafeltje leunde. De hand trilde een beetje. 'Ik neem aan,' zei hij zo achteloos mogelijk, 'dat uw man u heeft gestuurd.'
'Nee!'
Het klonk zo fel, dat De Cock onmiddellijk opkeek.
'Nee,' herhaalde ze, 'ik kom uit mijzelf. Mijn man weet hier niets van. Hij is naar kantoor. Ik heb snel een oppas voor de kinderen gezocht.'
Ze zuchtte diep.
'Ik kan ook niet lang wegblijven.' De Cock knikte begrijpend.
'Wel,' zei hij met een uitnodigend gebaartje, 'het initiatief is aan u. Ik luister.'
Ze frommelde wat nerveus aan een leeg suikerzakje. Rond de mond met volle lippen trilde een zenuwtrek. 'Nou,' drong De Cock aan. 'U hebt toch geen afspraak met mij gemaakt om 's morgens om tien uur al van mijn onweerstaanbare charme te genieten?'
Ze schonk hem een zoete glimlach. Haar hand reikte over het tafeltje. Haar vingertoppen beroerden zijn arm. De aanraking bezorgde De Cock een warm gevoel. Het tintelde langs zijn huid.
'U lijkt mij een vriendelijk mens,' zei ze zacht.
'Ik weet niet,' zei hij triest, 'of ik dit als een compliment moet
beschouwen. Ik bedoel, uit de mond van een knappe jonge vrouw.'
Ze keek hem niet-begrijpend aan.
De Cock trok zijn lippen in een tuitje en schudde zijn hoofd. 'Let maar niet op mij,' zei hij somber, 'ik heb vandaag nu eenmaal een pechdag. Vertel me liever wat u op uw hart hebt.' 'Ik maak mij zorgen.' 'Over uw man?' Ze knikte.
'Ja, over mijn man. Ziet u, ondanks zijn zorgvuldige voorbereidingen en nauwkeurig uitgewerkte plannen, ben ik bang dat er iets mis gaat.' 'Waarmee?'
Ze liet haar hoofd iets zakken en antwoordde niet.
'Waarmee, mevrouw Brassel? Waarmee zou er iets mis kunnen gaan?'
Ze keek hem wat treurig aan.
'Het spijt me, meneer De Cock. Geloof me, het spijt me oprecht. Ik wilde werkelijk dat ik openhartiger kon zijn. Het zou mijn zorgen aanzienlijk verlichten. Maar ik kan het u echt niet zeggen.' De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
'Waarom maakt u dan met mij een afspraak?' vroeg hij wat geprikkeld. 'Waarom komt u hierheen? Als u niet openharig kunt zijn, heeft dit onderhoud geen zin.'
Hij deed alsof hij wilde opstaan. Ze legde onmiddellijk haar hand op zijn arm.
'Blijft u toch zitten,' zei ze bezwerend. 'Ik wilde u iets vragen. Ik heb een verzoek.' 'Een verzoek?'
'Ja.'
De Cock gebaarde breed.
'Toe maar,' moedigde hij aan. 'Het valt mij altijd moeilijk mooie vrouwen iets te weigeren.'
Er gleed een matte glimlach over haar gezicht.
'Het is,' zei ze met een zucht, 'niet veel dat ik vraag.'
'Wel, ik luister.'
Ze keek hem aan. In haar ogen lag een smekende uitdrukking. 'Als u, meneer De Cock,' zei ze zacht, 'vanmiddag thuiskomt, dan zult u daar een uitnodiging vinden voor een fancyfair die vanavond in Ouderkerk aan de Amstel wordt gehouden.'
'Ja?'
Ze streek een blonde lok uit haar gezicht.
'Ik verzoek u dringend om aan die uitnodiging gehoor te geven.
Meneer De Cock, kom vanavond samen met uw vrouw naar die fancyfair.'
De Cock haalde nonchalant zijn schouders op.
'Waarom?'
Ze keek hem doordringend aan.
'Ik heb u al gezegd dat mijn man hier niets van weet. Ik doe dit uit mijzelf. Ik weet dat die uitnodiging aan u is verzonden. Ik weet ook met welk doel. Mijn man hoopt dat u zal komen. Hij is echter van mening dat uw komst niet beslist noodzakelijk is. Hij verwacht dat er op die fancyfair in Ouderkerk genoeg mensen zullen komen, die ons kennen. Misschien heeft hij gelijk. Maar ik ben bang, meneer De Cock, ik ben bang. De meeste mensen hebben namelijk een slecht geheugen. U niet, meneer De Cock, u niet. U bent als rechercheur gewend bepaalde dingen te onthouden, op te letten. Daarom, ziet u, daarom wil ik dat u komt.' Ze sprak dwingend, overtuigend, met nauwelijks ingehouden emotie. 'Ik heb twee jonge kinderen, meneer De Cock. Ik moet er niet aan denken… ' dat Pierre,' vulde De Cock aan, 'de gevangenis in gaat.' Ze knikte traag. 'U begrijpt me.'
De Cock nam zijn kopje op en dronk langzaam van zijn koffie. Haar woorden klonken nog na, als een echo, steeds resonerend tegen zijn schedeldak. Na een tijdje zette hij zijn kopje weer neer en wreef met zijn hand langs zijn brede kin. 'U kent de plannen?'
'Ja.'
'U was dus de vrouw die even over achten naar Het Wapen van Groenland belde en naar Jan Brets vroeg?' Ze knikte nauwelijks merkbaar.
'Waarom?'
Ze antwoordde niet.
De Cock kneep zijn lippen op elkaar.
'Ik zal het u zeggen,' zei hij bitter. 'U wilde met dat simpele telefoontje uw geweten sussen. Een armzalige poging, u wist toch dat acht uur te laat was.' Haar ogen schoten vuur. 'Ik kon geen verbinding krijgen,' zei ze fel. 'Had u anders Brets gezegd wat er zou gebeuren?' Ze boog het hoofd en verviel in een diep zwijgen. Zenuwgolfjes trilden langs haar wangen.
De Cock stond in tweestrijd; hij wist niet precies wat hij zou doen. Hij wreef met de rug van zijn hand langs zijn lippen en keek naar de vrouw voor hem. Hoe ver kon hij gaan? Hoe ver mocht hij gaan voor zijn gevoel?
'Mevrouw Brassel,' begon hij wat aarzelend, 'ik zou u hier, in dit restaurant, een verhoor kunnen afnemen. Ik zou u met kleine listige vraagjes kunnen misleiden. Ik zou van de antwoorden, die u mij gaf, misbruik kunnen maken, door de gegevens, die u mij misschien ongewild verschafte, tegen uw man te gebruiken.' Hij wachtte even en leunde voorover met zijn ellebogen op tafel. 'Ik zou dit kunnen doen, maar doe het niet.' Hij keek haar aan. Zijn hoofd een beetje schuin. 'Toch heb ik één vraag.'
'Ja… '
'Wie wordt er vanavond vermoord?'
Mevrouw Brassel verbleekte. Haar mond viel open en met grote angstige ogen staarde ze hem wezenloos aan.
'Wie,' herhaalde De Cock, 'wordt er vanavond vermoord?'
Uit haar keel ontsnapte een angstig gilletje.
Heel even duurde de verdoving. Toen stond ze met een ruk op, greep haar mantel van de kapstok en holde naar de uitgang.
Ze gunde zich niet eens de tijd haar mantel aan te trekken. Ze vluchtte alsof de duivel op haar hielen zat.
De Cock keek haar onbewogen na. Hij was rustig blijven zitten, zijn breed gezicht in een effen masker.
De kelner kwam dichterbij.
'Mevrouw had haast,' stelde hij vast.
De Cock knikte en bestelde zijn vierde kop koffie.