'Hij is je dus ontkomen.'
Vledder boog beschaamd het hoofd.
'Die jongen liep veel sneller dan ik. Hij vluchtte via de Haring-pakkerssteeg naar het Damrak. Toen ik daar aankwam, was hij opgelost in het publiek. Je weet hoe druk het daar altijd is.' De Cock glimlachte om het beteuterde gezicht van zijn jongere collega.
'Trek het je niet aan,' zei hij opbeurend. 'We pakken hem wel, vandaag of morgen. Ik vraag mij toch af of hij wel de man is die wij zoeken.'
Vledder keek hem verbaasd aan. 'Denk je dat hij de moordenaar niet is?' De Cock haalde zijn schouders op.
'Ik weet het niet. We zullen eerst eens uitgebreid met hem moeten praten. Kijk, de moordenaar van Jan Brets moet aan één belangrijke voorwaarde voldoen.' 'En dat is?'
De Cock gebaarde met beide handen.
'Hij moet in een zodanige relatie staan tot Pierre Brassel, dat deze wist dat de moord zou worden gepleegd. Begrijp je, de moordenaar moet aan Brassel hebben verteld wat hij van plan was. En dit niet door een wilde uitroep in een of andere Utrechtse bar, waarvan Cynthia vertelde, maar rustig, gedetailleerd met bijzonderheden over plaats en tijd. In die sfeer is geen ruimte voor een emotionele moord. De knappe Cynthia van Woerden voelt zich uiteraard bijzonder gevleid dat haar ene minnaar de andere naar het leven staat, maar volgens mij was de moord op Jan Brets geen moord uit passie.'
Hij pauzeerde even en streek met zijn pink over de rug van zijn neus. 'Hoewel, Freddy van Blaakeren was de enige, die Jan Brets een clown noemde.'
Vledder kwam naast hem staan. 'Die harlekijnhouding zit je dwars?'
De Cock knikte peinzend.
'Ik weet er eerlijk gezegd geen weg mee,' zei hij somber. 'En er is in dit onderzoek nog zoveel waar ik geen weg mee weet. Bijvoorbeeld dat syndicaat. Het is mij te fantastisch, te onlogisch ook. Denk maar na. De eerste inbraak zou worden gepleegd bij de firma Van Brunssum en Van Brunssum is een vriend van Brassel. Er zal daarbij een nachtwaker worden neergeslagen, Brassel heeft de man uitgenodigd voor een feestje. Jan Brets die de inbraak moet plegen, wordt vermoord, en Brassel steekt geen hand uit om dat te verhinderen.'
Vledder knikte wat triest voor zich uit. Plotseling begonnen zijn ogen te glanzen. Het was alsof een simpele gedachtevonk in een flits uitschoot tot een felle vlam.
'Je hebt gelijk,' riep hij ineens wild enthousiast, 'het zou inderdaad volkomen onlogisch zijn wanneer Brassel Jan Brets liet vermoorden, terwijl hij hem nodig had voor een inbraak.' De Cock keek hem wat verward aan. 'Ik vat je niet.' Vledder lachte opgewekt.
'Weet je,' zei hij met opgestoken vinger, 'hij had Jan Brets helemaal niet nodig voor een kraak. Er was geen kraak.'
'Wat?'
Vledder grinnikte.
'Er was geen kraak,' herhaalde hij. 'Bij de firma Van Brunssum was niets te halen. We weten het. Het was feitelijk geen object voor een inbraak. Brassel heeft, volgens mij, Operatie Harlekijn ook nooit serieus bedoeld. Het was niet alleen fantastisch, zoals jij zei, het was een fantasie. Dat hele plan voor een bende, een syndicaat, was — zo zie ik het — een maskerade. Brassel heeft dat alles uit zijn duim gezogen. Hij wilde alleen dat Jan Brets zijn intrek nam in Het Wapen van Groenland. Het was een valstrik.' 'Een valstrik?'
Vledder knikte nadrukkelijk.
'Onder het voorwendsel dat hij een mooie klapper wist, lokte Brassel de inbreker Brets naar Amsterdam, naar Het Wapen van Groenland. En Brets trapte erin. Geloof me, zo is het gegaan. Pierre Brassel heeft Jan Brets bewust in de val gelokt.' De Cock kauwde op zijn onderlip.
'Blijft natuurlijk nog altijd de vraag: Wie doodde Jan Brets en waarom?'
Het gezicht van Vledder betrok. 'Je hebt gelijk,' zei hij somber, 'het brengt ons feitelijk niet veel verder.' De Cock legde vertrouwelijk een hand op de stevige schouder van zijn leerling.
'Toch lijkt het mij een vruchtbare gedachte,' zei hij bemoedigend. 'Ik geloof dat Jan Brets inderdaad in de val is gelokt. Het heeft er alle schijn van.'
Ineens kreeg zijn gezicht een korzelige uitdrukking. Hij schudde zijn hoofd, liep bij Vledder vandaan en begon met grote passen door de recherchekamer te stappen. In de cadans van zijn tred lieten zijn gedachten zich nu eenmaal gemakkelijker ordenen. Een lawine van vragen kwam op hem af. Na een poosje ging hij achter zijn bureau zitten en pakte uit de lade een blanco vel papier. Links bovenaan schreef hij valstrik, in forse schoolse letters. Zijn pen aarzelde even. Toen plaatste hij achter het woord een vraagteken. Het was een gewoonte van De Cock. Wanneer een bepaalde vraag hem sterk bezighield, schreef hij die op. Het was voor hem alsof hij op die wijze de vraag transponeerde in iets tastbaars; een concrete uitdaging aan zijn verbeelding. Hij keek naar het kale woord en tikte met zijn middelvinger op het papier. 'Hoe wist Brassel,' riep hij geprikkeld, 'een gedegen en alom geacht Amsterdams accountant, van het bestaan van een man als Jan Brets, een man met een strafblad van hier tot gunder.' Hij keek naar Vledder op.
'En wie had er zoveel belang bij de dood van de inbreker, dat hij tot een moord besloot?' Hij plooide zijn gezicht tot een grijns en gebaarde voor zich uit. 'Was dat Pierre Brassel? Had de accountant Brassel belang bij de dood van Jan Brets? Het is nauwelijks denkbaar.'
Een tijdlang zwegen ze. De Cock keek naar het woord valstrik. Vledder verzonk opnieuw in gepeins.
'Het laat zich niet rijmen,' zei hij na een poosje. 'Er is inderdaad geen redelijk verband te zien. Het is zonder meer duidelijk dat Brassel er tot zijn nekharen inzit. Dat lijdt geen twijfel. Maar wanneer je hem probeert te passen, lukt dat niet. Feitelijk draait voor ons alles maar om één vraag: wat heeft Brassel met die hele affaire te maken?' De Cock stond op. 'Laten we het gaan vragen.' Vledder keek hem verbaasd aan. 'Vragen… aan wie?' De Cock grijnsde.
'Aan de man die blijkbaar alle antwoorden kent.' Vledder begon te glunderen.
'Brassel?'
'Juist.'
Het was een fraai huis, vriendelijk, in rode baksteen en met grote ramen. Het lag in Ouderkerk aan de Amstel, op de hoek van een kleine straat, niet ver van de verkeersweg naar Amstelveen en Schiphol. De ramen waren verlicht. De Cock had het beter gevonden de accountant niet in zijn kantoor op te zoeken, maar thuis. Kantoren, zo was zijn ervaring, hadden meestal een onpersoonlijk karakter. Ze vertelden weinig of niets van de persoonlijkheid van de gebruiker. Bij een huis was dat anders. Het interieur was vaak een spiegel van de mensen die het huis bewoonden. Daarom had hij gewacht tot de avond.
Het was niet moeilijk Pierre Brassel te vinden. Hij zat gewoon te kijk, gelijkvloers, achter een groot raam, bij de haard in een diepe fauteuil met een boek. Wat verder achter in de kamer, aan een grote ronde tafel, zat even rustig een vrouw met een handwerkje. Het was een vredig tafereeltje van huiselijke gezelligheid, gedompeld in zacht diffuus licht en volkomen passend bij het beeld van een keurige accountant. Het gluren in die verlichte kamerruimte bezorgde De Cock een wat vreemd schuldgevoel. Zijn burgerlijke ziel speelde hem parten. Het leek hem toe dat hij inbreuk maakte op de intimiteit van die twee mensen in dat huis, dat hij hen in feite betrapte, maar hij bedacht als verontschuldiging dat zij zich toch zelf ten toon stelden en die openheid blijkbaar wensten.
Met de jonge Vledder naast zich bleef hij nog een poosje naar het tafereeltje staan kijken. Het beeld van de huiselijke Brassel met pantoffels aan zijn voeten lag zo ver van misdadigheid, van moord, dat hem de gedachte besloop dat alles toch maar een grap was, een practical joke, en dat straks iemand zou beginnen te schateren, luid, uitzinnig luid, zodat het echode door de straten. En dat alle bewoners van Ouderkerk aan de Amstel uit hun huizen zouden komen om hem te bespotten, De Cock, die gekke rechercheur, die keurige accountants belaagde met zotte ideeën. Hij zuchtte diep, trok Vledder aan de arm met zich mee en slenterde naar de deur. Even aarzelde hij nog, toen drukte hij op de bel. Het duurde niet lang. Al na een paar seconden werd de buitendeur geopend. Voor hen stond een knappe slanke vrouw. De fraaie lijnen van haar figuur tekenden zich scherp af, als een silhouet. Het helle licht uit de hal glansde op het blonde haar. De Cock vroeg zich af of hij haar al eens meer had ontmoet, maar toen zijn herinnering hem niet hielp, bedacht hij cynisch dat het lot hem dikwijls mooie blonde vrouwen op zijn pad had gevoerd en op een of andere manier leken ze allemaal op elkaar. Hij lichtte beleefd zijn hoedje. 'Mevrouw Brassel?' Ze knikte bedaard.
De Cock presenteerde zijn innemendste glimlach. De Cock, De Cock met ceeooceekaa.'
Ze stak hem vriendelijk de hand toe.
'Ik heb veel van u gehoord.' Ze sprak met een licht Duits accent. Uit haar mond klonk het zelfs prettig. 'En dat is mijn collega Vledder.' 'Aangenaam.'
De begroeting verliep vormelijk. Mevrouw Brassel toonde zich niet in het minst verbaasd over het bezoek van de beide rechercheurs. Ze handelde ongedwongen alsof ze van tevoren van hun bezoek op de hoogte was gebracht. 'U wilt mijn man spreken?'
De Cock knikte met zijn hoedje in zijn hand. 'Dat was inderdaad de bedoeling.' Ze wees naar de kapstok in de hal.
De langbenige Brassel acteerde als een opgewekte gastheer. Hij rangschikte de fauteuils in een halve kring om de haard, schoof minitafeltjes bij en straalde van vriendelijke genegenheid. 'Koffie?'
Vledder en De Cock knikten gretig.
Pierre Brassel gaf zijn vrouw een wenk en zij haastte zich naar de keuken. De Cock keek haar bewonderend na tot Brassel weer zijn aandacht opeiste.
'Ik heb eens ergens gelezen,' koutte hij luchtigjes, 'dat de Nederlandse, en meer speciaal de Amsterdamse rechercheur, koffie als een soort levenselixer beschouwt. Is dat zo?' De Cock lachte beleefd.
'Het is een tonicum. Een onschuldige inspiratiebron. Er zijn mensen die sterkere prikkels nodig hebben om geïnspireerd te raken.'
Brassel reageerde niet. Hij gebaarde naar de wachtende fauteuils.
'Gaat toch zitten heren. Mijn vrouw komt zo met de koffie en dan zult u eens proeven hoe koffie kan smaken. Zij is van Duitse origine, mijn vrouw, en een wonder, ik mag wel zeggen, een magische fee in de keuken. Luitjes die wel eens iets van haar voortreffelijke kookkunst hebben geproefd, vragen zich af hoe ik het besta om zo mager te blijven.' Hij grinnikte verontschuldigend. 'Ik heb blijkbaar geen aanleg voor… eh…' De Cock keek hem spottend aan. 'Voor wat?'
Even flikkerde er iets in de ogen van Brassel. Toen krulden zijn lippen zich in een speelse glimlach. '… voor corpulentie.' De Cock grijnsde. 'Dat is prettig.'
Brassel strekte zijn lange benen, leunde behaaglijk achterover en legde de vingertoppen tegen elkaar.
'In onze familie,' ging hij verder,' 'komt het John Bull-type niet voor. Ik kan mij bijna slaafs aan het culinair genie van mijn vrouw onderwerpen. Het schaadt mij niet.'
Vledder verschoof iets in zijn fauteuil. Het lege gebabbel irriteerde hem bovenmatig. Hij kwam het liefst direct terzake. Zijn wat ongedurige natuur hield niet van omwegen. 'Hebt u zich al,' vroeg hij geprikkeld, 'de vraag gesteld, waarvoor wij u zijn komen bezoeken?'
Pierre Brassel keek hem aan, verstrooid, alsof de interruptie hem niet welgevallig was. 'U zegt?'
Over het gezicht van Vledder vloog een lichte blos. De onuitgesproken terechtwijzing prikkelde hem nog meer. Hij schoof vooruit naar het randje van zijn fauteuil. 'Weet u waarvoor wij zijn gekomen?' Brassel knikte bedaard.
'Dat lijkt mij nogal duidelijk,' verzuchtte hij. 'De vrij plotselinge dood van Jan Brets in Het Wapen van Groenland zit u dwars. Beroepshalve, bedoel ik, want ik neem niet aan dat u er persoonlijk door getroffen bent. Uw onderzoek in deze zaak heeft tot nu maar weinig positieve resultaten opgeleverd. U hebt te weinig aanknopingspunten en door mijn briefje, maar misschien nog meer door mijn bezoek aan uw politiebureau, hebt u het gerechtvaardigd vermoeden gekregen dat ik u de dader van de moord zou kunnen noemen.'
Zijn toon was puur zakelijk, als besprak hij de resultaten van een proefbalans. 'Is het zo niet?' Vledder hapte naar lucht.
'Zo, zo is het,' stamelde hij, 'ja, precies, zo is het inderdaad.' De Cock genoot heimelijk. Hij glimlachte achter zijn hand. Het gezicht van de verblufte Vledder was beslist koddig om te zien. Mevrouw Brassel kwam binnen en serveerde koffie. Ze had zich intussen ook verkleed. Ze droeg nu een eenvoudige japon van een zwartwollen stof, die verleidelijk contrasteerde met de matbleke huid.
Bij de koffie presenteerde ze een krokant gebak van eigen makelij dat De Cock noopte tot een compliment. 'Heerlijk,' riep hij verrukt, 'bijzonder lekker. Ik heb zoiets nog nooit geproefd. Mijn vrouw zou dit recept moeten kennen.'
Ze schonk hem een lieve glimlach.
'Ik zal het haar geven,' zei ze haast fluisterend. 'Van de week nog.'
De toon van geheimzinnigheid in haar stem deed De Cock opkijken. Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Van de week nog?'
Pierre Brassel kwam haastig tussenbeide. 'Het is een kwestie van traditie,' zei hij overluid en nadrukkelijk. 'Mijn vrouw stamt uit een oud-Duits geslacht. De bijzondere recepten uit de familie zijn steeds van moeder op dochter overgegaan.'
De Cock knikte prijzend.
'Een traditie,' zei hij, 'beslist waard om in leven te worden gehouden.'
Mevrouw Brassel bracht een droeve glimlach. 'Er zijn in onze familie ook tradities…'
Plotseling stokte ze. Er blonk een waarschuwing in de ogen van haar man, een waarschuwing die ook De Cock niet ontging. Hij keek haar onderzoekend aan. 'Wat voor tradities, mevrouw Brassel?' Ze blikte naar haar man en zuchtte. '…die… eh, minder onschuldig zijn.'
Brassel lachte, een lach zonder vreugde. 'Mijn vrouw doelt waarschijnlijk op een paar boertige gebruiken die vermoedelijk nog uit de middeleeuwen stammen. Niet waar, Liselotte?' Ze liet het hoofd iets zakken en knikte. Pierre Brassel stuwde het gesprek onmiddellijk in een andere richting. Op een of andere manier scheen hij bang te zijn voor de uitlatingen van zijn vrouw. Wanneer zij sprak hield hij haar nauwlettend in het oog, volgde gespannen haar woorden. Het was duidelijk dat hij liefst zelf het initiatief hield. Hij wendde zich tot De Cock.
'U hebt,' vroeg hij belangstellend, 'bij uw onderzoek nog geen fouten achteraf kunnen vinden?' De Cock haalde zijn schouders op.
'Dat is nu nog zo moeilijk te zeggen,' antwoordde hij bedachtzaam. 'Er zullen bij de moord op Jan Brets beslist wel fouten zijn gemaakt. Ik geloof niet in een perfecte moord. Ik moet echter bekennen dat ik nog geen fouten heb ontdekt.' Brassel glunderde.
'Hetgeen,' vulde Vledder haastig aan, 'overigens niets zegt. Dat wij nog geen fouten hebben gevonden, betekent niet dat ze er niet zijn.'
Brassel schudde zijn hoofd en lachte. Het was een laatdunkend, wat vernederend lachje. Het klonk niet prettig. Hij bracht opnieuw zijn lange smalle vingers naar voren en liet de vingertoppen tegen elkaar rusten.
'U hebt beiden,' sprak hij met een neerbuigende vertedering, 'een wat vreemde manier van redeneren. In uw betoog ontbreekt de logica.' Hij gebaarde voor zich uit. 'Fouten,' expliceerde hij, 'zijn eerst dan fouten, wanneer ze ontdekt worden. Begrijpt u. Eerder bestaan ze niet. Ze worden pas geboren op het moment van de ontdekking. Onontdekte fouten hebben geen realiteit.' Hij wachtte even en grinnikte. 'Ik hoop, dat de heren mij kunnen volgen?' De Cock klemde zijn lippen op elkaar. Het hautaine gedoe van Brassel kietelde zijn zenuwen.
'Voor mij,' antwoordde hij grimmig, 'is er maar één realiteit, de moord op Jan Brets.'
Hij strekte zijn arm in de richting van Brassel.
'En over logica gesproken, hoe kan een verstandig man, een rustig en gedegen burger met een lieve charmante vrouw, twee jonge kinderen en een goede positie, zo roekeloos spelen met twintig jaar van zijn leven?'
Brassel snoof.
'Twintig jaar, waarvoor?'
De Cock keek hem doordringend aan.
'Moord,' zei hij effen.
Brassel reageerde heftig.
'In Nederland, twintig jaar, voor een moord?'
Hij lachte smadelijk.
'Bespottelijk, en dat weet u. Er is hier geen rechter die u twintig jaar geeft, al moordt u een heel dorp uit.'
Hij pauzeerde even en zuchtte diep.
'Bovendien, ik heb geen moord gepleegd.'
De Cock grijnsde breed.
'Er bestaat ook nog zoiets als medeplichtigheid.'
Brassel kwam met een ruk overeind.
'Medeplichtigheid, medeplichtigheid?'
Hij liep met grote passen naar zijn boekenkast. Zijn anders wat bleek gezicht zag rood van emotie.
'Hier,' riep hij wijzend naar een rijtje kapitale boeken in linnen band, 'hier het hele Wetboek van Strafrecht en al de jurisprudentie van de laatste honderd jaar. Ik heb dit doorgeworsteld. Nauwkeurig, geloof me, woord voor woord. Ik heb mij laten voorlichten door de beste advocaten in het land.' Hij stak zijn vinger naar De Cock uit.
'Indien u uit mijn gedragingen inzake de moord op Jan Brets medeplichtigheid kunt distilleren, dan bent u knapper dan alle openbare aanklagers en rechters van deze eeuw.' De Cock, niet in het minst geïmponeerd, haalde zijn schouders op.
'Ik ben geen openbaar aanklager of rechter,' zei hij zo nonchalant mogelijk. 'Ik behoef als eenvoudig rechercheur uw medeplichtigheid niet te bewijzen. Ik heb aan een simpel vermoeden al genoeg om u vast te houden.' Hij maakte een grimas. 'Over de redelijkheid van een dergelijke arrestatie zouden we achteraf kunnen discussiëren.' Brassel raakte zichtbaar opgewonden.
'Ik ken uw bevoegdheden,' riep hij met schelle stem. 'U kunt mij niet arresteren. U kunt tegen mij niets ondernemen. U hebt daar het recht niet toe.' De Cock keek hem spottend aan.
'U verdoezelt voor mij een moordenaar, en spreekt over recht?' Hij schudde verwijtend het hoofd.
'Heer Brassel… ' hij sprak langzaam met een dreigende ondertoon, 'begrijp toch goed, u kunt uw vermakelijke moordspel-letje met mij alleen spelen, omdat u vertrouwen stelt in mijn eerlijkheid als mens en mijn betrouwbaarheid als handhaver van de wet. Ik moet zeggen, het is bijzonder vleiend. Het houdt voor mij een compliment in. Maar voor u is het de enige basis van uw vrijheid.'
Brassel keek De Cock argwanend aan.
'Ik begrijp u niet,' zei hij traag. 'Uw eerlijkheid… mijn vrijheid?'
De Cock knikte nadrukkelijk.
'Als u het wetboek goed hebt doorgelezen, dan weet u dat op u de verplichting rustte om Brets vooraf, op een of andere manier te waarschuwen dat hij zou worden vermoord.' Brassel glimlachte fijntjes.
'Dat heb ik ook gedaan,' zei hij zelfverzekerd. 'Ik schreef een briefje. U zult het ongetwijfeld hebben gevonden, onder het lijk.' De Cock keek hem quasi verwonderd aan. 'Een briefje?'
'Ja, een waarschuwingsbriefje.' De Cock trok een gezicht van onbegrip. 'Ik heb het niet gevonden,' loog hij pertinent. 'Ik heb een dergelijk briefje nooit gezien.' Brassel keek hem verbaasd aan. 'Dat moet.'
De Cock maakte een hulpeloos gebaartje. 'Het spijt me,' sprak hij verontschuldigend. 'Het was er niet. Ik vrees dat zo'n briefje alleen maar in uw fantasie bestaat. Ik moet dus aannemen dat u Brets niet hebt gewaarschuwd, terwijl u wist dat zijn leven werd bedreigd. Ik heb geen andere keus. Het is een strafbare nalatigheid.'
Voor het eerst verloor Brassel iets van zijn zelfbeheersing. Hij ging wijdbeens voor De Cock staan. Zijn handen trilden en op zijn wangen lagen rode blosjes.
'U hebt het gevonden,' schreeuwde hij. 'U hebt het gevonden.' Hij herhaalde het, nadrukkelijk, als een schoolmeester voor een domme klas. Zijn stem bulderde door de kamer. De Cock bleef rustig zitten. Hij streek met zijn hand langs zijn breed gezicht en keek vanuit zijn fauteuil omhoog langs de lange gestalte voor hem.
'Wat is er Brassel?' zei hij sarcastisch. 'Voelt u zich niet goed?' Brassel gebaarde woest om zich heen.
'Dat is vals,' riep hij fel, 'laag, gemeen, leugenachtig. U hebt het briefje. Natuurlijk hebt u het. U hebt het gevonden onder het dode lichaam van die Brets. Het kan niet anders. Ik heb het geschreven en Fre…' Hij stokte plotseling, slikte het laatste woord half in en keek geschrokken voor zich uit. De rode blosjes van opwinding waren verdwenen. Alle kleur was uit zijn gezicht weggetrokken. Hij zag ineens lijkbleek. Ook mevrouw Brassel leek hevig geschrokken. Ze herstelde zich sneller dan haar man. 'Ik geloof dat ik u begrijp, meneer De Cock,' zei ze zacht. 'U wilt mijn man alleen maar bang maken. Is het niet? U hebt het briefje wel gevonden.' Ze sprak zoet vleiend, haast smekend.
'U wilt hem alleen duidelijk maken dat u zou kunnen zeggen dat er geen briefje lag, dat er dus geen waarschuwing was gegeven.' Ze zuchtte diep. 'Dat zou u kunnen zeggen als u een oneerlijk mens was.'
Op dat moment ging de deur van de kamer langzaam open en een schattig meisje van een jaar of zes kwam aarzelend binnen. Ze droeg een lichtblauw pyjamaatje en langs haar hoofdje hingen lange pijpenkrullen als kurkentrekkers naar beneden. Ze wreef met beide handjes langs haar ogen. 'Ich kann nicht schlafen,' zei ze zacht jengelend, 'soviel Larm.' Mevrouw Brassel sprong op, pakte het meisje bij de hand en nam haar sussend mee de kamer uit.
Het kleine intermezzo had Pierre Brassel de gelegenheid gegeven zich grotendeels te herstellen. Hij was weer in zijn fauteuil gaan zitten. Langzaam kwam er wat kleur op zijn wangen terug. Hij streek met de rug van zijn hand langs zijn voorhoofd. 'Het arme kind moet van mijn wilde geschreeuw wakker zijn geworden,' zei hij met een zucht. 'U hebt mij waarachtig ook wel laten schrikken.'
De Cock negeerde de opmerking. 'Uw kind?' vroeg hij. Brassel schudde het hoofd.
'Nee,' zei hij, 'de kleine Ingrid is geen kind van mij. Ze is het jongste dochtertje van de broer van mijn vrouw. Een kind dus van mijn zwager. Ze logeert tijdelijk bij ons. Het is een wat nerveus kind. Erg gevoelig voor sfeer en indrukken uit haar omgeving.'
Hij glimlachte wat vermoeid.
'Mijn kinderen zijn anders. Minder kwetsbaar. Die slapen door alles heen, al vergaat de wereld.'
Na een paar minuten kwam mevrouw Brassel in de kamer terug. Ze hield de wijsvinger voor haar lippen. 'Ingrid slaapt weer,' zei ze. 'Laten we wat rustiger zijn. Het kind is zo gauw wakker.' Ze wendde zich tot De Cock.
'Het probleem van het waarschuwingsbriefje is inmiddels opgelost, hoop ik?' De Cock knikte.
'Ik heb het gevonden,' antwoordde hij glimlachend. 'Het lag inderdaad onder het lijk van Jan Brets, precies zoals uw man veronderstelde.'
Ze slaakte een zucht van verlichting. 'Mag ik dan nog eens koffie inschenken?' Vledder en De Cock knikten als een tweeling. 'En jij Pierre?'
De heer Brassel keek verward op.
'Wat?'
'Nog koffie?'
'Koffie…? O ja, dat is goed.'
De Cock grijnsde. 'Verstrooid, heer Brassel? Waar was u met uw gedachten? Op het veld?'
Brassel keek hem niet-begrijpend aan.
'Op het veld?'
De Cock knikte opgewekt.
'Ja, op het veld. Het is toch nog niet zo lang geleden dat u als midvoor van het hockey-elftal van Quick successen boekte?' Hij krabde zich wat verlegen achter in de nek. 'U was, meen ik, vooral befaamd om uw slag- of sticktechniek.'
Hij grinnikte als een schooljongen.
'Of zeg ik dat zo verkeerd? Ik ben namelijk geen expert in hockey.'