Rechercheur De Cock keek speurend om zich heen. Kamer 21 van Het Wapen van Groenland bood weer een normale aanblik. Het nerveuze gedraaf van de politiemensen was opgehouden en het zo dominerende lijk van Reinier Kamperman was weggehaald. Alleen een plasje geronnen bloed getuigde nog van de moord.
'Ben je hier klaar met je onderzoek?' Vledder nam de kamer nog eens in ogenschouw en knikte. 'Ik dacht van wel,' zei hij aarzelend. 'Ik geloof niet dat ik wat ben vergeten.' Hij pakte zijn boekje met aantekeningen en las ze door. 'Nee, volgens mij heb ik alles gedaan wat er gedaan moest worden.'
De Cock knikte goedkeurend.
'Mooi, dan kun je nu wel gaan.'
Vledder wees op de deur.
'Moeten we de kamer niet verzegelen?'
De Cock haalde wat vermoeid zijn schouders op.
'Och nee,' zei hij loom, 'laat maar. Dat heeft nu weinig zin meer. We weten alles. Bovendien, meer moorden hoeven we niet te verwachten. Dit was de laatste wraak van de harlekijn.'
Vledder staarde hem wat verbaasd aan.
'Je schijnt nogal overtuigd.'
De Cock knikte gelaten.
'Dat ben ik ook,' zei hij met een zucht. 'Overtuigd en verdrietig.' Hij schonk zijn leerling een wat matte glimlach. 'Kom Dick,' drong hij aan, 'anders wordt het zo laat.' Hij keek op zijn horloge. 'Met de wagen ben je in een halfuur in Velsen. Doe het wel voorzichtig, ik bedoel, vertel mevrouw Kamperman, als het kan zonder haar te schokken, dat haar kinderen geen vader meer hebben.'
Vledder schonk hem een droeve glimlach. 'Zonder haar te schokken,' herhaalde hij wat wrang. 'Ik had liever dat je meeging. Jij bent in die dingen beter dan ik. Ik kan zo slecht iemands verdriet opvangen. Ik raak meestal zelf van de kook.'
De Cock klopte hem vaderlijk op de schouder. 'Dat is niet erg, Dick,' zei hij. 'Dat mag gerust. Verdriet is universeel.'
Vledder zuchtte.
'Je gaat dus echt niet mee?'
De Cock schudde zijn hoofd. 'Ik blijf hier.'
'In het hotel?'
'Ja, voorlopig. Ik heb mijzelf een onderhoud met de directeur beloofd.'
Vledder knikte.
'Nou,' zei hij met een treurig gezicht, 'dan ga ik maar. Ik heb er eerlijk gezegd weinig zin in. Ik weet precies wat mij daar in Velsen staat te wachten: een huilende vrouw en een stel brullende kinderen. Ik hoop dat haar familie niet te ver weg woont. Anders zal ik in godsnaam haar buren wakker moeten maken.'
De Cock knikte.
'Doe je best,' zei hij simpel.
Met een wat norse trek om zijn lippen, zijn oude vilten hoed nonchalant achter op zijn hoofd, stond De Cock breeduit voor de portiersloge en klapte met zijn vlakke hand op de brede houten balie. De portier keek geschrokken om.
'O,' stamelde hij onthutst, 'ik wist niet dat u nog in het hotel was. Ik dacht dat u gelijk met uw collega was vertrokken.' De Cock grijnsde.
'Nee, mijn vriend,' zei hij met een lichte dreiging, 'ik ben er nog. Ik ben gebleven, gebleven voor een lieflijk onderhoud met die directeur van jou.' 'O,' zei de portier.
'Ja,' zei De Cock, 'en wil je nu zo vriendelijk zijn mij even bij hem aan te dienen?' De portier zuchtte zwaar.
'De heer Gosler,' zei hij aarzelend, 'is ziek. Ik mag wel zeggen ernstig ziek. Hij ontvangt de laatste maanden geen bezoek meer op zijn kamer. En zeker niet op dit uur. Het is al ver na middernacht, weet u.'
De Cock trok zijn gezicht in een brede glimlach.
'Ik weet zelf best hoe laat het is, mijn vriend,' zei hij met een zoet sarcasme, 'dat behoef jij mij echt niet te vertellen.' Hij schudde het grijze hoofd. 'Ik heb je trouwens ook niet om de tijd gevraagd. Ik heb je alleen verzocht mij bij die directeur van jou aan te dienen. Meer niet.'
De portier trok zijn hoofd tussen zijn schouders.
'Ik vrees,' zei hij ontwijkend, 'dat…'
Verder kwam hij niet.
Vanover de houten balie greep De Cock hem vriendelijk, maar bijzonder stevig bij de nek en duwde hem zachtjes de portiersloge uit.
'Kom vriend,' siste hij in zijn oor, 'wijs mij zijn kamer.' De portier stribbelde tegen.
'Als u mij toestaat,' zei hij benauwd, 'dan zal ik hem eerst even bellen. Dat lijkt mij beter.'
De Cock liet hem los.
'Goed, mijn vriend, bel hem eerst. Maar zeg hem wel dat ik hem tot elke prijs wil spreken.' Hij stak waarschuwend een vinger omhoog. 'En mocht meneer-de-directeur soms het onzalige idee hebben dat hij mij zonder meer buiten zijn deur kan houden, zeg hem dan dat hij zich schromelijk vergist. Desnoods breek ik heel persoonlijk en ook heel onwettig de deur van zijn kamer open.' De portier monsterde het verbeten gezicht van De Cock en slikte. 'Waarachtig,' riep hij angstig, 'ik geloof waarachtig dat u het doen zou.'
De Cock trok een grimas. 'Zeg maar amen.'
'Ik zal mij ernstig over u beklagen. Daar kunt u staat op maken. De commissaris van het politiebureau aan de Warmoesstraat is een persoonlijke vriend van mij. Het is eenvoudig ongehoord een ernstig zieke man midden in de nacht lastig te vallen, daar hebt u het recht niet toe. U handelt volkomen onrechtmatig. U gaat uw ambtelijke bevoegdheden ver, maar dan ook ver te buiten.' De Cock knikte de man voor hem in de fauteuil zachtjes toe en schonk hem een medelijdend lachje. De gestrenge blik, waarmee de directeur had gemeend zijn woorden wat kracht bij te zetten, kwam uit een paar moede, fletse ogen. Zijn gehele optreden was niet meer dan een droeve demonstratie van fysieke onmacht. De man besefte het zelf. Hij liet zijn hoofd tegen de hoge rugleuning van zijn fauteuil zakken en zuchtte. De Cock bleef naar hem kijken. Uiterlijk onbewogen. Zijn blik tastte het gelaat af, zocht naar familietrekken. Ze waren er, onmiskenbaar. Het haar was blond. De ogen blauw. Uit de mouwen van zijn wijde kamerjas staken een paar magere handen met lange knokige vingers. De Cock schatte hem op vijftig jaar, maar besefte tegelijk dat die schatting niet juist was. Het gezicht was vertekend, een sluipende ziekte had onuitwisbaar haar sporen gegrift. Frie-drich Gosler leek zeker tien, vijftien jaar ouder dan hij was. 'Het is vreemd,' verzuchtte De Cock, 'heel vreemd. In deze zaak weet eenieder blijkbaar precies tot hoever zich mijn bevoegdheden uitstrekken. Bovendien is er van het begin af aan veel over recht gesproken.' Hij schudde misnoegd het hoofd. 'Ziet u, en juist dat laatste vind ik zo beklemmend. De geschiedenis leert het steeds opnieuw: er wordt nooit zoveel over vrede gesproken, juist wanneer een oorlog dreigt.' De heer Gosler boog zich iets naar voren. 'Ik begrijp u niet,' zei hij zacht. De Cock grijnsde.
'Ik denk dat uw intelligente zwager mij wel begrepen zou hebben, Herr Gosler, ik bedoel dit te zeggen: er zijn in naam van de vrede vele oorlogen gevoerd en er is in naam van het recht veel onrecht geschied.'
De heer Gosler keek hem een tijdje peinzend aan. 'U…' vroeg hij weifelend, 'u kent het motief?' De Cock antwoordde niet direct. Hij wreef met duim en wijsvinger langs de neus in de ooghoeken. Het was een vermoeid gebaar. Een plotselinge loomheid overviel hem. Het was alsof de spanning die hem de laatste dagen had voortgedreven ineens wegzakte. Hij voelde dat hij zijn doel had bereikt en was er vreemd genoeg niet blij mee, integendeel, het maakte hem verdrietig. 'Ja,' zei hij na een poosje, 'ik ken uw motief.'
'En?' 'Wat?'
'Wel, wat zegt u van het motief?' De Cock slikte.
'Het spijt mij,' zei hij hoofdschuddend, 'maar ik heb er, hoe dan ook, geen bewondering voor.'
Het gezicht van de heer Gosler betrok. Zijn vingers klemden zich om de leuning van zijn fauteuil. De knokkels werden wit. Langzaam drukte hij zich overeind.
Met zijn armen strak tegen het lichaam gedrukt, gespannen, in een haast militaire houding, bleef hij voor De Cock staan. 'Dan rechercheur,' sprak hij plechtstatig, 'dan moet u mij nu, op dit moment, arresteren.'
De Cock keek omhoog, bezag de magere gestalte, de kamerjas die om het zieke lichaam slobberde, de diep ingevallen wangen, de doffe ogen, en schudde zijn hoofd.
'Nee,' zei hij traag, 'daar voel ik niets voor.' Gosler keek hem verbaasd aan.
'U moet mij arresteren,' riep hij luid. 'Daar sta ik op. Het is uw plicht.'
De Cock haalde zijn schouders op in een nonchalant gebaar. 'Och, meneer Gosler,' zei hij gemelijk, 'gaat u toch zitten. U bent veel te ziek om lang te blijven staan. Bovendien hebt u mij niets te bevelen. En wat mijn plicht is, dat bepaal ik zelf.' De hoteldirecteur weifelde nog even. Toen liet hij zich bevend in zijn fauteuil terugzakken. Zijn gezicht zag grauw en De Cock bedacht hoeveel inspanning het deze man gekost moest hebben om de verzwaarde hockeystick dodelijk te hanteren. Gosler scheen zijn gedachten te raden.
'Ik ga wel hard achteruit,' zei hij moedeloos, 'vooral de laatste dagen. Ik ben blij dat ik mijn taak nog heb kunnen volbrengen. Ik ben daar wel eens bang voor geweest.' Hij zweeg even en zuchtte.
'Toch sta ik erop dat u mij arresteert. De wereld mag gerust weten wat ik deed en waarom.' De Cock keek hem scherp aan.
'Nee, meneer Gosler,' zei hij hoofdschuddend, 'de wereld mag dat niet weten. Als uw motieven algemeen bekend worden, dan zullen er beslist mensen zijn, kortzichtige mensen, net als u, die menen dat uw beweegredenen aanvaardbaar zijn. En misschien zijn er onder die kortzichtigen wel mensen die in dezelfde omstandigheden verkeren. Ik bedoel, door hun ziekte ongrijpbaar voor een wereldse rechter.'
Om de smalle mond van Gosler verscheen een grijns.
'Als u mij niet arresteert, bel ik uw commissaris. En als die niet reageert, dan is er altijd nog de pers.'
De Cock knikte peinzend.
'Ik neem aan,' zei hij, 'dat mijn commissaris nog niets weet?'
'Nee, nog niet.'
De Cock staarde een tijdlang voor zich uit. Op zijn breed gezicht lag een gelaten, haast sfinxachtige uitdrukking. Na een paar minuten stond hij op. Hij pakte het ivoorkleurige telefoontoestel dat buiten handbereik stond en legde het in de schoot van de verbaasde Gosler. Daarna ging hij weer rustig tegenover hem zitten en keek hem vriendelijk uitdagend aan. 'U kent het nummer van de commissaris?' Gosler knikte verward.
'Mooi,' zei De Cock, 'dan kunt u hem nu bellen.' Gosler keek hem wantrouwend aan.
'Nu…?'
De Cock gebaarde.
'Zeker, waarom niet. Ik moet u er echter wel op wijzen dat op hetzelfde moment dat u mijn commissaris, of eventueel de pers inlicht, ik van hier rechtstreeks naar Ouderkerk aan de Amstel rijd en daar uw zuster en zwager arresteer. Let wel, ongeacht het lot van de kinderen.' Hij pauzeerde even.
'En denk nu niet dat ze de dans ontspringen. Wetboeken, normen en regels geven alleen garanties zolang de mensen er zich aan houden, begrijpt u meneer Gosler. Desnoods pleeg ik een meineed. En als één meineed niet helpt, dan pleeg ik een serie meineden. Maakt u zich over mijn rechtschapenheid echt geen illusies, als het moet ben ik, net als u, een man zonder scrupules.'
De ogen van Gosler vernauwden zich. 'Is dit een dreigement?'
'U kunt het beschouwen zoals u wilt. Wees er alleen van overtuigd dat wanneer u zich aan de wereld als dader presenteert, of het motief van uw daden openbaar maakt, ik uw zuster en zwager als medeplichtigen de gevangenis in help.' Gosler keek hem een tijdje onderzoekend aan en schatte de ernst van het dreigement. 'Ja,' zei hij als conclusie, 'je zou het doen.' De Cock pakte grijnzend het telefoontoestel uit de schoot van Gosler en zette het terug op het tafeltje. 'Kom,' zei hij vriendelijk, 'laten we eens over gerechtigheid spreken.' Gosler knikte vermoeid.