Op de tweede verdieping van het politiebureau aan de Warmoesstraat te Amsterdam zat De Cock wat verloren in de grote kale recherchekamer. Om zijn altijd pijnlijke voeten wat rust te geven, had hij zijn beide benen voor zich op zijn schrijftafel gelegd. Met zijn korte dikke vingers woelde hij door zijn stugge grijze haren en dacht na. Zijn breed gezicht met de markante rimpels van een goedaardige bokser had een wat norse uitdrukking. Het zinde hem niet. Hij had het vreemde briefje die dag al ettelijke malen overgelezen en zich steeds weer opnieuw verbaasd. Dit was nieuw, volkomen nieuw. Een man die de recherche koelbloedig in een kort zakelijk briefje schreef dat hij het plan had opgevat een moord te plegen, was hij in zijn praktijk als rechercheur nog nooit tegengekomen. En hij keek toch al zo'n twintig jaar in het wereldje van de misdaad rond. Dit was nieuw en absurd.
Zeker, uit de geschiedenis van de criminaliteit waren wel voorbeelden bekend van moorden die van tevoren waren aangekondigd. Maar niet op deze manier. In de regel geschiedden dergelijke aankondigingen in gezwollen epistels vol pathos, en altijd anoniem. Maar dit briefje, dit simpele briefje waarin feitelijk geen woord te veel stond, was ondertekend. En dat niet eens met een valse naam.
De Cock had het allemaal nagetrokken, direct al nadat hij het briefje van de brigadier van de wacht in handen had gekregen. Hij had de naam Brassel gewoon in het telefoonboek opgezocht en gevonden. Daarna had hij het nummer gedraaid, 1691923. Hij kende het nog uit zijn hoofd. Ook herinnerde hij zich nog woordelijk het verloop van het telefoongesprek. 'Hallo.'
'Ja?'
'Met de heer Brassel?'
'Ja, daar spreekt u mee.'
'Met rechercheur De Cock van het politiebureau aan de Warmoesstraat… Ik… eh…'
'O, ja, Warmoesstraat… rechercheur De Cock, ja… mijn briefje ontvangen?'
'Ja…, eh… '
'Fijn…, schikt het u om acht uur?'
'Ja, dat… eh… '
'Prachtig, prachtig, u kunt op mij rekenen. Ik zal zorgen dat ik op tijd ben.'
Zo was het gegaan; precies zo.
Voor hij ook maar een enkele vraag had kunnen stellen, had een opgewekte Pierre Brassel de verbinding verbroken. Hij had het niet raadzaam geacht onmiddellijk opnieuw hetzelfde nummer te draaien. Toen hij het een halfuurtje later wel deed — eenvoudig, omdat hij zijn nieuwsgierigheid niet langer kon bedwingen — bleek het bewuste telefoonnummer voortdurend in gesprek. Pierre Brassel scheen een bezet man.
Na een aantal mislukte pogingen had hij de hoorn wat onbesuisd op het toestel gesmeten. Om zijn woede wat te bekoelen had hij bij het fonteintje tegen zijn eigen spiegelbeeld twee minuten lang onbehoorlijke dingen gezegd, over dwaze mensen die er steeds weer in slaagden om hem, De Cock, voor bijna onoplosbare raadsels te plaatsen.
Uiteindelijk had hij besloten om maar niet meer te bellen. Het leek hem het beste om zich eenvoudig aan de gemaakte afspraak te houden. Hij wist nu in ieder geval dat er ergens in Amsterdam een man bestond, een zekere Pierre Brassel, die hem een hoogst merkwaardig briefje had geschreven. De Cock stond op. In zijn typische, wat waggelende slenterpas, zijn handen diep in de zakken van zijn broek, slofte hij langs de verlaten bureaus. In zijn gedachten trachtte hij zich een beeld te vormen van die Brassel, een beeld dat paste bij die stem door de telefoon. Het lukte niet.
Voor het raam bleef hij staan, zachtjes wippend op de ballen van zijn voeten, en keek naar buiten. Zijn blik gleed over de schemerige daken van de oude huisjes aan de overkant van de Warmoesstraat en bleef rusten op de verlichte torenklok van de Oudekerk. Het was half acht. Hij hoopte dat Vledder op tijd van zijn onderzoek terug zou zijn. In ieder geval voor achten.
'En?'
De jonge rechercheur Vledder keek zijn oude leermeester geamuseerd aan.
Om zijn smalle lippen gleed een lichte grijns. 'Als… eh, als je het mij vraagt,' zei hij uiterst bedachtzaam, 'dan is er iemand bezig een kolossale grap met je uit te halen.' 'Een grap?'
'Ja.'
De Cock liet zich lui in zijn stoel achter zijn bureau zakken en keek in het nog jongensachtige gezicht van zijn sympathieke leerling.
'Zo, mijn vriend,' zei hij met een zweem van sarcasme, 'en wanneer wordt er verondersteld dat ik begin te lachen? Op het moment dat de grappige heer Brassel mij de humor van zijn briefje onthult of op het moment dat hij werkelijk een moord pleegt? Je zegt het maar.'
Vledder trok een verongelijkt gezicht. Hij was door de opmerking van De Cock kennelijk in zijn wiek geschoten. 'Het is zo onzinnig,' riep hij kriegel, 'volkomen dwaas! Het spijt me, De Cock, maar ik kan er echt de ernst niet van inzien.' Hij snoof verachtelijk. 'Zeg nou zelf, wie schrijft er nu zo'n briefje.
Zelfs al zou iemand het plan hebben opgevat om deze of gene om zeep te helpen, dan kondigt hij dat toch niet van tevoren aan? Dat doet niemand.'
De Cock keek hem aan. 'Niemand?'
'Nou ja, tenzij iemand stapelgek is.'
De Cock wreef met de rug van zijn hand langs zijn brede platte neus.
'En is hij dat?'
'Wat bedoel je?'
'Is Pierre Brassel stapelgek?'
Vledder zuchtte diep.
'Nee,' zei hij hoofdschuddend, 'nee, dat is hij nu juist niet. Tenminste, tijdens mijn onderzoek van vandaag is mij daar totaal niets van gebleken. Integendeel, de mensen met wie ik over hem sprak waren vrijwel unaniem van mening dat Pierre Bras-sel over een bijzonder goed stel hersens beschikt.' De Cock knikte.
'Dat is dan jammer,' zei hij wat weifelend, 'maar eerlijk gezegd, ik was er al bang voor.'
'Waarom?'
De Cock wreef met zijn hand langs zijn kin. 'Wel, als Pierre Brassel als een vriendelijke, goedaardige gek te boek had gestaan, was alles veel eenvoudiger. Dan belde ik nu nog de gemeentelijke dienst voor geestelijke hygiëne en vroeg de broeders beleefd vriend Pierre een poosje voor ons in observatie te houden. Maar zoals de zaken nu staan…' Hij maakte zijn zin niet af en krabde zich achter in de nek. 'Wat doet onze vriend eigenlijk voor de kost?' Vledder trok een stoel bij.
'Brassel drijft met zijn vader, al een bejaard man, ergens op de Keizersgracht een bescheiden accountantskantoor. De zaak staat zeer goed aangeschreven. Je weet wel, zo'n relikwie uit de vorige eeuw, een onwankelbaar monument van betrouwbare degelijkheid.' De Cock lachte.
'Dat noemt men gerenommeerd.' Vledder maakte een nonchalant gebaartje.
'Jij je zin,' zei hij gemelijk, 'een gerenommeerd kantoor dus, met een jongste bediende, een aankomende bediende en een schat van een secretaresse.'
'Oud?'
'Wie?'
'De secretaresse.'
'O, drieëntwintig jaar, met kastanjebruin haar, een matte teint, groen oplichtende ogen en een onweerstaanbaar kuiltje in haar linkerwang, of wacht even, nee, het was rechts, ja, rechterwang.' De Cock keek zijn jonge collega onderzoekend aan. 'Je hebt blijkbaar uitgebreid kennis met haar gemaakt.' Vledder grijnsde breed.
'Ja, in de valse hoedanigheid van aankomend ambtenaar van monumentenzorg, die het interieur van het oude grachtenhuis kwam inspecteren.'
'En heb je Brassel daar al ontmoet?'
Vledder schudde het hoofd.
'Dat heb ik vermeden. Toen de secretaresse mij uiteindelijk wilde aandienen heb ik mij verontschuldigd en ben snel weggegaan.' Hij glimlachte bij de herinnering. 'Het is een muf, oud kantoor, maar een secretaresse…' Hij maakte zijn zin niet af en staarde dromerig voor zich uit. De Cock tikte met zijn vinger op het bureau. 'Familiebetrekkingen?' 'Van wie?' vroeg Vledder afwezig. De Cock sprong op.
'Niet van de secretaresse,' riep hij geërgerd. Vledder slikte. De felle uitval van De Cock bracht hem tot de werkelijkheid terug. Hij pakte zijn blocnote met aantekeningen en las met monotone stem: 'Piet, of zoals hij zich meestal laat noemen, Pierre Brassel is, volgens vrouwelijke kwalificatie, een knappe jongeman. Hij is drieëndertig jaar oud. Hij heeft volgens mijn zegslieden zonder enige hapering het gymnasium doorlopen en daarna een opleiding gevolgd voor accountant. Na deze opleiding werd hij onmiddellijk opgenomen in de directie van het accountantskantoor. Hij is nu bijna vijf jaar getrouwd, heeft twee kinderen, een jongen en een meisje van respectievelijk drie en anderhalf jaar. Er zijn geen huiselijke strubbelingen bekend. Het gezin woont in een fraai huis, even buiten de grote stad, in Ouderkerk aan de Amstel, niet ver van de weg naar Schiphol. Het huis is bijna vrij van hypothecaire lasten. De financiële status van de familie is over het algemeen zeer bevredigend te noemen.' De Cock bromde. 'Al met al een gedegen burger.' Vledder knikte.
'Juist, een gedegen burger. Geen moordenaar of aspirant-moordenaar. Ik heb niets ten nadele van de goede man kunnen ontdekken. Hij heeft voor zover mij bekend ook niets op zijn kerfstok. In de politieregisters komt hij niet voor.' Hij stond van zijn stoel op en begon door de recherchekamer te stappen. Voor het bureau van De Cock bleef hij staan. 'Ik weet niet hoe jij erover denkt,' zei hij met een gebaar van ingehouden ongeduld, 'maar volgens mij hebben wij al veel te veel tijd aan dat idiote briefje verknoeid.' De Cock kauwde peinzend op zijn onderlip. 'Ik hoop,' zei hij weifelend, 'ik hoop dat je gelijk krijgt. Laten we in ieder geval de komst van die Pierre Brassel afwachten. Het is nog maar drie minuten voor acht.'